Wet van 10 september 1992, houdende nieuwe bepalingen met betrekking tot provincies

Provinciewet

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Provinciewet aan te passen aan de herziene Grondwet en aan de Gemeentewet en in verband daarmee nieuwe bepalingen vast te stellen met betrekking tot de inrichting van provincies, alsmede de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Titel

I

Begripsbepalingen

Artikel

1

Artikel

2

In deze wet wordt verstaan onder ingezetenen: zij die hun werkelijke woonplaats in de provincie hebben.

Artikel

3

Zij die als ingezetene met een adres in een gemeente zijn ingeschreven in de basisregistratie personen, worden voor de toepassing van deze wet, behoudens bewijs van het tegendeel, geacht werkelijke woonplaats te hebben in de provincie waarin die gemeente is gelegen.

Artikel

4

Vervallen

Artikel

5

In deze wet wordt verstaan onder:

  • a.

    provinciebestuur: ieder bevoegd orgaan van de provincie;

  • b.

    Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Titel

II

De inrichting en samenstelling van het provinciebestuur

Hoofdstuk

I

Algemene bepaling

Artikel

6

In elke provincie zijn er provinciale staten, gedeputeerde staten en een commissaris van de Koning.

Hoofdstuk

II

Provinciale staten

Artikel

7

Provinciale staten vertegenwoordigen de gehele bevolking van de provincie.

Artikel

8

Artikel

9

De commissaris van de Koning is voorzitter van provinciale staten.

Artikel

10

Voor het lidmaatschap van provinciale staten is vereist dat men Nederlander en ingezetene van de provincie is, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van het kiesrecht.

Artikel

11

Artikel

12

Ter vervulling van een tussentijds opengevallen plaats is niet benoembaar tot lid van provinciale staten hij die na de laatstgehouden periodieke verkiezing van de leden van provinciale staten wegens handelen in strijd met artikel 15 van het lidmaatschap van provinciale staten is vervallen verklaard.

Artikel

13

Artikel

14

Artikel

15

Artikel

16

Provinciale staten stellen een reglement van orde voor hun vergaderingen en andere werkzaamheden vast.

Artikel

17

Artikel

18

Provinciale staten vergaderen na de periodieke verkiezing van hun leden voor de eerste maal in nieuwe samenstelling op de dag met ingang waarvan de leden van provinciale staten in oude samenstelling aftreden.

Artikel

19

Artikel

20

Artikel

21

Artikel

22

De leden van het provinciebestuur en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor dan wel worden verplicht getuigenis af te leggen als bedoeld in artikel 165, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering over hetgeen zij in de vergadering van provinciale staten hebben gezegd of aan provinciale staten schriftelijk hebben overgelegd.

Artikel

23

Artikel

24

In een besloten vergadering kan niet worden beraadslaagd of besloten over:

  • a.

    de toelating van nieuw benoemde leden;

  • b.

    de vaststelling en wijziging van de begroting en de vaststelling van de jaarrekening;

  • c.

    de invoering, wijziging en afschaffing van provinciale belastingen; en

  • d.

    de benoeming en het ontslag van gedeputeerden.

Artikel

25

Vervallen

Artikel

26

Artikel

27

De leden van provinciale staten stemmen zonder last.

Artikel

28

Artikel

29

Artikel

30

Artikel

31

Artikel

32

Artikel

32a

Artikel

33

Hoofdstuk

III

Gedeputeerde staten

Artikel

34

Artikel

35

Artikel

35a

Artikel

35b

Artikel

35c

Artikel

36

De benoeming van gedeputeerden na de verkiezing van de leden van provinciale staten vindt plaats in een vergadering van provinciale staten in nieuwe samenstelling.

Artikel

37

In het geval van artikel 36 gaat de benoeming van degene die zijn benoeming tot gedeputeerde heeft aangenomen, in op het tijdstip waarop ten minste de helft van het met inachtneming van artikel 35a bepaalde aantal gedeputeerden zijn benoeming heeft aangenomen of, indien de aanneming van de benoeming op een later tijdstip plaatsvindt, op dat tijdstip.

