Enig artikel
De instructie voor de herinrichtingscommissie, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën (Stb. 1977, 694), hierna te noemen ‘de Wet’, wordt als volgt vastgesteld:
Besluit:
De instructie voor de herinrichtingscommissie, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën (Stb. 1977, 694), hierna te noemen ‘de Wet’, wordt als volgt vastgesteld:
De herinrichtingscommissie, hierna te noemen de commissie, vergadert als regel eenmaal per drie maanden en voorts:
zo dikwijls als de voorzitter dit wenselijk acht;
wanneer ten minste 10 leden dit schriftelijk onder opgave van redenen aan de voorzitter verzoeken.
De commissie stelt een agendacommissie in. Hierin hebben in ieder geval zitting de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter, de secretaris, de adjunct-secretaris en de op grond van artikel 4, negende lid, van de wet aangewezen ingenieur van het kadaster, hierna te noemen ingenieur van het kadaster.
Alle vergaderingen, met uitzondering van die welke naar het oordeel van de voorzitter een spoedeisend karakter dragen, worden door de secretaris met inachtneming van een termijn van ten minste 21 dagen uitgeschreven onder opgave van de plaats, de dag en het tijdstip van de vergadering en van de te behandelen onderwerpen.
De leden, de adviserende leden en de ingenieur van het kadaster ontvangen een uitnodiging. De adviserende leden kunnen zich doen vervangen na overleg met de voorzitter.
Tegelijk met de uitschrijving van de vergadering brengt de voorzitter de plaats, de dag en het tijdstip van de vergadering, alsmede een overzicht van de te behandelen onderwerpen ter openbare kennis in ten minste twee dagbladen, die in Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën, bedoeld in artikel 1 van de wet, worden verspreid.
Er is op de plaats waar de vergadering wordt gehouden een presentielijst aanwezig, waarop de aanwezige leden, adviserende leden, alsmede de ingenieur van het kadaster hun handtekening plaatsen en die na het sluiten van de vergadering wordt gesloten door ondertekening door de voorzitter en de secretaris.
De secretaris van de commissie legt in een verslag vast hetgeen in de vergadering is behandeld en zendt een afschrift hiervan aan de leden en adviserende leden van de commissie, aan de ingenieur van het kadaster, aan de secretarissen van de in artikel 4, zesde lid, van de wet bedoelde deelgebiedscommissies en aan de secretaris van de Centrale Cultuurtechnische Commissie, bedoeld in artikel 3 van de Ruilverkavelingswet 1954 (Stb. 510), hierna te noemen de centrale commissie.
De leden en de adviserende leden van de commissie ontvangen overeenkomstig het Vacatiegeldenbesluit 1970 (Stb. 577) van Rijkswege een vergoeding voor het bijwonen van een vergadering.
Indien de commissie op grond van artikel 4, derde lid, van de wet een sub-commissie instelt, wordt het secretariaat van de sub-commissie vervuld door het secretariaat van de commissie, bedoeld in artikel 13.
Een sub-commissie heeft tot taak de commissie van advies te dienen omtrent de zaken, waarvoor zij is ingesteld.
Het bepaalde in artikel 8 is van overeenkomstige toepassing op de leden van een sub-commissie.
De commissie maakt een werkplan op inzake de voorbereiding van het herinrichtingsprogramma, bedoeld in artikel 8 van de wet.
Alvorens tot de in artikel 9, eerste lid, van de wet bedoelde voorlopige vaststelling van het voorontwerp voor het programma over te gaan, zendt de commissie het concept van dit voorontwerp, ter bevordering van een snelle behandeling, ter beoordeling aan de directeur van de Landinrichtingsdienst en de directeur-generaal van de Ruimtelijke Ordening.
De commissie verschaft in het voorontwerp van het herinrichtingsprogramma zoveel mogelijk inzicht in het toekomstige beheer van uit te voeren werken.
Indien overeenkomstig het bepaalde in artikel 14 van de wet tot wijziging van het herinrichtingsprogramma wordt overgegaan, is het bepaalde in de artikelen 15 en 16 van overeenkomstige toepassing.
De commissie maakt een werkplan op inzake de voorbereiding van een herinrichtingsplan, bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de wet.
De in artikel 16, tweede lid, onder e, van de wet bedoelde raming van de totale kosten en de verdeling daarvan wordt naar sectoren ingedeeld.
