Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet
De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
Gelet op de op 3 maart 1973 te Washington tot stand gekomen Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantesoorten (Trb. 1975, 23);
Gelet op verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van de Europese Unie van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEG 1997, L 61), verordening (EG) nr. 1808/2001 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 30 augustus 2001, houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEG L 250);
Gelet op Verordening (EEG) nr. 3254/91 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 4 november 1991 houdende een verbod op het gebruik van de wildklem in de Gemeenschap en op het binnenbrengen in de Gemeenschap van pelzen en produkten die vervaardigd zijn van bepaalde in het wild levende diersoorten uit landen waar gebruik wordt gemaakt van de wildklem of andere vangmethoden die niet stroken met de internationale normen voor humane vangst met behulp van vallen (PbEG L 308) en Verordening (EG) nr. 35/97 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 10 januari 1997 tot vaststelling van bepalingen betreffende de certificatie van pelzen en goederen die vallen onder Verordening (EEG) nr. 3254/91 van de Raad (PbEG L 8);
Gelet op Richtlijn nr. 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206);
de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
c.
overeenkomst:
Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (Trb. 1975, 23);
d.
basisverordening:
verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van de Europese Unie van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEG 1997, L 61);
e.
uitvoeringsverordening:
verordening (EG) nr. 1808/2001 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 30 augustus 2001, houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEG L 250);
f.
verordening (EG) 1007/2009:
verordening (EG) nr. 1007/2009 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 september 2009 betreffende de handel in zeehondenproducten (PbEU L 286);
g.
lid-staat:
land behorende tot de Europese Unie;
h.
derde land:
land niet behorende tot de Europese Unie;
i.
naadloos gesloten pootring:
pootring die voldoet aan de criteria van artikel 36, vijfde lid, van de uitvoeringsverordening;
j.
in gevangenschap geboren en gefokte specimens van een diersoort:
specimens van een diersoort die voldoen aan de criteria van artikel 24 van de uitvoeringsverordening;
k.
kunstmatig gekweekte specimens van een plantensoort:
specimens van een plantensoort die voldoen aan de criteria van artikel 26 van de uitvoeringsverordening.
2
De begripsbepalingen van artikel 2 van de basisverordening en artikel 1 van de uitvoeringsverordening zijn van toepassing.
3
Voor de toepassing van deze regeling wordt in de bepalingen van de basisverordening en de uitvoeringsverordening waarnaar in deze regeling wordt verwezen verstaan onder:
a.
certificaat van oorsprong: certificaat waaruit de oorsprong van specimens van soorten opgenomen in bijlage III bij de Overeenkomst blijkt, voor de uitvoer hiervan afgegeven door de nationale administratieve instantie die bevoegd is CITES-vergunningen en -certificaten af te geven;
b.
douanekantoor aan de grens: douanekantoor dat, indien in Nederland gelegen, is aangewezen in de Regeling aanwijzing douanekantoren beschermde dier- en plantensoorten of, indien in een andere lid-staat gelegen, door die andere lid-staat is aangewezen overeenkomstig artikel 12 van de basisverordening.
Van het verbod, bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, wordt ten behoeve van de bestrijding van ziekten, plagen of onkruiden vrijstelling verleend voor het houden van dieren, behorende tot de soorten genoemd in bijlage 6 bij deze regeling, met het oog op de productie van van die dieren afkomstige producten.
Artikel
2
1
De vrijstellingen, bedoeld in deze regeling, gelden slechts voorzover:
a.
met betrekking tot de aanvraag, afgifte, vorm, inhoud, overlegging en geldigheid en het gebruik van invoervergunningen, uitvoervergunningen, kennisgevingen van invoer en certificaten, dan wel afschriften daarvan, alsmede van merken en etiketten is voldaan aan hetgeen daarover in de basis- en uitvoeringsverordening is bepaald, en
b.
het bewijs daarvan door de houder van de betrokken specimens desgevraagd aan de ambtenaren belast met de handhaving van de wet wordt overgelegd.
2
De vrijstellingen genoemd in deze regeling gelden met inachtneming van artikel 43 van de uitvoeringsverordening.