Artikel

38

De benoeming ter vervulling van een plaats die tussentijds openvalt geschiedt zo spoedig mogelijk, tenzij provinciale staten besluiten het aantal gedeputeerden te verminderen.

Artikel

39

De benoemde gedeputeerde deelt provinciale staten uiterlijk op de tiende dag na de kennisgeving van zijn benoeming mee of hij de benoeming aanneemt. Indien deze termijn verstrijkt zonder mededeling, wordt de benoemde gedeputeerde geacht de benoeming niet aan te nemen.

Artikel

40

Wanneer de benoeming niet is aangenomen, geschiedt zo spoedig mogelijk een nieuwe benoeming.

Artikel

40a

Artikel

40b

Artikel

40c

Artikel

41

Artikel

42

Artikel

43

Artikel

43a

Artikel

43b

Onverschuldigd betaalde bezoldiging kan worden teruggevorderd.

Artikel

43c

Artikel

43d

Artikel

43f

Indien verscheidene schuldeisers uit hoofde van beslag of korting aanspraak hebben op een deel van de bezoldiging geschiedt de verdeling naar evenredigheid der inschulden, voor zover niet de ene schuldeiser voorrang heeft boven de anderen.

Artikel

43g

Artikel

43h

Betaling of afgifte aan een gemachtigde, nadat een volmacht tot voldoening of invorderingen van bezoldiging is geëindigd, ontlasten de provincie, indien een gegeven opdracht tot de betaling of afgifte niet meer tijdig kon worden ingetrokken, toen de provincie van het eindigen van de volmacht kennis kreeg.

Artikel

43j

Met bezoldiging worden in de artikelen 43a tot en met 43h gelijkgesteld de bedragen – onder de benaming van uitkering of welke benaming ook – waarop de gedeputeerde krachtens artikel 43, eerste lid, aanspraak heeft of waarop zijn nagelaten betrekkingen uit hoofde van zijn overlijden krachtens artikel 43, eerste lid, aanspraak hebben.

Artikel

44

Artikel

44a

Artikel

44b

Artikel

45

Artikel

46

Artikel

47

In zaken die aan de uitspraak van gedeputeerde staten zijn onderworpen mag een gedeputeerde niet als gemachtigde of adviseur werkzaam zijn.

Artikel

48

Vervallen

Artikel

49

Indien een uitspraak van provinciale staten inhoudende de opzegging van hun vertrouwen in een gedeputeerde er niet toe leidt dat de betrokken gedeputeerde onmiddellijk ontslag neemt, kunnen provinciale staten besluiten tot ontslag. Artikel 31 is van toepassing op de stemming inzake het ontslag. Op het ontslagbesluit is artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

Artikel

50

De rechter treedt niet in de beoordeling van de gronden waarop provinciale staten tot ontslag van een gedeputeerde hebben besloten.

Artikel

51

Vervallen

Artikel

52

Gedeputeerde staten stellen een reglement van orde voor hun vergaderingen en andere werkzaamheden vast, dat aan provinciale staten wordt toegezonden.

Artikel

53

Artikel

53a

Artikel

54

Artikel

55

Vervallen

Artikel

56

Artikel

57

De leden van gedeputeerde staten en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor hetgeen zij in de vergadering van gedeputeerde staten hebben gezegd of aan gedeputeerde staten schriftelijk hebben overgelegd.

Artikel

59

Artikel

59a

Artikel

60

Hoofdstuk

IV

De commissaris van de Koning

Artikel

61

Artikel

61a

Artikel

61b

Artikel

61c

Artikel

61d

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de bij benoeming, herbenoeming en ontslag van de commissaris van de Koning te volgen procedure.

Artikel

62

Artikel

63

Voor de benoembaarheid tot commissaris is het Nederlanderschap vereist.

