Wet van 25 mei 1998, houdende regels ter bescherming van in het wild levende planten- en diersoorten (Flora- en faunawet)

Flora- en faunawet

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de verspreide wettelijke regels inzake de bescherming van in het wild levende planten- en diersoorten in één wet onder te brengen, dit vooral teneinde een betere afstemming tussen die regels te bewerkstelligen als ook in verband met de uitvoering van internationale verplichtingen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties inzake de bescherming van die soorten, zulks in het belang van de bescherming van die planten- en diersoorten en, voorzover het die diersoorten betreft, mede onder erkenning van de intrinsieke waarde van de daartoe behorende dieren;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk

I

Algemene bepalingen

Artikel

1

Artikel

1a

Artikel

2

Hoofdstuk

II

Aanwijzing van beschermde soorten

Artikel

3

Artikel

4

Artikel

5

Artikel

6

Aanwijzingen van soorten als bedoeld in de artikelen 3, 4 en 5, kunnen worden beperkt naar gelang van de ontwikkelingsstadia van dieren en planten behorende tot die soorten. De aanwijzingen kunnen voorts worden beperkt tot de onderscheiden producten van dieren en planten, behorende tot de soorten bedoeld in de artikelen 3, 4 en 5.

Artikel

7

Hoofdstuk

III

Algemene verbodsbepalingen

Paragraaf

1

Bepalingen betreffende planten op hun groeiplaats

Artikel

8

Het is verboden planten, behorende tot een beschermde inheemse plantensoort, te plukken, te verzamelen, af te snijden, uit te steken, te vernielen, te beschadigen, te ontwortelen of op enigerlei andere wijze van hun groeiplaats te verwijderen.

Paragraaf

2

Bepalingen betreffende dieren in hun natuurlijke leefomgeving

Artikel

9

Het is verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen.

Artikel

10

Het is verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, opzettelijk te verontrusten.

Artikel

11

Het is verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren.

Artikel

12

Het is verboden eieren van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te zoeken, te rapen, uit het nest te nemen, te beschadigen of te vernielen.

Artikel

12a

Paragraaf

3

Bepalingen betreffende het bezit, het vervoer en de handel

Artikel

13

Paragraaf

4

Overige verbodsbepalingen

Artikel

14

Artikel

15

Artikel

15a

Artikel

15b

Artikel

16

Artikel

17

Bij algemene maatregel van bestuur kan in het belang van de instandhouding van beschermde inheemse plantensoorten of beschermde inheemse diersoorten het verrichten van bij die maatregel aangewezen handelingen worden verboden of aan beperkingen worden gebonden, voorzover die handelingen een ernstige bedreiging kunnen vormen voor planten of dieren behorende tot die soorten, dan wel kunnen leiden tot aanmerkelijke verslechtering van omstandigheden die voor het voortbestaan van die soorten noodzakelijk zijn.

Artikel

18

Hoofdstuk

IV

Beschermde leefomgeving

Paragraaf

1

De aanwijzing als beschermde leefomgeving

Artikel

19

Artikel

20

Een besluit tot aanwijzing van een plaats als beschermde leefomgeving vermeldt handelingen die een aantasting van de betekenis van de aangewezen plaats als leefomgeving van de in dat besluit genoemde beschermde inheemse planten- of diersoort ten gevolge kunnen hebben.

Artikel

22

Gedeputeerde staten stellen de provinciale planologische commissie in de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van een besluit tot aanwijzing van een plaats als beschermde leefomgeving en de daarover ontvangen zienswijzen.

Artikel

23

Van een besluit als bedoeld in artikel 19, eerste lid, wordt in ieder geval mededeling gedaan aan de gebruiker van de percelen waarop de plaats waarop het besluit betrekking heeft, is gelegen en, indien deze niet tevens eigenaar is van deze percelen, ook aan deze laatste.

Artikel

24

Artikel

25

Paragraaf

2

Gevolgen van de aanwijzing als beschermde leefomgeving

Artikel

26

Artikel

27

Gedeputeerde staten doen de in artikel 26, vierde lid, onderdeel b, bedoelde mededeling indien het achterwege laten van die mededeling strijd oplevert met internationale verplichtingen waaraan de Nederlandse overheid is gebonden.