3
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op de vrijstellingen, bedoeld in de artikelen 1c en 7, onderdeel b.
§
3
Invoer vanuit een derde land van specimens bestemd voor een lid-staat
Artikel
3
1
Indien is voldaan aan artikel 4, eerste onderscheidenlijk tweede, derde of vierde lid, van de basisverordening, geldt een vrijstelling van het verbod op het binnen het grondgebied van Nederland brengen, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet voor specimens van soorten, genoemd in bijlage A, B, C of D bij de basisverordening, die vanuit een derde land op het grondgebied van de Europese Gemeenschap worden gebracht en bestemd zijn voor Nederland.
2
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, geldt vanaf de plaats van binnenkomst in Nederland tot de plaats van bestemming een vrijstelling van het verbod op het vervoer, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet voor specimens van soorten, genoemd in bijlage A bij de basisverordening, specimens van soorten, behorende tot beschermde inheemse dier- of plantensoorten, genoemd in bijlage B, C of D bij de basisverordening, alsmede specimens van soorten als aangewezen in artikel 2 of artikel 4, eerste lid, onderdeel c, van de Regeling aanwijzing beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet, voorzover deze soorten voorkomen op één van de bijlagen bij de basisverordening.
Artikel
4
1
Indien is voldaan aan artikel 4, eerste onderscheidenlijk tweede, derde of vierde lid, van de basisverordening, geldt een vrijstelling van het verbod op het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet voor specimens van soorten, genoemd in bijlage A, B, C of D bij de basisverordening, die vanuit een derde land op het grondgebied van de Europese Gemeenschap worden gebracht en bestemd zijn voor een andere lid-staat dan Nederland.
2
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, geldt vanaf de plaats van binnenkomst in Nederland tot aan de grens een vrijstelling van het verbod op het vervoer, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet voor specimens van soorten, genoemd in bijlage A bij de basisverordening, specimens van soorten, behorende tot beschermde inheemse dier- of plantensoorten, genoemd in bijlage B, C of D bij de basisverordening, alsmede specimens van soorten als aangewezen in artikel 2 of artikel 4, eerste lid, onderdeel c, van de Regeling aanwijzing beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet, voorzover deze soorten voorkomen op één van de bijlagen bij de basisverordening.
Artikel
5
De vrijstellingen genoemd in deze paragraaf gelden met inachtneming van artikel 23 van de uitvoeringsverordening.
§
4
Doorvoer vanuit een derde land van specimens bestemd voor een derde land
Artikel
6
1
Van de verboden op het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen, alsmede het vervoer, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet wordt ten behoeve van doorvoer vrijstelling verleend voor specimens van soorten, genoemd in bijlage A, B, C of D bij de basisverordening, die zijn verzonden vanuit een derde land en via Nederland bestemd zijn voor een derde land.
De vrijstellingen als bedoeld in het eerste lid gelden met inachtneming van artikel 7, tweede lid, van de basisverordening.
§
5
Intracommunautair verkeer
Artikel
7
Ten behoeve van het intracommunautaire verkeer geldt een vrijstelling van artikel 13, eerste lid, van de wet, voor het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van:
a.
specimens van soorten, genoemd in bijlage A, B, C of D bij de basisverordening, voorzover betreffende specimens aantoonbaar overeenkomstig de in een lid-staat geldende wetgeving en met inachtneming van de basisverordening en uitvoeringsverordening zijn verkregen;
b.
geprepareerde producten van dieren, waarop het verbod als bedoeld in artikel 62, eerste lid, van de wet van toepassing is, niet behorende tot soorten als bedoeld in onderdeel a, voorzover betreffende producten aantoonbaar overeenkomstig de in een lid-staat geldende wetgeving zijn verkregen.
§
6
Uitvoer of wederuitvoer vanuit een lid-staat van specimens bestemd voor een derde land
Artikel
8
1
Indien is voldaan aan artikel 5, eerste onderscheidenlijk vierde lid, van de basisverordening, geldt een vrijstelling van het verbod op het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet voor specimens van soorten, genoemd in bijlage A, B of C bij de basisverordening, die vanuit Nederland of vanuit een andere lid-staat via Nederland buiten het grondgebied van de Europese Gemeenschap worden gebracht.
