Besluit van 7 mei 1999, houdende regels met betrekking tot de vergoedingen van de leden van de commissie bedoeld in artikel 14 van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen (Vergoedingenbesluit centrale commissie medisch-wetenschappelijk onderzoek)

Vergoedingenbesluit centrale commissie medisch-wetenschappelijk onderzoek

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 17 maart 1999, DWJZ-U-99273;
De Raad van State gehoord (advies van 1 april 1999, no. W13.99.0137/III);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 27 april 1999, DWJZ-U-99479;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel

4

De plaatsvervangende leden van de centrale commissie ontvangen een vergoeding per vergadering die gelijk is aan de vergoeding per vergadering die andere leden dan de voorzitter van een adviescollege ten hoogste ontvangen volgens artikel 3 van het Vergoedingenbesluit adviescolleges.

Artikel

6

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 april 1999.

Artikel

7

Dit besluit wordt aangehaald als: Vergoedingenbesluit centrale commissie medisch-wetenschappelijk onderzoek.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage
Beatrix
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, E. Borst-Eilers
De Minister van Justitie, A. H. Korthals