Paragraaf

3

Schadevergoeding

Artikel

28

Voorzover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van de aanwijzing van een plaats als beschermde leefomgeving, een mededeling, als bedoeld in artikel 26, vierde lid, onderdeel b, of voorschriften als bedoeld in artikel 26, tweede lid, schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, kennen gedeputeerde staten hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

Hoofdstuk

V

Bijzondere bepalingen

Titel

I

Faunabeheereenheden en faunabeheerplannen

Artikel

29

Artikel

30

Titel

II

Jacht

Afdeling

1

De soorten waarop de jacht kan worden geopend

Artikel

31

Artikel

32

Afdeling

2

De jachthouder

Artikel

33

Gerechtigd tot het genot van de jacht is:

  • a.

    de eigenaar van de grond indien niet ingevolge het in onderdeel b of c bepaalde de erfpachter, vruchtgebruiker, beklemde meier of pachter gerechtigd is tot het genot van de jacht en voorzover het genot van de jacht niet is verhuurd;

  • b.

    de erfpachter, vruchtgebruiker of beklemde meier van de grond indien de eigenaar van de grond zich bij het vestigen van het beperkt recht het genot van de jacht niet heeft voorbehouden of de pachter ingevolge het in onderdeel c bepaalde niet gerechtigd is tot het genot van de jacht en voorzover het genot van de jacht niet is verhuurd;

  • c.

    de pachter indien hij pacht van een verpachter die ten tijde van het aangaan van de pachtovereenkomst ingevolge het in onderdeel a of b bepaalde gerechtigd was tot het genot van de jacht en die verpachter zich dit genot bij het aangaan van de pachtovereenkomst niet heeft voorbehouden en voorzover het genot van de jacht niet is verhuurd;

  • d.

    de huurder van het genot van de jacht voorzover hij dat overeenkomstig artikel 34, eerste lid, heeft gehuurd en voorzover hij dat niet overeenkomstig het tweede lid van dat artikel heeft verhuurd;

  • e.

    de huurder van het genot van de jacht voorzover hij dat overeenkomstig artikel 34, tweede lid, heeft gehuurd.

Artikel

34

Artikel

35

Voorzover en voor zolang het genot van de jacht ten tijde van de eigendomsovergang van de grond, het vestigen dan wel tenietgaan van een beperkt recht of het aangaan dan wel beëindigen van een pachtovereenkomst op die grond, op de in artikel 34 bepaalde wijze is verhuurd, blijft deze huurovereenkomst in stand.

Artikel

36

Artikel

37

Afdeling

3

De akten voor het jagen

Artikel

38

Artikel

39

Artikel

40

Artikel

41

Artikel

42

Artikel

43

De bevoegdheid tot het nemen van beschikkingen omtrent het verlenen en intrekken van valkeniersakten en kooikersakten berust bij Onze Minister.

Artikel

44

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld betreffende de akten, bedoeld in artikel 38. Tot deze regels behoren in ieder geval regels betreffende het betalen van een voor een akte verschuldigde geldsom waarvan de hoogte bij of krachtens die maatregel wordt vastgesteld, en betreffende de geldigheid en de inlevering van de akten.

Artikel

45

Afdeling

4

De uitoefening van de jacht

Artikel

46

Artikel

47

De jager dient het wild tegen onnodig lijden als gevolg van de uitoefening van de jacht te beschermen.

Artikel

48

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent hetgeen een goed jager betaamt bij de uitoefening van de jacht.

Artikel

49

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de eisen waaraan jachtvelden waarop het genot van de jacht mag worden uitgeoefend, moeten voldoen.

Artikel

50

Artikel

51

Het is de houder van een jachtakte verboden een geweer te dragen op gronden waarop hij niet tot het gebruik van een geweer gerechtigd is.

Artikel

52

Onverminderd het bepaalde bij of krachtens de artikelen 65 tot en met 70 en 72, is het de houder van een jachtakte of valkeniersakte slechts toegestaan gebruik te maken van geweren of jachtvogels voor het uitoefenen van de jacht of het schieten van kleiduiven.