2
Indien een fytosanitair certificaat, dat voldoet aan artikel 8, zesde en zevende lid, van de uitvoeringsverordening, is afgegeven door de Plantenziektenkundige Dienst of door een bevoegde administratieve instantie van een andere lid-staat, geldt een vrijstelling van het verbod op het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet voor kunstmatig gekweekte hybriden van niet van een annotatie voorziene soorten genoemd in bijlage A bij de basisverordening en kunstmatig gekweekte planten van soorten, genoemd in bijlage B of C bij de basisverordening, die vanuit Nederland of vanuit een andere lid-staat via Nederland buiten het grondgebied van de Europese Gemeenschap worden gebracht.
3
Onverminderd het bepaalde in het eerste en tweede lid, geldt ten behoeve van uitvoer een vrijstelling voor het vervoer, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet, voor specimens van soorten, genoemd in bijlage A bij de basisverordening, specimens van soorten, behorende tot beschermde inheemse dier- of plantensoorten, genoemd in bijlage B of C bij de basisverordening, alsmede specimens van soorten als aangewezen in artikel 2 of artikel 4, eerste lid, onderdeel c, van de Regeling aanwijzing beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet, voorzover deze soorten voorkomen op één van de bijlagen bij de basisverordening.
4
Van het verbod op het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen en het vervoer, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet wordt vrijstelling verleend voor specimens van soorten, genoemd in bijlage D bij de basisverordening, die vanuit Nederland of vanuit een andere lid-staat via Nederland buiten het grondgebied van de Europese Gemeenschap worden gebracht.
§
6
Persoonlijke bezittingen of huisraad
Artikel
9
Indien voldaan is aan artikel 7, derde lid, van de basisverordening en artikel 27 onderscheidenlijk artikel 28 van de uitvoeringsverordening, geldt een vrijstelling van het verbod op het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen alsmede het vervoer, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet voor dode specimens, delen daarvan of daaruit verkregen producten van soorten, genoemd in bijlage A, B, C of D bij de basisverordening, die vallen onder persoonlijke bezittingen of huisraad die vanuit een derde land op het grondgebied van de Gemeenschap worden gebracht en bestemd zijn voor een lid-staat of die vanuit een lid-staat worden uitgevoerd naar een derde land.
§
7
Handel in specimens binnen de Europese Gemeenschap
Artikel
10
(handel)
1
Met uitzondering van het verbod op het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of het onder zich hebben, geldt een vrijstelling van de verboden, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet voor:
a.
specimens van soorten, genoemd in bijlage A bij de basisverordening, indien een certificaat is afgegeven op grond van artikel 8, derde lid, van de basisverordening;
b.
in gevangenschap geboren en gefokte specimens van de in bijlage VIII bij de uitvoeringsverordening genoemde diersoorten en de hybriden daarvan, indien voldaan is aan artikel 32, onderdeel a, bij de uitvoeringsverordening;
c.
kunstmatig gekweekte specimens van plantensoorten, genoemd in bijlage A bij de basisverordening;
d.
meer dan 50 jaar geleden verkregen bewerkte specimens, genoemd in bijlage A bij de basisverordening, als omschreven in artikel 2, onder w, van de basisverordening.
2
Onverminderd artikel 13, vierde lid, van de wet, geldt met uitzondering van het verbod op het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben, een vrijstelling van de verboden, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet voor specimens van soorten, genoemd in bijlage B, C of D bij de basisverordening, indien kan worden aangetoond dat betreffende specimens overeenkomstig het bij of krachtens de wet bepaalde en met inachtneming van de basisverordening en uitvoeringsverordening in Nederland zijn gebracht of verkregen.
De vrijstellingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn niet van toepassing op aan de natuur onttrokken specimens van soorten die voorkomen op bijlage IV bij richtlijn 92/43 EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206).
