Rijksbesluit van 25 november 1999, houdende regels met betrekking tot de uitvoeringsbepalingen ingevolge het Wetboek van Militair Strafrecht, de Wet militair tuchtrecht en de Wet militaire strafrechtspraak (Rijksbesluit uitvoeringsbepalingen militair straf- en tuchtrecht)

Rijksbesluit uitvoeringsbepalingen militair straf- en tuchtrecht

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie van 14 juli 1999, nr. CST99/0117/016 99002114, directie juridische zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Justitie;
De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 18 oktober 1999);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Defensie van 24 november 1999, nr. CST 99/0117/016 99.003153 uitgebracht mede namens Onze Minister van Justitie;
De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk

I

Nadere bepalingen met betrekking tot het Wetboek van militair strafrecht

§

1

Tenuitvoerlegging buiten Nederland

Artikel

1

Artikel

2

§

2

Tijdstip van ingang bijkomende straf

Artikel

3

§

3

Verpleging in de Nederlandse Antillen of Aruba

Artikel

4

§

4

Transactie

Artikel

5

Artikel

6

Indien het strafbare feit is begaan in deelneming met een of meer personen op wie uitsluitend het Nederlands burgerlijk strafrecht van toepassing is, oefent de bevelvoerende militair de hem verleende transactiebevoegdheid niet uit dan met door tussenkomst van de bevelhebber van het betrokken krijgsmachtdeel verkregen toestemming van de officier van justitie.

Artikel

7

§

5

Bekendmaking «tijd van oorlog»

Artikel

8

§

6

Dienstvoorschriften

Artikel

9

Hoofdstuk

II

Nadere bepalingen met betrekking tot de Wet militair tuchtrecht

§

1

Tuchtrechtelijke geldboete

Artikel

10

§

2

Vergoeding voor advocaat, getuige en deskundige

Artikel

11

§

3

Herstel geleden nadeel

Artikel

12

Herstel van het geleden nadeel ingeval een beklag of beroep over de wijze van tenuitvoerlegging van een straf van strafdienst of van uitgaansverbod geheel of gedeeltelijk gegrond is verklaard, geschiedt als volgt:

  • a.

    indien het betreft een beklag of beroep over de wijze van tenuitvoerlegging van een straf van strafdienst wordt voor iedere dag waarop de wijze van tenuitvoerlegging niet passend wordt geacht, een vergoeding in vrije tijd voor de duur van een uur toegekend;

  • b.

    indien het betreft een beklag of beroep over de wijze van tenuitvoerlegging van een straf van uitgaansverbod:

    • 1E.

      en de straf is ondergaan op een vrije dag: voor iedere dag waarop de wijze van tenuitvoerlegging niet passend wordt geacht, wordt een vergoeding in vrije tijd voor de duur van twee uren toegekend;

    • 2E.

      en de straf is ondergaan op een werkdag: voor iedere dag waarop de wijze van tenuitvoerlegging niet passend wordt geacht, wordt een vergoeding in vrije tijd voor de duur van een uur toegekend.

Artikel

13

Artikel

14

§

4

Bewaring van en klachten ten aanzien van ingenomen voorwerpen en geschriften

Artikel

15

Artikel

16

§

5

Uitvoering tuchtstraffen opgelegd aan krijgsgevangenen

Artikel

17

De duur van de straf van arrest, genoemd in artikel 89, eerste lid, onder 4, van het Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen, is ten hoogste dertig dagen.

Artikel

18

Bij de oplegging van de straf van arrest kan door de kampcommandant voor gestraften die op grond van hun persoonlijkheid niet geschikt zijn om in gemeenschap te worden geplaatst of op gronden ontleend aan de veiligheid, worden bepaald welk deel van dat arrest in afzondering wordt ondergaan.

Artikel

19

Artikel

20

Het is de met arrest gestrafte krijgsgevangene verboden de plaats waar hij zijn straf moet ondergaan gedurende zijn straftijd zonder noodzaak te verlaten of zonder daartoe verkregen toestemming aldaar bezoek te ontvangen. De kampcommandant kan de gestrafte toestemming verlenen tot het bijwonen van godsdienstoefeningen.

Artikel

21

Hoofdstuk

III

Nadere bepalingen met betrekking tot de Wet militaire strafrechtspraak

§

1

Reis- en verblijfskosten, eedsaflegging en tenue van de militaire leden

Artikel

22

§

2

Bevelsgebied commandant der zeemacht in het Caraïbisch gebied

Artikel

23

Het bevelsgebied, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet militaire strafrechtspraak, van de commandant der zeemacht in het Caraïbisch gebied beslaat het grond- en watergebied van de Nederlandse Antillen en Aruba en het zeegebied van de Atlantische Oceaan, de Caraïbische Zee en de Golf van Mexico begrensd:

  • ten noorden door: de parallel van 35 graden noorderbreedte;

  • ten oosten door: de meridiaan van 51 graden westerlengte vanaf de parallel van 35 graden noorderbreedte tot de evenaar;

  • ten zuiden door: de evenaar;

  • ten westen door: de meridiaan van 100 graden westerlengte vanaf de parallel van 35 graden noorderbreedte tot de evenaar.

§

3

Reis- en verblijfskostenvergoeding voor de officier-raadsman en voor de verdachte

§

4

Bevoegdheden van de opsporingsambtenaren buiten het Koninkrijk

Artikel

25

Artikel

26

Hoofdstuk

IV

Slotbepalingen

Artikel

27

Het Besluit uitvoeringsbepalingen militair straf- en tuchtrecht wordt ingetrokken.

Artikel

29

Dit besluit wordt aangehaald als: Rijksbesluit uitvoeringsbepalingen militair straf- en tuchtrecht.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad, in het Publicatieblad van de Nederlandse Antillen en in het Afkondigingsblad van Aruba zal worden geplaatst.

's-Gravenhage
Beatrix
De Minister van Justitie, A. H. Korthals
De Staatssecretaris van Defensie, H. A. L. van Hoof
De Minister van Justitie, A. H. Korthals