Het in artikel 16, eerste lid, van de wet bedoelde voorontwerp van een herinrichtingsplan gaat vergezeld van:
ontwerp-overeenkomsten die met betrekking tot de financiële bijdragen van openbare lichamen tussen de commissie en die openbare lichamen gesloten zullen worden:
een raming van het totaal van de waardeveranderingen, bedoeld in artikel 107, eerste lid, onder b, van de wet;
een voorstel omtrent de toewijzing, bedoeld in artikel 74, eerste tot en met derde lid, van de wet;
een raming van het bedrag, bedoeld in artikel 101, tweede lid, van de wet.
Nadat een herinrichtingsplan overeenkomstig het bepaalde in artikel 20 van de wet is vastgesteld, maakt de commissie de inhoud van artikel 24 van de wet bekend in ten minste twee dagbladen, die in de streek worden verspreid.
Overeenkomsten, inclusief gunningen van aanbestede werken, waaruit uitgaven voortvloeien welke een bedrag van f 50 000 te boven gaan, worden door de commissie niet gesloten dan nadat de goedkeuring is verkregen van de directeur van de Landinrichtingsdienst of een door hem aangewezen persoon.
Het secretariaat zendt van alle overeenkomsten, die door de commissie worden afgesloten, een gewaarmerkt afschrift aan de directeur van de Landinrichtingsdienst.
Op de door de commissie uit te voeren werken is van toepassing het Besluit Aanbesteding Werken 1973 (Stb. 202).
De in de artikelen 23, derde lid, 28, zevende lid, en 76 van de wet bedoelde schade wordt bepaald aan de hand van door de commissie vast te stellen normen, die de goedkeuring van de centrale commissie behoeven.
De ministeries verrichten betalingen voor zover zij een bedrag voor de financiële bijdrage van Rijkswege ter beschikking hebben gesteld.
De betaling van het door het Ministerie van Landbouw en Visserij ter beschikking gestelde gedeelte van de financiële bijdrage van Rijkswege wordt verricht door de Landinrichtingsdienst.
De commissie doet een voorstel aan de centrale commissie voor een stelsel van classificatie van de grond, alsmede een voorstel voor de waarde per hectare van elke klasse als bedoeld in artikel 33, eerste lid, van de wet.
Op een door de centrale commissie te bepalen dag houdt de commissie met de schatters, bedoeld in artikel 32 van de wet, de ingenieur van het kadaster en voor zover nodig andere deskundigen, een bijeenkomst, waarop onder leiding van een vertegenwoordiger van de centrale commissie het stelsel van classificatie in ontwerp wordt vastgesteld en van elke klasse de waarde per hectare voorlopig wordt bepaald.
De commissie doet een voorstel aan de centrale commissie voor de aanwijzingen voor de schatters als bedoeld in artikel 107, tweede lid, van de wet.
Op een door de centrale commissie te bepalen dag houdt de commissie met de schatters, bedoeld in artikel 32 van de wet, de ingenieur van het kadaster en voor zover nodig andere deskundigen, een bijeenkomst, waarop onder leiding van een vertegenwoordiger van de centrale commissie de aanwijzingen van de centrale commissie in ontwerp worden vastgesteld.
De schatters bedoeld in artikel 32 van de wet, die geen ambtenaren in de zin van de Ambtenarenwet zijn, ontvangen van Rijkswege een door de Minister van Landbouw en Visserij vast te stellen vergoeding.
Nadat de ingenieur van het kadaster de wensen, bedoeld in artikel 80, tweede lid, van de wet, heeft samengevat, worden door de commissie de richtlijnen herzien, indien daaraan behoefte bestaat. Deze herziene richtlijnen behoeven eveneens de goedkeuring van de centrale commissie.
Vervolgens stelt de ingenieur van het kadaster op de grondslag van de in artikel 33 bedoelde richtlijnen een ontwerp van het plan van toedeling op in overeenstemming met de secretaris van de commissie. Nadat hij deze overeenstemming heeft verkregen wordt het ontwerp ter verdere behandeling aangeboden aan de commissie.
De commissie legt, indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven, voorafgaande aan het tijdstip, waarop het ontwerp van het plan van toedeling ter goedkeuring aan de centrale commissie wordt gezonden, in daartoe door haar te houden zittingen het ontwerp aan de belanghebbenden voor, zulks te hunner voorlichting en ter controle van de juistheid van de bescheiden.