§
8
Vrijstelling bezitsverbod uitheemse diersoorten
Artikel
11
1
Van het verbod op het onder zich hebben, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet geldt een vrijstelling voor dode specimens van in gevangenschap geboren en gefokte of uit het wild afkomstige dieren, behorende tot beschermde uitheemse diersoorten, genoemd in bijlage A bij de basisverordening, indien:
a.
het meer dan 50 jaar geleden verkregen bewerkte specimens betreft als omschreven in artikel 2, onder w, van de basisverordening;
b.
het persoonlijke bezittingen of huisraad betreft als omschreven in artikel 2, onderdeel j, van de basisverordening of
c.
kan worden aangetoond dat betreffende specimens overeenkomstig het bij of krachtens de wet bepaalde en met inachtneming van de basisverordening en uitvoeringsverordening in Nederland zijn gebracht of verkregen.
2
Onverminderd artikel 13, vierde lid, van de wet, geldt een vrijstelling van het verbod op het onder zich hebben, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet voor levende en dode specimens van in gevangenschap geboren en gefokte dieren, behorende tot beschermde uitheemse diersoorten, genoemd in bijlage B, C of D bij de basisverordening, indien kan worden aangetoond dat de dieren in Nederland zijn gefokt, of indien het eieren, nesten of producten van die soorten betreft, betrokken producten van gefokte dieren afkomstig zijn.
3
De vrijstellingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn niet van toepassing op:
a.
aan de natuur onttrokken dode specimens van soorten die voorkomen op bijlage IV, letter a), bij richtlijn 92/43 EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206);
b.
te prepareren producten van dieren, behorende tot de soorten roofvogels (orde Falconiformes) of uilen (orde Strigiformes), behorende tot beschermde uitheemse soorten, genoemd in bijlage A of B bij de basisverordening;
c.
dode specimens van soorten, genoemd in bijlage A bij de basisverordening, voorzover het betreft botten en daarvan of daarmede vervaardigde producten van de tijger (Panthera tigris) en hoorns en daarvan of daarmede vervaardigde producten anders dan jachttrofeeën van Ceratotherium simum simum afkomstig van de populatie van Zuid-Afrika, van de soorten van de familie neushoorns (Rhinocerotidea);
d.
levende specimens van soorten, behorende tot de orde van de primaten (Primates), de familie van de katachtigen (Felidae) genoemd in Bijlage 3 van de Regeling aanwijzing beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet of de fretkat (Cryptoprocta ferox), genoemd in bijlage B bij de basisverordening, behorende tot beschermde uitheemse diersoorten, genoemd in bijlage B bij de basisverordening;
e.
voorzover het het bezit in het veld betreft, levende specimens van de soorten roofvogels (orde Falconiformes) of uilen (orde Strigiformes), behorende tot beschermde uitheemse diersoorten, genoemd in bijlage B bij de basisverordening.
§
9
Vrijstelling bezitsverbod gefokte vogels
Artikel
12
1
Van het verbod op het onder zich hebben, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet geldt een vrijstelling voor levende en dode specimens van in gevangenschap geboren en gefokte vogels, behorende tot beschermde inheemse diersoorten, genoemd in bijlage A, B, C of D bij de basisverordening, en levende specimens van in gevangenschap geboren en gefokte vogels, behorende tot beschermde uitheemse diersoorten, genoemd in bijlage A bij de basisverordening, indien kan worden aangetoond dat de vogels gefokt zijn, of, indien het eieren, nesten of producten van die vogels betreft, betrokken producten van gefokte vogels afkomstig zijn en voorzover:
a.
deze vogels zijn voorzien van een naadloos gesloten pootring, met uitzondering van de vogelsoorten, bedoeld in bijlage VIII bij de uitvoeringsverordening, voorzover deze soorten niet van een annotatie zijn voorzien;
De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt eveneens voor levende en dode specimens van in gevangenschap geboren en gefokte vogels, behorende tot beschermde inheemse of uitheemse diersoorten, genoemd in bijlage A bij de basisverordening, indien deze vogels in overeenstemming met artikel 36 van de uitvoeringsverordening zijn voorzien van een microchiptransponder.
3
Indien een naadloos gesloten pootring of microchiptransponder als bedoeld in het eerste of tweede lid, wegens lichamelijke kenmerken van de betrokken specimens aantoonbaar niet veilig kan worden aangebracht, geldt de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, eveneens, indien een daartoe strekkende door de Minister of een door een overheidsorgaan van een andere lid-staat afgegeven verklaring kan worden overgelegd.