Artikel

64

Artikel

65

Artikel

66

Artikel

67

De commissaris is niet tevens:

  • a.

    minister;

  • b.

    staatssecretaris;

  • c.

    lid van de Raad van State;

  • d.

    lid van de Algemene Rekenkamer;

  • e.

    Nationale ombudsman;

  • f.

    substituut-ombudsman als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wet Nationale ombudsman;

  • g.

    lid van provinciale staten;

  • h.

    gedeputeerde;

  • i.

    lid van de rekenkamer;

  • j.

    lid van de raad van een gemeente;

  • k.

    burgemeester;

  • l.

    wethouder;

  • m.

    lid van de rekenkamer van een in de provincie gelegen gemeente;

  • n.

    ombudsman of lid van de ombudscommissie als bedoeld in artikel 79q, eerste lid;

  • o.

    ambtenaar, in dienst van die provincie of uit anderen hoofde aan het provinciebestuur ondergeschikt;

  • p.

    ambtenaar, in dienst van een in die provincie gelegen gemeente of uit anderen hoofde aan het gemeentebestuur van een dergelijke gemeente ondergeschikt;

  • q.

    voorzitter van, lid van het bestuur van of ambtenaar in dienst van een in de provincie gelegen waterschap;

  • r.

    ambtenaar in dienst van een bij gemeenschappelijke regeling ingesteld lichaam waarvan een orgaan aan toezicht van gedeputeerde staten is onderworpen;

  • s.

    ambtenaar, in dienst van de Staat, tot wiens taak behoort het verrichten van werkzaamheden in het kader van het toezicht op de provincie;

  • t.

    functionaris, krachtens wet of algemene maatregel van bestuur geroepen om het provinciebestuur van advies te dienen.

Artikel

68

Artikel

69

Het ambt van commissaris ontheft van alle bij of krachtens de wet opgelegde verplichtingen tot het verrichten van persoonlijke diensten.

Artikel

70

De commissaris heeft zijn werkelijke woonplaats in de provincie.

Artikel

71

Artikel

72

Artikel

73

Artikel

74

Vervallen

Artikel

75

Artikel

76

Artikel

77

De toekenning van een vergoeding aan degene die met de waarneming van het ambt van commissaris is belast, wordt geregeld bij of krachtens algemene maatregel van bestuur.

Artikel

78

Ten aanzien van degene die met de waarneming van het ambt van commissaris is belast, zijn de artikelen 63, 66, 67 en 68 van overeenkomstige toepassing.

Artikel

79

Hoofdstuk

IVA

De rekenkamer

§

1

De provinciale rekenkamer

Artikel

79a

Provinciale staten stellen een rekenkamer in.

Artikel

79b

Provinciale staten stellen het aantal leden van de rekenkamer vast.

Artikel

79c

Artikel

79d

Artikel

79e

Artikel 11 is van overeenkomstige toepassing op de leden van de rekenkamer.

Artikel

79f

Artikel

79g

Artikel

79i

Artikel

79j

Artikel

79k

De leden van de rekenkamer ontvangen een bij verordening van provinciale staten vastgestelde vergoeding voor hun werkzaamheden en een tegemoetkoming in de kosten.

§

2

De gemeenschappelijke rekenkamer

Artikel

79l

In afwijking van artikel 79a kunnen provinciale staten met provinciale staten van een of meer andere provincies met toepassing van artikel 40 en artikel 41, eerste lid, juncto artikel 8, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, of met de raad of de raden van één of meer gemeenten, al dan niet met provinciale staten van één of meer andere provincies tezamen, met toepassing van artikel 51 en artikel 52, eerste lid, juncto artikel 8, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen een gemeenschappelijke rekenkamer instellen. De artikelen 10, tweede, derde en vijfde tot en met achtste lid, 10a, 11, 11a, 15, 16, 17, 20, derde lid, 21, 22, 23, 43 en 54 van die wet zijn niet van toepassing.