Artikel

53

Afdeling

5

De verzekeringsplicht

Artikel

54

Artikel

55

Afdeling

6

Eendenkooien

Artikel

56

Artikel

57

Bij de registratie worden tevens geregistreerd de naam en het adres van de houder of houders van een kooikersakte, die volgens opgave van de eigenaar als kooikers zullen optreden.

Artikel

58

Gedurende het tijdvak waarin de jacht op eenden ingevolge het bepaalde krachtens artikel 46 is gesloten, is het verboden een geregistreerde eendenkooi vangklaar te houden.

Artikel

59

Titel

III

Vrijstellingen, ontheffingen en vergunningen

Afdeling

1

Bijzondere vrijstellingen, ontheffingen en vergunningen

Paragraaf

1

Kievitseieren

Artikel

60

Artikel

61

Paragraaf

2

Het prepareren

Artikel

62

Artikel

63

Artikel

64

Paragraaf

3

Beheer en bestrijding van schade

Artikel

65

Artikel

66

Het bepaalde in artikel 65 is van overeenkomstige toepassing voor de gebruiker van opstallen, niet zijnde grondgebruiker, voorzover het de door hem gebruikte opstallen en de daarbij behorende erven betreft.

Artikel

67

Artikel

68

Artikel

69

Artikel

70

In afwijking van de artikelen 29, 30, 46, vijfde lid, 67, 68 en 74a, tweede lid, neemt Onze Minister besluiten als bedoeld in die artikelen voorzover het terreinen betreft waar het genot van de jacht berust bij de Kroondrager.

Artikel

71

Gedeputeerde staten verschaffen Onze Minister desgevraagd alle inlichtingen met betrekking tot het nemen van besluiten als bedoeld in de artikelen 65, 67 en 68.

Artikel

72

Artikel

73

Bij de bestrijding van schade en overlast bij of krachtens de artikelen 65 tot en met 70 dan wel krachtens een ontheffing als bedoeld in artikel 75, dient onnodig lijden van dieren te worden voorkomen.

Artikel

74

Artikel

74a

Afdeling

2

Overige vrijstellingen en ontheffingen

Artikel

75

Artikel

75a

Afdeling

2a

Omgevingsvergunning

Artikel

75b

Artikel

75d

Artikel

75e

Het is verboden te handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning dat betrekking heeft op handelingen als bedoeld in artikel 75b, eerste lid.

Afdeling

3

Verdere bepalingen inzake vrijstellingen, ontheffingen en vergunningen

Artikel

76

Artikel

77

Bij algemene maatregel van bestuur kan het aantal ontheffingen voor het onder zich hebben van jachtvogels alsmede het aantal vogels per ontheffing, aan een maximum worden gebonden.

Artikel

78

Onze Minister kan een vergoeding van kosten vragen overeenkomstig een door hem vast te stellen tarief voor de afgifte van:

Artikel

79

Artikel

80

Een vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken indien:

  • a.

    de houder van een vergunning of ontheffing, nadat deze is verleend onherroepelijk is veroordeeld wegens een bij deze wet strafbaar gesteld feit of indien tegen hem deswege een strafbeschikking is uitgevaardigd;

  • b.

    de houder van een vergunning of ontheffing, nadat deze is verleend, onherroepelijk is veroordeeld wegens een feit strafbaar gesteld bij de Wet dieren voorzover het gedragingen als bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2, 2.3, 2.5, 2.6, 2.7, 2.8, 2.9, 2.10, 2.13, 2.14 of 2.15 van die wet betreft, dan wel deswege hem een strafbeschikking is uitgevaardigd, of indien hij vervolging deswege heeft voorkomen overeenkomstig de bepalingen van artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht of hem wegens overtreding van het krachtens de voornoemde artikelen van de Wet dieren bepaalde een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 8.7 van de Wet dieren is opgelegd;

  • c.

    de houder van een vergunning of ontheffing handelt in strijd met de hem verleende vergunning of ontheffing of met daaraan verbonden voorschriften;

  • d.

    de gegevens op grond waarvan de vergunning of ontheffing is verleend zodanig onjuist blijken te zijn dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou zijn genomen of

  • e.

    de omstandigheden sedert het tijdstip waarop de vergunning of ontheffing is verleend zodanig zijn gewijzigd, dat deze niet zouden zijn verleend indien deze omstandigheden op het tijdstip waarop zij zijn verleend zouden hebben bestaan.

