Artikel
1
Dit besluit neemt over de begrippen van de Landinrichtingswet (Stb. 1985, 299).
Hebben goedgevonden en verstaan:
Dit besluit neemt over de begrippen van de Landinrichtingswet (Stb. 1985, 299).
De centrale commissie, vervult de taken, haar opgedragen bij of krachtens:
de Reconstructiewet Midden-Delfland (Stb. 1977, 233);
de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën (Stb. 1977, 694);
de Ruilverkavelingswet 1954 (Stb. 1954, 510);
de Beschikking reconstructie oude glastuinbouwgebieden; (Stcrt. 1979, 64);
overige regelgeving van Onze Minister inzake landinrichtingsaangelegenheden.
De Centrale Landinrichtingscommissie bestaat uit 17 leden, te weten:
de Directeur-Generaal van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, die tevens voorzitter is;
vier ambtelijke leden, onderscheidenlijk vertegenwoordigende: Onze Minister, Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
twee leden, die worden benoemd op voordracht van het Interprovinciaal Overleg;
één lid dat benoemd wordt op voordracht van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten;
één lid, dat benoemd wordt op voordracht van de Unie van Waterschappen;
drie leden, die worden benoemd op voordracht van de Federatie van Land- en Tuinbouworganisaties Nederland;
één lid, dat benoemd wordt op voordracht van de Stichting Natuur en Milieu;
één lid, dat benoemd wordt op voordracht van de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten;
één lid, dat benoemd wordt op voordracht van de Koninklijke Nederlandse Toeristenbond, ANWB;
één lid, dat benoemd wordt op voordracht van de Nederlandse Vereniging van Boseigenaren en van het Bosschap gezamenlijk;
één lid, dat benoemd wordt op voordracht van de Federatie Nederlandse Vakbeweging en het Christelijk Nationaal Vakverbond.
De centrale commissie is bevoegd commissies in te stellen ter voorbereiding van bepaalde onderdelen van haar taak en daarin ook andere personen dan leden van de centrale commissie te benoemen.
De voorzitter of namens deze de secretaris roept de centrale commissie bijeen zo dikwijls hij dit wenselijk oordeelt of ten minste acht leden dit schriftelijk verzoeken.
Alle vergaderingen, met uitzondering van die, welke naar het oordeel van de voorzitter een spoedeisend karakter dragen, worden met inachtneming van een termijn van zeven dagen uitgeschreven onder opgave van de te behandelen punten.
Een lid dan wel plaatsvervangend lid kan op verzoek van Onze Minister of van de organisatie die hem heeft voorgedragen, bij koninklijk besluit worden geschorst.
Een lid dan wel plaatsvervangend lid kan te allen tijde hetzij op eigen verzoek, hetzij op verzoek van Onze Minister of van de organisatie die hem heeft voorgedragen, bij koninklijk besluit worden ontslagen.
De door de Landinrichtingsdienst aan de centrale commissie te verlenen bijstand omvat:
de voorbereiding, op verzoek dan wel eigener beweging, van door de centrale commissie te nemen besluiten alsmede de uitvoering daarvan;
het verrichten van alle administratieve en andere werkzaamheden voortvloeiende uit de aan de centrale commissie opgedragen taak.
De leden, plaatsvervangende leden en adviserende leden genieten voor het bijwonen van vergaderingen een vergoeding bepaald ingevolge het Vacatiegeldenbesluit 1988, alsmede een reis- en verblijfkostenvergoeding op de voet van het Reisbesluit binnenland.
Het Koninklijk besluit van 4 februari 1955 (Stb. 1955, 43) wordt ingetrokken.
Indien de Landinrichtingswet (Stb. 1985, 299) in werking treedt, treedt dit besluit op hetzelfde tijdstip in werking.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en aan de Algemene Rekenkamer.