Wet van 16 september 1954, houdende tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie

Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie

Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelen te geven omtrent tuchtrechtelijke handhaving van verordeningen van hoofdbedrijf- en bedrijfschappen en van lichamen, ingesteld ter gemeenschappelijke behartiging van belangen, als bedoeld in artikel 110 van de Wet op de Bedrijfsorganisatie;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Titel

I

Algemene bepalingen

Artikel

2

Voor de toepassing van deze wet wordt onder het College verstaan het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

Titel

II

Van de tuchtrechtelijke maatregelen

Artikel

3

De tuchtrechtelijke maatregelen in de zin van de artikelen 105 en 113 van de Wet op de Bedrijfsorganisatie, die op overtreding van verordeningen van een lichaam kunnen worden gesteld, zijn:

  • 1°.

    berisping;

  • 2°.

    geldboete;

  • 3°.

    openbaarmaking van de tuchtbeschikking op kosten van de veroordeelde.

Artikel

4

De tuchtrechtelijke maatregel van berisping bestaat uit een schriftelijk of mondeling vermaan tot de betrokkene in verband met het begane feit.

Artikel

5

Artikel

6

Artikel

7

Titel

III

Van de tuchtgerechten

Artikel

8

Artikel

9

Artikel

10

Artikel

11

Artikel

12

Artikel

13

Degeen, die als getuige of deskundige is opgeroepen, ontvangt een vergoeding overeenkomstig het Tarief in strafzaken.

Artikel

14

Titel

IV

Van het beroep

Artikel

15

De betrokkene kan tegen de tuchtbeschikking beroep instellen bij het College.

Artikel

16

Geen beroep kan worden ingesteld, indien een ander gewoon rechtsmiddel tegen de tuchtbeschikking openstaat of opengestaan heeft.

Artikel

17

Het beroep kan worden ingesteld ter zake dat:

  • a.

    de tuchtbeschikking niet inhoudt de gronden of niet aanwijst de voorschriften, waarop de veroordeling rust;

  • b.

    de regelen omtrent de samenstelling van het tuchtgerecht en zijn bevoegdheid zijn geschonden;

  • c.

    het tuchtgeding is gevoerd in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijke rechtspraak;

  • d.

    het tuchtgerecht niet in redelijkheid tot de opgelegde maatregel of maatregelen heeft kunnen komen.

Artikel

18

Het beroep wordt ingesteld binnen veertien dagen na verzending van het bij artikel 14 bedoelde schrijven.

Artikel

19

Artikel

20

Het tuchtgerecht doet binnen een en twintig dagen na ontvangst van de mededeling, bedoeld in het tweede lid van het voorgaande artikel, de stukken toekomen aan de griffier van het College.

Artikel

21

De betrokkene, door of namens wie beroep is ingesteld, is, op straffe van niet-ontvankelijkheid, verplicht binnen een en twintig dagen, nadat het beroep is ingesteld, ter griffie van het College een schriftuur in te dienen, houdende zijn middelen van beroep.

Artikel

22

Artikel

23

Artikel

24

Op het rechtsgeding voor het College zijn de artikelen 9-13 van overeenkomstige toepassing.

Artikel

25

Aan de betrokkene of zijn gemachtigde en aan de raadsman wordt de gelegenheid gegeven het woord te voeren en de middelen van beroep toe te lichten.

Artikel

26

Artikel

27

Na de behandeling van de zaak ter terechtzitting bepaalt de voorzitter de dag voor de uitspraak. Het College kan ook terstond uitspraak doen.

Artikel

28

Artikel

29

Artikel

30

Artikel

31

De griffier brengt de uitspraak van het College ter kennis van de betrokkene, het tuchtgerecht en het lichaam.

Titel

V

Van de tenuitvoerlegging

Artikel

32

De tenuitvoerlegging van tuchtbeschikkingen en van uitspraken van het College geschiedt op last van het dagelijks bestuur van het betrokken lichaam. Het dagelijks bestuur kan niet van tenuitvoerlegging afzien, tenzij met goedkeuring van de voorzitter van het College.

Artikel

33

Geen tuchtbeschikking wordt tenuitvoergelegd, zolang daartegen enig gewoon rechtsmiddel openstaat.

Artikel

34

Artikel

36

De opbrengsten van de geldboeten komen aan het betrokken lichaam. Het bestuur van het lichaam geeft aan de opbrengsten een bijzondere bestemming. Het besluit van het bestuur behoeft de goedkeuring van de Sociaal-Economische Raad.

Titel

VI

Slotbepalingen

Artikel

37

Vervallen

Artikel

38

Deze wet kan worden aangehaald als Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie.

Artikel

39

Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven ten Paleize Soestdijk
JULIANA.
De Minister van Justitie, L. A. DONKER.
De Minister voor Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie, A. C. DE BRUIJN.
De Minister van Economische Zaken, J. ZIJLSTRA.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken, A. A. VAN RHIJN.
De Minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening, MANSHOLT.
De Minister van Financiën, VAN DE KIEFT.
De Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting, H. WITTE.
De Minister van Justitie, L. A. DONKER.