Artikel

81

Artikel

82

Hoofdstuk

VI

Het faunafonds

Artikel

83

Artikel

84

Artikel

85

Artikel

86

Artikel

87

Artikel

88

Artikel

89

Aan de voorafgaande goedkeuring van Onze Minister zijn onderworpen besluiten van het Faunafonds tot:

  • a.

    het doen van investeringen;

  • b.

    het verwerven van onroerende zaken;

  • c.

    het sluiten van huur- en lease-overeenkomsten;

  • d.

    het oprichten of mede-oprichten dan wel ontbinden van privaatrechtelijke rechtspersonen of het deelnemen in een vennootschap.

Artikel

90

Artikel

91

Artikel

92

Onze Minister kan, in overeenstemming met gedeputeerde staten van de provincies, regels stellen over de inrichting van de begroting, het financieel verslag en aandachtspunten voor de accountantscontrole.

Artikel

93

Artikel

94

Artikel

95

De ingevolge artikel 94 ontvangen bijdragen worden met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels verantwoord aan en ter beschikking gesteld van het Faunafonds.

Artikel

96

Artikel

97

Het Faunafonds verstrekt desgevraagd aan Onze Minister of aan gedeputeerde staten de voor de uitoefening van hun taak benodigde inlichtingen. Onze Minister en gedeputeerde staten kunnen inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voorzover dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijs nodig is.

Artikel

98

Indien het Faunafonds zijn taken, voortvloeiend uit artikel 83, naar het oordeel van Onze Minister of gedeputeerde staten van de provincies verwaarloost, kan Onze Minister, na overleg met gedeputeerde staten van de provincies, de noodzakelijke voorzieningen treffen.

Artikel

99

Voorzover in dit hoofdstuk is voorzien in besluiten van Onze Minister en gedeputeerde staten van de provincies, neemt Onze Minister die besluiten indien niet binnen drie maanden overeenstemming is bereikt over gelijkluidende besluiten.

Artikel

100

Hoofdstuk

VII

Overige bepalingen

Artikel

101

Vervallen

Artikel

102

Hoofdstuk

VIII

Toezicht, straf- en dwangbepalingen

Paragraaf

1

Toezicht

Artikel

104

Artikel

105

Vervallen

Artikel

106

Vervallen

Artikel

107

Vervallen

Artikel

108

Vervallen

Artikel

109

Vervallen

Artikel

110

Vervallen

Artikel

111

Vervallen

Paragraaf

2

Straf- en dwangbepalingen

Artikel

112

Artikel

112a

De Nederlandse strafwet is van toepassing op een ieder die zich in de exclusieve economische zone schuldig maakt aan overtreding van:

Artikel

113

Hetgeen krachtens het voorgaande artikel verschuldigd is, kan worden ingevorderd bij dwangbevel.

Artikel

113a

Hoofdstuk

IX

Overgangs- en slotbepalingen

Paragraaf

1

Overgangsbepalingen

Artikel

114

Artikel

115

Artikel

116

Ten aanzien van degene aan wie voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 62, op grond van artikel 15 van de Vogelwet 1936 vergunning is verleend, ten behoeve van het prepareren van beschermde vogels, is het bepaalde in artikel 62, tweede lid, niet van toepassing.

Artikel

117

Wijzigt deze wet.

Artikel

118

Wijzigt deze wet.

Artikel

119

Wijzigt deze wet.

Paragraaf

2

Slotbepalingen

Artikel

120

Wijzigt de Wet op de economische delicten.

Artikel

121

Wijzigt de Wet wapens en munitie.

Artikel

122

Wijzigt de Wet milieubeheer.

Artikel

123

Artikel

124

Wijzigt deze wet.

Artikel

125

Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet, en vervolgens telkens na vier jaar, aan de beide kamers der Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

Artikel

126

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.

Artikel

127

Deze wet kan worden aangehaald als: Flora- en faunawet.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage
Beatrix
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, J. J. van Aartsen
De Minister van Justitie, W. Sorgdrager