Wet van 10 Juli 1952, houdende vaststelling van de Wet Oorlogsstrafrecht alsmede van enige daarmede verband houdende wijzigingen in het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Militair Strafrecht en de Invoeringswet Militair Straf- en Tuchtrecht

Wet oorlogsstrafrecht

Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is bepalingen vast te stellen met betrekking tot in geval van oorlog gepleegde misdrijven en hun berechting, zomede enige wijzigingen aan te brengen in het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Militair Strafrecht en de Invoeringswet Militair Straf- en Tuchtrecht;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel

I

De navolgende bepalingen worden vastgesteld, die kunnen worden aangehaald als WET OORLOGSSTRAFRECHT

Artikel

1

Artikel

2

Voor zover in deze wet niet anders is bepaald, vinden ten aanzien van de in artikel 1 bedoelde misdrijven de bepalingen van het Wetboek van Militair Strafrecht en die ter uitvoering daarvan alsmede, behoudens de uitzonderingen bij dat Wetboek vastgesteld, de bepalingen van het gemene strafrecht toepassing, met dien verstande, dat waar in het Wetboek van Militair Strafrecht of in de bepalingen ter uitvoering daarvan gesproken wordt van de gerechten bedoeld in de Wet militaire strafrechtspraak, of van in artikel 2 van de Wet militaire strafrechtspraak genoemde personen, daaronder worden begrepen de bij deze wet aangewezen gerechten onderscheidenlijk de personen vallende onder de rechtsmacht van deze gerechten.

Artikel

3

Onverminderd het te dien aanzien in het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Militair Strafrecht bepaalde is de Nederlandse strafwet toepasselijk:

  • 1°.

    op ieder, die zich buiten het rijk in Europa schuldig maakt aan een misdrijf omschreven in de artikelen 4-7 van deze wet, indien dit feit is gepleegd tegen of met betrekking tot een Nederlander of een Nederlands rechtspersoon of indien enig Nederlands belang daardoor is of kon worden geschaad;

  • 2°.

    op ieder, die zich buiten het rijk in Europa schuldig maakt aan een misdrijf, omschreven in een der artikelen 131 tot en met 134, 189 en 416-417bis van het Wetboek van Strafrecht, indien het strafbare feit of het misdrijf, waarvan in die artikelen gesproken wordt, is een misdrijf als hiervoor onder 1°. bedoeld;

  • 3°.

    op de Nederlander, die zich buiten het rijk in Europa schuldig maakt aan een misdrijf, in artikel 1 bedoeld.

Artikel

4

De Nederlander, die vrijwillig in krijgsdienst treedt bij een buitenlandse mogendheid, wetende, dat deze met Nederland in oorlog is, wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie.

Artikel

5

Artikel

6

Hij die een misdrijf begaat en daartoe gebruik maakt of dreigt te maken van macht, gelegenheid of middel, hem door de vijand geboden, wordt gestraft met:

  • 1°.

    het dubbele van de op dat misdrijf gestelde gevangenisstraf, indien deze niet meer dan tien jaren gevangenisstraf bedraagt;

  • 2°.

    levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren, of geldboete van de vijfde categorie indien op dat misdrijf gevangenisstraf van meer dan tien jaren is gesteld;

Artikel

7

Hij die in geval van oorlog opzettelijk gebruik maakt of dreigt te maken van macht, gelegenheid of middel hem door de vijand geboden, om een ander in zijn vermogen wederrechtelijk te benadelen of om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie.

Artikel

8

Vervallen

Artikel

9

Vervallen

Artikel

10

Vervallen

Artikel

12

Artikel

13

Artikel

14

Artikel

15

Artikel

16

De leden van de bijzondere colleges ontvangen een bezoldiging, die bij de bijzondere rechtbanken een derde gedeelte van de bezoldiging voor overeenkomstige bedieningen bij de arrondissements-rechtbanken, en bij het Bijzondere Hooggerechtshof een derde gedeelte van de bezoldiging voor overeenkomstige bedieningen bij de Hoge Raad der Nederlanden bedraagt.

Artikel

17

Artikel

18

Artikel

19

Onverminderd het bepaalde in artikel 34 vernietigt het Bijzondere Hooggerechtshof de vonnissen der bijzondere rechtbanken:

  • 1°.

    wegens het verzuim van vormen, voorgeschreven op straffe van nietigheid, met dien verstande, dat een zodanig verzuim geen grond tot vernietiging behoeft te geven, indien redelijkerwijze moet worden aangenomen, dat de verdachte door het verzuim in zijn belangen niet is geschaad;

  • 2°.

    wegens verkeerde toepassing of schending der wet, waarmede te dezen wordt gelijkgesteld de oplegging van een straf of een maatregel, welke niet geacht kan worden te beantwoorden aan de ernst van het misdrijf, de omstandigheden, waaronder het is begaan, of de persoon of de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde;

  • 3°.

    wegens overschrijding van rechtsmacht.

