Artikel
I
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
artikel II van de Wet van 19 mei 1994 tot wijziging van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (onder andere ter zake van inhoudingen op het inkomen en gelijke franchise voor de pensioenberekening) (Stb. 418),
artikel 6 van de Wet van 11 september 1964, houdende vaststelling van een nieuwe regeling van de bezoldiging van de vice-president van de Raad van State en de staatsraden, alsmede van de president en de overige leden van de Algemene Rekenkamer (Stb. 1993, 218),
artikel C 1 van de Algemene burgerlijke pensioenwet;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
Voor zover artikel I, onder B en C, aanleiding geeft tot het wijzigen van de bedragen van toelagen toegekend met toepassing van artikel 19 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1948 die ingevolge het bepaalde in artikel 13 van de Overgangsregeling Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 nog worden gehandhaafd, geschiedt zulks door Onze Minister, hoofd van het desbetreffende departement van algemeen bestuur, met inachtneming van de daarvoor door Onze Minister van Binnenlandse Zaken te geven richtlijn.
Voor zover artikel I, onder B en C, aanleiding geeft tot het wijzigen van bijzondere regelingen getroffen met toepassing van artikel 26 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, geschiedt dit bij gemeenschappelijke regeling van Onze Minister, hoofd van het desbetreffende departement van algemeen bestuur en Onze Minister van Binnenlandse Zaken.
Behoudens voor wat betreft de pensioenen dragen de bij artikel I, onder B en C, aangebrachte wijzigingen in de bezoldiging van het burgerlijk rijkspersoneel een algemeen karakter.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
betrokkene: degene die op basis van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken of het Ambtenarenreglement Staten-Generaal in burgerlijke rijksdienst werkzaam is en tevens ambtenaar is in de zin van de Algemene burgerlijke pensioenwet, met uitzondering van degene voor wie een salaris geldt dat bij een volledige werktijd meer bedraagt dan f 5.777,34Bij Stcrt. 1996/248 is dit bedrag m.i.v. 1 januari 1997 vastgesteld op f 5.904,43. per maand;
berekeningsbasis: de inkomensbestanddelen van een betrokkene als zodanig voor zover deze niet behoren tot het ambtelijk inkomen in de zin van de Algemene burgerlijke pensioenwet maar wel worden gerekend tot het begrip loon in de zin van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, met uitzondering van:
voorschotbetalingen;
de uitbetaalde bedragen van de vakantie-uitkering;
de tegemoetkoming op grond van het Besluit tegemoetkoming ziektekosten rijkspersoneel;
de inkomenstoeslag op grond van het Besluit inkomenstoeslag rijkspersoneel;
de in artikel V van dit besluit bedoelde distorsietoeslag.
Aan de betrokkene wordt bij de uitbetaling van tot de berekeningsbasis behorende inkomensbestanddelen over die inkomensbestanddelen een distorsietoeslag toegekend welke over de jaren 1995, 1996 en 1997 onderscheidenlijk 5,7%, 4,4% en 2,2% bedraagt.
De in artikel V van dit besluit bedoelde distorsietoeslag is geen ambtelijk inkomen in de zin van artikel C 1 van de Algemene burgerlijke pensioenwet.
Bij wijziging van de maximum premieinkomensgrens van de werknemersverzekeringen past Onze Minister van Binnenlandse Zaken het bedrag f 5 743,77, genoemd in artikel IV, onder a, aan deze wijziging aan.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 1995.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.