Artikel
1
In dit besluit wordt verstaan onder de buitengewoon opsporingsambtenaar: de buitengewoon opsporingsambtenaar bedoeld in artikel 2.
Besluit:
In dit besluit wordt verstaan onder de buitengewoon opsporingsambtenaar: de buitengewoon opsporingsambtenaar bedoeld in artikel 2.
De personen werkzaam bij de reinigingspolitie van de afdeling Reiniging van de Dienst Binnenstad van de gemeente Amsterdam, die de functie vervullen van reinigingsagent, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar.
De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot de opsporing van feiten strafbaar gesteld bij of krachtens:
de Wet milieubeheer; de Wet verontreiniging oppervlaktewateren; de Wet bodembescherming;
de Algemene Plaatselijke Verordening van de in het tweede lid genoemde gemeente en/of andere (provinciale) verordeningen, voor zover betrokkene voor voornoemde verordeningen door het bevoegd bestuursorgaan daartoe is aangewezen;
de artikelen 179, 180, 181, 182, 184, 185, 285, 424, 425, en 435, onder 4 van het Wetboek van Strafrecht;
andere strafbare feiten, indien en voor zover de buitengewoon opsporingsambtenaar daarmee in een concreet opsporingsonderzoek is belast, voor de duur van dat onderzoek;
de Wet op de economische delicten, voor zover het feiten betreft waarvoor in dit besluit en binnen de op grond van dit besluit uit te vaardigen “akten” opsporingsbevoegdheid is verleend.
De buitengewoon opsporingsambtenaar, bedoeld in artikel 1, is tevens bevoegd tot het opsporen van de feiten strafbaar gesteld bij of krachtens andere wetten, indien en voor zover hij daarmee in een concreet opsporingsonderzoek door een officier van justitie wordt belast, voor de duur van dat onderzoek.
De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd bij de opsporing van de in artikel 3, eerste lid, genoemde strafbare feiten gebruik te maken van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Politiewet 1993. Hij gedraagt zich overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 7 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar.
De directeur van de Dienst Binnenstad van de gemeente Amsterdam brengt jaarlijks, voor 1 april, over het jaar daaraan voorafgaand aan de Minister van Justitie verslag uit over:
het aantal buitengewoon opsporingsambtenaren dat op 31 december werkzaam was binnen de dienst;
de door die buitengewoon opsporingsambtenaren verrichte activiteiten;
de stand van zaken met betrekking tot de opleiding van die buitengewoon opsporingsambtenaren, waarbij in ieder geval wordt aangegeven hoeveel personen in het verslagjaar zijn aangemeld voor het door de Minister van Justitie goedgekeurde examen en hoeveel personen in dat jaar voor dat examen zijn geslaagd.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 oktober 2001 en vervalt op 1 oktober 2006.
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Reinigingsagenten Dienst Binnenstad Amsterdam 2001.
Dit besluit zal in de Staatscourant en het Algemeen Politieblad worden geplaatst.