4
Het eerste lid is niet van toepassing op:
a.
te prepareren producten van dieren, behorende tot de orde roofvogels (Falconidae) of uilen (Strigiformes), behorende tot beschermde inheemse of uitheemse diersoorten, genoemd in bijlage A of B bij de basisverordening;
b.
levende specimens van de soort havik (Accipiter gentilis), behorende tot beschermde inheemse diersoorten, genoemd in bijlage A bij de basisverordening;
c.
onverminderd onderdeel b, voorzover het het bezit in het veld betreft, levende specimens van de soorten roofvogels (orde Falconiformes) of uilen (orde Strigiformes), behorende tot beschermde inheemse of uitheemse diersoorten, genoemd in bijlage A of B bij de basisverordening.
Artikel
13
1
In Nederland in gevangenschap geboren en gefokte vogels als bedoeld in artikel 12, eerste lid, met uitzondering van de vogelsoorten, bedoeld in bijlage VIII bij de uitvoeringsverordening, voorzover deze soorten niet van een annotatie zijn voorzien, zijn aantoonbaar rechtmatig voorzien van een door de Minister op aanvraag afgegeven naadloos gesloten pootring.
2
De vrijstelling, bedoeld in artikel 12, eerste en tweede lid, geldt eveneens voor in andere staten dan Nederland in gevangenschap geboren en gefokte vogels, die voorzien zijn van een merkteken, dat aantoonbaar overeenkomstig de in die andere staat geldende regelgeving en met inachtneming van artikel 36 van de basisverordening is afgegeven en aangebracht.
§
10
Vrijstelling bezitsverbod gefokte gewervelde dieren, niet zijnde vogels
Artikel
14
1
Van het verbod op het onder zich hebben, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet geldt een vrijstelling voor levende specimens van in gevangenschap geboren en gefokte gewervelde dieren, behorende tot beschermde uitheemse diersoorten, genoemd in bijlage A bij de basisverordening, die geen in gevangenschap geboren en gefokte vogels zijn, indien kan worden aangetoond dat de betreffende dieren gefokt zijn en voorzover:
a.
gewervelde dieren in overeenstemming met artikel 36, eerste lid, onderdeel b, van de uitvoeringsverordening, zijn voorzien van een microchiptransponder en
De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt eveneens, indien in overeenstemming met artikel 36 van de uitvoeringsverordening een ander merkteken is aangebracht, voorzover de Minister of een overheidsorgaan van een andere lid-staat dan Nederland een schriftelijke verklaring heeft afgegeven.
3
Indien een microchiptransponder of een ander merkteken als bedoeld in het eerste of tweede lid, wegens lichamelijke kenmerken van de betrokken specimens aantoonbaar niet veilig kan worden aangebracht, geldt de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, eveneens, indien een daartoe strekkende door de Minister of een door een overheidsorgaan van een andere lid-staat afgegeven verklaring kan worden overgelegd.
4
De vrijstellingen, bedoeld in het eerste lid, zijn niet van toepassing op levende specimens van soorten, behorende tot de orde van de primaten (Primates) of de familie van de katachtigen (Felidae), behorende tot beschermde uitheemse diersoorten, genoemd in bijlage A bij de basisverordening.
Artikel
14a
1
Er geldt een vrijstelling van het verbod, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet, voor het onder zich hebben van levende of dode wolven, indien kan worden aangetoond dat:
–
de dieren in gevangenschap zijn geboren en gefokt, en
–
dat de dieren vóór 1 juli 2014 in Nederland zijn gebracht of verkregen.
2
Er geldt een vrijstelling van het verbod, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet voor het onder zich hebben van producten van wolven, indien kan worden aangetoond dat die producten afkomstig zijn van wolven als bedoeld in het eerste lid.