Artikel

20

De bepalingen van de wet op de rechterlijke organisatie en het beleid der justitie, met uitzondering van de artikelen 8, eerste lid, 15, 17 en 18, en de ter uitvoering van die wet gegeven regelingen zijn met betrekking tot de bijzondere colleges van overeenkomstige toepassing, indien en voor zover van die bepalingen niet in deze wet wordt afgeweken, met dien verstande dat ten aanzien van de bijzondere rechtbanken de bepalingen met betrekking tot de arrondissements-rechtbanken en ten aanzien van het Bijzondere Hooggerechtshof de bepalingen betreffende de Hoge Raad van overeenkomstige toepassing zijn, behoudens dat ten aanzien van het Bijzondere Hooggerechtshof aanbevelingen - voor vacatures waarin na de instelling moet worden voorzien - geschieden op de wijze als voor de gerechtshoven voorgeschreven.

Artikel

21

Op de rechtspleging bij de bijzondere rechtbanken en bij het Bijzondere Hooggerechtshof zijn de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing, indien en voor zover van die bepalingen niet in deze wet wordt afgeweken, met dien verstande dat:

  • 1°.

    hetgeen daarin omtrent de rechtbank, derzelver voorzitter, de rechters, de rechter-commissaris, de officier van justitie en de griffier bij de rechtbank is bepaald, te dezen geldt voor de bijzondere rechtbank en de ambtsdragers bij dit college;

  • 2°.

    hetgeen daarin omtrent de Hoge Raad, deszelfs voorzitter en leden, de procureur-generaal en de griffier van de Hoge Raad is bepaald, te dezen geldt voor het Bijzondere Hooggerechtshof en de ambtsdragers bij dit Hof;

  • 3°.

    hetgeen daarin met betrekking tot de rechtbank of het gerechtshof en de leden der rechterlijke macht bij een dezer gerechten is bepaald, te dezen buiten toepassing blijft.

Artikel

22

Onze Minister van Justitie kan bepalen, dat in geval van een misdrijf, waarop deze wet van toepassing is, een bevel tot inverzekeringstelling, als bedoeld in artikel 57 van het Wetboek van Strafvordering, gedurende een langere dan de in artikel 58, tweede lid, van dat Wetboek genoemde termijn van twee dagen van kracht zal zijn, met dien verstande dat de inverzekeringstelling niet langer dan een jaar mag duren.

Artikel

23

Artikel

24

Indien naar het aanvankelijk oordeel van het openbaar ministerie in een zaak als hoofdstraf gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, hechtenis of geldboete dient te worden opgelegd en de zaak naar het aanvankelijk oordeel van het openbaar ministerie voor vereenvoudigde gerechtelijke afdoening in aanmerking komt, stelt het de stukken, vergezeld van een schriftelijke vordering tot oplegging van een bepaalde straf, te dien einde in handen van de rechter.

Artikel

25

Indien de rechter oordeelt, dat de zaak niet voor vereenvoudigde gerechtelijke afdoening in aanmerking komt, geeft hij daarvan kennis aan het openbaar ministerie onder wederoverlegging der stukken.

Artikel

26

Artikel

27

Artikel

28

Artikel

29

Artikel

30

Artikel

31

Het openbaar ministerie en de verdachte kunnen afstand doen van de bevoegdheid om een verklaring van bezwaar af te leggen. Artikel 454 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het openbaar ministerie en de verdachte ook aanstonds na de uitreiking van het afschrift van de beschikking bij gelegenheid van het verhoor afstand kunnen doen van de bevoegdheid een verklaring van bezwaar af te leggen; in dat geval wordt de acte door de rechter opgemaakt.

Artikel

32

Artikel

33

Artikel

34

Indien een onderzoek als in artikel 33, vierde lid, bedoeld, mede leidt tot het oordeel, dat de verdachte niet strafbaar is, kan het Bijzondere Hooggerechtshof de verdachte van rechtsvervolging ontslaan.

Artikel

35

Indien alleen door de verdachte beroep in cassatie is ingesteld, kan hij ter zake van hetgeen in eerste aanleg te zijnen aanzien bewezen is verklaard, slechts met eenparigheid van stemmen tot een zwaardere straf worden veroordeeld dan hem bij het vonnis van de bijzondere rechtbank is opgelegd.

Artikel

36

Artikel

37

Artikel

Ia

De Wet oorlogsstrafrecht is mede van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, met dien verstande dat voor de toepassing van de artikelen 3, onderdelen 1° tot en met 3°, en 12, tweede en vijfde lid, van de Wet oorlogsstrafrecht in plaats van «het rijk in Europa» telkens wordt gelezen: Nederland.

Artikel

II

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Artikel

III

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Artikel

IV

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven ten Paleize Soestdijk
JULIANA.
De Minister van Justitie, H. MULDERIJE.
De Minister van Oorlog, C. STAF.
De Minister van Marine, C. STAF.
De Minister van Justitie, H. MULDERIJE.