Wet van 29 mei 1991, tot opheffing van het Visserijschap en het Bedrijfschap voor de Groothandel in Vis en Aanverwante Bedrijven, tevens strekkende tot wijziging van de Instellingswet Productschap voor Vis en Visproducten

Wet opheffing Visserijschap en Bedrijfschap voor de Groothandel in Vis en Aanverwante Bedrijven

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is overeenkomstig het door de Sociaal-Economische Raad op 20 januari 1989 daartoe uitgebrachte advies over te gaan tot integratie van taken en bevoegdheden van het Visserijschap en het Bedrijfschap voor de Groothandel in Vis en Aanverwante Bedrijven in het Produktschap voor Vis en Visprodukten, daartoe de Instellingswet Productschap voor Vis en Visproducten te wijzigen en, in samenhang daarmee, beide voornoemde bedrijfschappen op te heffen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel

1

Artikel

2

Artikel

3

Artikel

4

Artikel

5

Artikel

6

Artikel

7

Artikel

8

Hetgeen blijkens de goedgekeurde rekening aan vermogen van het Visserijschap respectievelijk het Bedrijfschap voor de Groothandel in Vis en Aanverwante Bedrijven over is, komt ten goede aan het Produktschap voor Vis en Visprodukten.

Artikel

9

Artikel

10

Het Produktschap voor Vis en Visprodukten bewaart in de zin van de Archiefwet 1972 (Stb. 313) de archiefbescheiden van het Visserijschap en het Bedrijfschap voor de Groothandel in Vis en Aanverwante Bedrijven.

Artikel

11

Het Instellingsbesluit Visserijschap en het Instellingsbesluit Bedrijfschap voor de Groothandel in Vis en Aanverwante Bedrijven worden ingetrokken.

Artikel

12

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Artikel

13

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te ’s-Gravenhage
Beatrix
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, B. de Vries
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, P. Bukman
De Minister van Economische Zaken, J. E. Andriessen
De Minister van Justitie, E. M. H. Hirsch Ballin