Bij het toelatingsonderzoek, bij keuringen, bij herkeuringen en bij de onderzoeken, bedoeld in de artikelen 16, 17 en 29c van de wet, moet gebruik worden gemaakt van voor het doel geschikte werkstandaarden of verificatietoestellen, waarvan de meeteigenschappen herleidbaar zijn naar standaarden.
2
De standaarden, bedoeld in het eerste lid, zijn:
a.
in de gevallen, waarin het betreft eenheden, ten aanzien waarvan krachtens het Standaardenbesluit 1989 (Stb. 1989, 102) een nationale standaard geldt: deze nationale standaard;
b.
in alle andere gevallen: internationale standaarden, welke in het kader van het op 20 mei 1875 te Parijs gesloten verdrag ter verzekering van de internationale eenheid en de volmaking van het metrieke stelsel (Stb. 1928, 466 en Stb. 1929, 219) zijn verwezenlijkt.
Artikel
3
1
Het toelatingsonderzoek omvat ten minste een beoordeling van:
a.
de deugdelijkheid van het beginsel waarop de werking van het model berust;
b.
de constructie van het model en van de doelmatigheid en de vorm daarvan;
c.
de geschiktheid van de grondstoffen waaruit het model is samengesteld;
d.
de met betrekking tot het model overgelegde tekeningen en beschrijvingen;
e.
de meet- of weegeigenschappen van het model;
f.
de duurzaamheid van het model;
g.
de vraag of beperkingen in het gebruik of in de wijze van meten of wegen van naar het model vervaardigde meetmiddeldelen vereist zijn;
h.
de wenselijkheid van bewaring van een model.
2
Bij het toelatingsonderzoek wordt rekening gehouden met de omstandigheden die zich bij normaal gebruik van naar het model vervaardigde meetmiddelen kunnen voordoen.
Artikel
4
1
Bij de keuring van een meetmiddel wordt nagegaan, of het is vervaardigd overeenkomstig een model van het meetmiddel dat is toegelaten op grond van artikel 11a van de wet of ten aanzien waarvan een EEG-modelgoedkeuring is verleend op grond van artikel 3 van het Algemeen EEG-IJkbesluit.
2
Een meetmiddel wordt niet gekeurd als de desbetreffende toelating van het model of EEG-modelgoedkeuring is ingetrokken.
Bij het verrichten van keuringen moet rekening worden gehouden met beïnvloeding door van buiten af komende factoren, zoals variaties in temperatuur, vochtigheid en verlichting, trillingen, elektromagnetische storingen of aanwezigheid van stof of andere verontreinigingen.
Artikel
6
Bij keuringen en herkeuringen moeten, ongeacht de toegepaste meetmethode, metingen worden verricht met een nauwkeurigheid van één vijfde van de voor het betrokken meetmiddel geldende maximaal toelaatbare fouten, onverminderd het in ministeriële regelingen als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, en artikel 21a, derde lid, onder g, van de wet daaromtrent bepaalde; indien de stand der techniek dit niet mogelijk maakt, dient bedoelde nauwkeurigheid zo dicht mogelijk benaderd te worden.
de aanwezigheid van de vereiste ijkmerken dan wel het kenteken, bedoeld in artikel II, vierde en achtste lid, van de wet van 8 november 1988 (Stb. 672) tot wijziging van de IJkwet 1937 (Stb. 627) en van enige andere wetten in verband met de privatisering van de dienst van het IJkwezen gecontroleerd;
b.
nagegaan of het meetmiddel zijn oorspronkelijke vorm heeft behouden;
c.
nagegaan of het meetmiddel in een goede staat van onderhoud verkeert;
gecontroleerd of met betrekking tot het meetmiddel aan de voorschriften betreffende het uitsluitend gebruik wordt voldaan.
Artikel
8
1
Steeds wordt die vorm van het ijkmerk of het afkeuringsmerk gebruikt, die het best bij het meetmiddel past.
2
IJkmerken en afkeuringsmerken worden op een in het oog vallende plaats aangebracht, hetzij op het meetmiddel zelf, hetzij op een ten behoeve daarvan aangebrachte inrichting.
3
IJkmerken en afkeuringsmerken worden, met een voor het doel geschikt merkmiddel, zodanig aangebracht, dat zij niet zonder beschadiging kunnen worden verwijderd, dan wel na verwijdering niet opnieuw kunnen worden aangebracht.