Artikel

79m

Artikel

79n

Indien provinciale staten van één of meer provincies met de raad of raden van een of meer gemeenten een gemeenschappelijke rekenkamer instellen, is, onverminderd artikel 79m, eerste lid, juncto artikel 79f, een lid van de rekenkamer niet tevens:

  • a.

    burgemeester;

  • b.

    wethouder;

  • c.

    lid van de raad van een deelnemende gemeente;

  • d.

    ambtenaar, in dienst van een deelnemende gemeente of uit anderen hoofde aan het bestuur van een deelnemende gemeente ondergeschikt;

  • e.

    ambtenaar, in dienst van de Staat, tot wiens taak behoort het verrichten van werkzaamheden in het kader van het toezicht op een deelnemende gemeente;

  • f.

    functionaris, krachtens wet of algemene maatregel van bestuur geroepen om het gemeentebestuur van een deelnemende gemeente van advies te dienen.

Artikel

79o

In de regeling waarbij de gemeenschappelijke rekenkamer wordt ingesteld, worden ten minste regels gesteld over:

  • a.

    het op verzoek van de voorzitter of het enige lid van de rekenkamer in dienst nemen van de ambtenaren die nodig zijn voor een goede uitoefening van de werkzaamheden van de rekenkamer;

  • b.

    de vergoeding die de leden van de rekenkamer voor hun werkzaamheden ontvangen en de tegemoetkoming in de kosten.

Hoofdstuk

IVB

De rekenkamerfunctie

Artikel

79p

Vervallen

Hoofdstuk

IVC

De ombudsman

§

1

Algemene bepaling

Artikel

79q

§

2

De provinciale ombudsman

Artikel

79r

Artikel

79s

Artikel

79t

Artikel

79u

Artikel

79v

De ombudsman zendt jaarlijks een verslag van zijn werkzaamheden aan provinciale staten.

Artikel

79w

De ombudsman ontvangt een bij verordening van provinciale staten vastgestelde vergoeding voor zijn werkzaamheden en een tegemoetkoming in de kosten.

§

3

De provinciale ombudscommissie

Artikel

79x

Artikel

79y

§

4

De gezamenlijke ombudsman en de gezamenlijke ombudscommissie

Artikel

79z

Artikel

79aa

Indien provinciale staten een ombudsman of een ombudscommissie instellen met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen, zijn de in die wet ten aanzien van gemeenschappelijke organen opgenomen bepalingen slechts van toepassing voor zover de aard van de aan de ombudsman of de ombudscommissie opgedragen taken zich daartegen niet verzet.

Hoofdstuk

V

De commissies

Artikel

80

Artikel

81

Artikel

82

Artikel

83

Hoofdstuk

VA

Geheimhouding

Artikel

85

Artikel

86

Artikel

87

Vervallen

Artikel

88

Vervallen

Artikel

89

Vervallen

Artikel

90

Vervallen

Artikel

91

Vervallen

Artikel

92

Vervallen

Hoofdstuk

VI

Geldelijke voorzieningen ten behoeve van de leden van provinciale staten en de commissies

Artikel

93

Artikel

94

Artikel

95

De verordeningen bedoeld in de artikelen 93 en 94 worden aan Onze Minister gezonden.

Artikel

96

Hoofdstuk

VII

De secretaris en de griffier

§

1

Algemene bepalingen

Artikel

97

§

2

De secretaris

Artikel

99

Gedeputeerde staten wijzen de secretaris aan. De aanwijzing eindigt van rechtswege met ingang van de datum dat de uitoefening van de functie van secretaris geen onderdeel meer uitmaakt van de werkzaamheden van de betreffende ambtenaar.

Artikel

100

Artikel

101

De secretaris is in de vergadering van gedeputeerde staten aanwezig.

Artikel

102

Vervallen

§

3

De griffier

Artikel

104

Artikel

104a

Artikel

104b

De griffier is in de vergadering van provinciale staten aanwezig.