De commissie zendt aan de centrale commissie tegelijk met het in artikel 72, eerste lid, van de wet bedoelde voorstel voor een inventarisatieplan een toelichting bij dat plan en een ontwerp-voorstel omtrent de eigendom, het beheer en het onderhoud van de openbare wegen, waterlopen, dijken en kaden met de daartoe behorende kunstwerken.
De in het kader van het herinrichtingsplan uitgevoerde werken, die overeenkomstig het bepaalde in artikel 74, eerste onderscheidenlijk tweede lid, van de wet zullen worden toegewezen, worden door de commissie beheerd en onderhouden tot aan het tijdstip, waarop deze toewijzing plaatsvindt.
Ten einde het beheer en onderhoud van de in het eerste lid bedoelde werken niet langer te doen plaatsvinden dan noodzakelijk is, zal de commissie het voorstel, bedoeld in artikel 72, eerste lid, van de wet, zo spoedig als mogelijk aan de centrale commissie zenden.
Het beheer en het onderhoud van de in artikel 72, eerste lid, onder c, van de wet, bedoelde gehandhaafde, niet verbeterde wegen, waterlopen, dijken, kaden, met de daartoe behorende kunstwerken blijven bij de beheerders en onderhoudsplichtigen tot aan het tijdstip waarop de toewijzing, bedoeld in artikel 74, eerste onderscheidenlijk tweede lid, van de wet plaatsvindt.
Indien Gedeputeerde Staten voornemens zijn artikel 28, tweede lid, van de wet, toe te passen, zal de commissie, alvorens in te stemmen met het daartoe strekkende voorstel van Gedeputeerde Staten, in het bezit moeten zijn van een schriftelijke verklaring van het betrokken openbare lichaam of andere rechtspersoon, waaruit blijkt, dat het beheer en het onderhoud van de uit te voeren werken is geregeld tot aan het tijdstip waarop de toewijzing, bedoeld in artikel 74, eerste onderscheidenlijk tweede lid, van de wet, plaatsvindt.
Ter verwezenlijking van de taakstelling, bedoeld in het herinrichtingsplan ingevolge artikel 16 van de wet worden door het bureau beheer landbouwgronden, bedoeld in artikel 28 van de Wet agrarisch grondverkeer (Stb. 1981, 248), hierna te noemen het bureau, gronden verworven op basis van een na overleg met de commissie vastgesteld aankoopbeleid. Over de resultaten wordt periodiek door het bureau schriftelijk verslag gedaan aan de commissie, die in de gelegenheid wordt gesteld het gevoerde beleid ter discussie te stellen.
Het bureau voert in de blokken waar op grond van het herinrichtingsplan herverkaveling zal plaatsvinden het materieel beheer gedurende het tijdvak dat begint op de datum van verwerving van het land en eindigt met ingang van het kalenderjaar volgende op het jaar waarin het plan van toedeling van het betreffende blok ter visie is gelegd als bedoeld in artikel 83, tweede lid, van de wet.
In afwijking van het bepaalde in het tweede lid voert:
het bureau het materieel beheer tot aan de datum waarop de akte van toedeling, bedoeld in artikel 95 van de wet, van het betreffende blok in de openbare registers wordt overgeschreven ten aanzien van land en de daarop aanwezige opstellen:
welke worden aangewend voor niet agrarisch gebruik, voor zover niet opgenomen in het herinrichtingsplan;
welke gelegen zijn binnen als zodanig aangewezen reservaatsgebieden;
welke worden aangewend voor uitgifte in erfpacht;
de commissie gedurende het tijdvak, dat begint met het kalenderjaar volgende op het jaar waarin provinciale staten het herinrichtingsplan of een gedeelte hiervan hebben vastgesteld als bedoeld in artikel 20 van de wet en eindigt op de datum bedoeld in het vierde lid, het materieel beheer ten aanzien van land dat per kalenderjaar aangewend wordt voor:
uitvoering van werken;
tijdelijke compensatie van grondgebruikers op wier grond werken worden uitgevoerd;
blijvende compensatie van grondgebruikers op wier grond werken zijn uitgevoerd als gevolg waarvan het gebruik niet meer mogelijk is;
oplossing van incidentele problemen bij de uitvoering welke geen verband behoeven te hebben met de uitvoering van de werken.