Artikel

104c

Vervallen

Artikel

104e

Titel

III

De bevoegdheid van het provinciebestuur

Hoofdstuk

VIII

Algemene bepalingen

§

1

Inleidende bepalingen

Artikel

105

Artikel

106

Bij of krachtens de wet kan zo nodig onderscheid worden gemaakt tussen provincies.

Artikel

107

Artikel

108

Artikel

109

§

2

Verhouding tot het Rijk

Artikel

110

Onze Minister wie het aangaat doet gedeputeerde staten desgevraagd mededeling van zijn standpunten en voornemens met betrekking tot aangelegenheden die voor de provincie van belang zijn, tenzij het openbaar belang zich daartegen verzet.

Artikel

111

Onze Minister wie het aangaat biedt gedeputeerde staten desgevraagd de gelegenheid tot het plegen van overleg met betrekking tot aangelegenheden die voor de provincie van belang zijn, tenzij het openbaar belang zich daartegen verzet.

Artikel

112

Artikel

113

Artikel

114

Artikel

115

Artikel

116

Over al hetgeen de provincie betreft dienen gedeputeerde staten Onze Ministers desgevraagd van bericht en raad, tenzij dit uitdrukkelijk van de commissaris van de Koning wordt verlangd.

Artikel

117

Artikel

118

De bevoegdheid tot het maken van provinciale verordeningen blijft ten aanzien van het onderwerp waarin door wetten of algemene maatregelen van bestuur is voorzien, gehandhaafd, voor zover de verordeningen met die wetten en algemene maatregelen van bestuur niet in strijd zijn.

Artikel

119

De bepalingen van provinciale verordeningen in wier onderwerp door een wet of een algemene maatregel van bestuur wordt voorzien, zijn van rechtswege vervallen.

§

3

Bijzondere voorzieningen

Artikel

120

Artikel

121

Artikel

121a

Artikel

121b

Onze Minister wie het aangaat kan een besluit tot indeplaatsstelling intrekken, indien provinciale staten, gedeputeerde staten of de commissaris van de Koning voldoende aannemelijk maken dat zij zonder voorbehoud zullen voorzien in hetgeen het besluit van hen vordert.

Artikel

121d

Artikel

121e

Artikel

121f

Bij algemene maatregel van bestuur, op voordracht van Onze Minister, kunnen regels worden gesteld over de verstrekking van systematische informatie aan Onze Minister wie het aangaat, betreffende de uitvoering door het provinciebestuur van de andere wet, bedoeld in artikel 121, eerste lid. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de toepassing.

Artikel

121g

Vervallen

§

4

Bestuursdwang

Artikel

122

Artikel

123

Vervallen

Artikel

124

Vervallen

Artikel

125

Vervallen

Artikel

126

Vervallen

Artikel

127

Vervallen

Artikel

128

Vervallen

Artikel

129

Vervallen

Artikel

130

Vervallen

Artikel

131

Vervallen

Artikel

132

Vervallen

Artikel

133

Vervallen

Artikel

134

Vervallen

Artikel

135

Vervallen

§

5

Bekendmaking en inwerkingtreding van besluiten die algemeen verbindende voorschriften inhouden

Artikel

136

Vervallen

Artikel

137

Vervallen

Artikel

138

Vervallen

Artikel

139

Vervallen

Artikel

140

Vervallen

§

6

Termijnen

Artikel

141

Op termijnen gesteld in een provinciale verordening zijn de artikelen 1 tot en met 4 van de Algemene Termijnenwet van overeenkomstige toepassing, tenzij in de verordening anders is bepaald.

Artikel

142

Vervallen

Hoofdstuk

IX

De bevoegdheid van provinciale staten

Artikel

143

Artikel

143a

Artikel

143b

Artikel

144

Vervallen

Artikel

145

Provinciale staten maken de verordeningen die zij in het belang van de provincie nodig oordelen.

Artikel

146

Artikel

147

Artikel

148

Vervallen

Artikel

149

Vervallen

Artikel

150

Artikel

151

Artikel

151a

Artikel

151b

Artikel

151c