Onverminderd het bepaalde in het derde lid voert de commissie het materieel beheer van de grond, die ter realisering van de taakstelling wordt aangewend, gedurende het tijdvak dat begint met het kalenderjaar volgende op het jaar waarin het plan van toedeling van het betreffende blok ter visie is gelegd en eindigt op de datum waarop de akte van toedeling in de openbare registers wordt overgeschreven.
a. Het bureau voert in die delen van het herinrichtingsgebied, waar op grond van het herinrichtingsplan geen herverkaveling zal plaatsvinden, het materieel beheer zolang het bureau de grond in eigendom of pacht heeft.
b. het bepaalde in het derde lid, onderdeel b, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het daar bedoelde beheer eindigt op de datum waarop de akte van toedeling van het laatste blok van het betreffende deelgebied in de openbare registers wordt overgeschreven.
Het beheer dient zodanig te worden gevoerd dat:
het land niet met persoonlijke of zakelijke rechten wordt belast die een zo spoedig mogelijke vervreemding ten behoeve van de gewenste bestemming kunnen bemoeilijken of vertragen;
wordt zorggedragen voor een regelmatige wisseling van degenen aan wie het land in gebruik wordt gegeven.
Voor ingebruikneming van land in materieel beheer bij het bureau kunnen gegadigden zich door middel van een inschrijving bij het bureau melden.
Bij het in gebruik geven van het land wordt een vergoeding gevraagd ter grootte van de hoogst toelaatbare pachtprijs.
Met betrekking tot het land dat de commissie in materieel beheer heeft:
betaalt zij aan het bureau een vergoeding ter grootte van de hoogst toelaatbare pachtprijs;
brengt zij voor het gebruik door derden maximaal een bedrag in rekening ter grootte van de hoogst toelaatbare pachtprijs;
legt zij jaarlijks verantwoording af aan het bureau.
De uit het materieel beheer voortvloeiende afwikkeling van de financiële gevolgen en de daarbij behorende administratie wordt door het bureau verricht, vanaf de datum van verwerving van het land tot aan de datum waarop de akte van toedeling in de openbare registers wordt overgeschreven dan wel in geval de grond van het bureau, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel a, vervreemd wordt.
Het in het herinrichtingsgebied gelegen land wordt op de volgende wijze vervreemd:
uitgifte in erfpacht als bedoeld in artikel 57 van de Wet agrarisch grondverkeer (Stb. 1981, 248), voor zover het betreft landbouwgrond;
vestiging van zakelijke rechten anders dan bedoeld in artikel 57 van de Wet agrarisch grondverkeer (Stb. 1981, 248);
overdracht in eigendom aan de Staat;
overdracht in eigendom aan andere openbare lichamen dan de Staat;
overdracht in eigendom aan particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties.
overdracht in eigendom aan ondernemers in de landbouw, voor zover het landbouwgrond betreft, op voordracht van de commissie;
overdracht in eigendom aan derden dan wel de vestiging van een zakelijk recht ten behoeve van derden, niet ressorterend onder a-f, ter oplossing van incidentele problemen bij de uitvoering
Voordat toepassing wordt gegeven aan Hoofdstuk II van de wet zal de commissie bevorderen, dat langs vrijwillige weg grondruil tot stand komt tussen degenen die gronden gedeeltelijk in een te onteigenen gebied hebben liggen en hun bedrijf wensen voort te zetten en degenen die gronden geheel of gedeeltelijk hebben liggen buiten een te onteigenen gebied en hun bedrijf willen beëindigen.
Ten aanzien van de aanwending van verworven gronden zal de commissie een voorstel doen in het kader van de opstelling van het ontwerp van een herinrichtingsplan, bedoeld in artikel 16 van de wet. Voor zover gronden in eigendom, erfpacht of pacht zullen overgaan, dient met het bureau overeenstemming te bestaan over de prijs en in de overeenkomst op te nemen voorwaarden en bedingingen.
De Minister van Landbouw en Visserij kan, in overeenstemming met de in artikel 4, tweede lid, van de wet genoemde ministers, gedurende de herinrichtingsperiode deze instructie wijzigen. Behoudens in de gevallen, waarin zulks op grond van een wijziging van de wet geschiedt, gaat de Minister van Landbouw en Visserij hiertoe niet over dan nadat hij de commissie en Gedeputeerde Staten van Groningen en van Drenthe in de gelegenheid heeft gesteld omtrent de voorgestelde wijzigingen hun zienswijze aan hem mede te delen.