§
11
Vrijstelling bezitsverbod plantensoorten
Artikel
15
1
Van het verbod op het onder zich hebben, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet geldt een vrijstelling voor dode specimens van kunstmatig gekweekte of uit het wild afkomstige planten, behorende tot beschermde uitheemse plantensoorten, genoemd in bijlage A bij de basisverordening, indien:
a.
het meer dan 50 jaar verkregen bewerkte specimens betreft als omschreven in artikel 2, onder w, van de basisverordening;
b.
het persoonlijke bezittingen of huisraad betreft als omschreven in artikel 2, onderdeel j, van de basisverordening of indien
c.
kan worden aangetoond dat betreffende specimens overeenkomstig het bij of krachtens de wet bepaalde en met inachtneming van de basisverordening en uitvoeringsverordening in Nederland zijn gebracht of verkregen.
2
Onverminderd artikel 13, vierde lid, van de wet, geldt een vrijstelling van het verbod op het onder zich hebben, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet voor levende en dode specimens van kunstmatig gekweekte planten, behorende tot beschermde uitheemse plantensoorten, genoemd in bijlage B, C of D bij de basisverordening, indien kan worden aangetoond dat de planten in Nederland zijn gekweekt, of, indien het producten van die planten betreft, betrokken producten van gekweekte planten afkomstig zijn.
3
Van het verbod op het onder zich hebben, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet geldt een vrijstelling voor levende en dode specimens van kunstmatig gekweekte planten, behorende tot beschermde inheemse plantensoorten, genoemd in bijlage A, B, C of D bij de basisverordening, en levende specimens van kunstmatig gekweekte planten, behorende tot beschermde uitheemse plantensoorten, genoemd in bijlage A bij de basisverordening, indien kan worden aangetoond dat betreffende specimens overeenkomstig het bij of krachtens de wet bepaalde en met inachtneming van de basisverordening en uitvoeringsverordening in Nederland zijn gebracht of verkregen, of, indien kan worden aangetoond dat de planten in Nederland zijn gekweekt, of, indien het producten van die planten betreft, betrokken producten van gekweekte planten afkomstig zijn.
De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op aan de natuur onttrokken dode specimens van soorten die voorkomen op bijlage IV, letter b), bij richtlijn 92/43 EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206).
§
12
Vrijstelling vervoersverbod
Artikel
16
1
Indien kan worden aangetoond dat specimens van soorten, genoemd in bijlage A, B, C of D bij de basisverordening, overeenkomstig het bij of krachtens de wet bepaalde en met inachtneming van de basisverordening en de uitvoeringsverordening rechtmatig binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht of verkregen, geldt, met inachtneming van artikel 9 van de basisverordening, een vrijstelling van het verbod op het vervoer, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet.
2
De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor levende specimens van de soorten roofvogels (orde Falconiformes) of uilen (orde Strigiformes), behorende tot beschermde inheemse of uitheemse diersoorten, zoals opgenomen in bijlage A of B bij de basisverordening, voorzover het het vervoer in het veld betreft.
Artikel
17
(bewijs gefokte havik)
Onverminderd de bepalingen van de basisverordening en de uitvoeringsverordening, wordt een ontheffing als bedoeld in artikel 75 van de wet van de verboden voor het vervoer of onder zich hebben van een levende gefokte havik (Accipiter gentilis) slechts verleend, indien in overeenstemming met artikel 25 van de uitvoeringsverordening de aanvrager door het overleggen van DNA-fingerprints van zowel de oudervogels als de jonge vogel het bewijs levert dat de vogels inderdaad in gevangenschap zijn gefokt.
§
13
Specimens bestemd voor wetenschappelijke instellingen
Artikel
18
Van de verboden op het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen, vervoeren en onder zich hebben, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet wordt vrijstelling verleend voor specimens uit herbaria en andere geconserveerde, gedroogde of ingesloten specimens uit musea en voor levende planten, van soorten genoemd in bijlage A, B, C of D bij de basisverordening, indien is voldaan aan artikel 7, vierde lid, van de basisverordening en artikel 22 van de uitvoeringsverordening.
§
14
Overige vrijstellingen
Artikel
19
(kunstmatig gekweekte planten en gefokte dieren, die niet vallen onder basisverordening)
1
Van de verboden, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet wordt vrijstelling verleend voor in gevangenschap geboren en gefokte dieren of kunstmatig gekweekte planten, behorende tot beschermde uitheemse dier- of plantensoorten, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de Regeling aanwijzing beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet, indien:
a.
kan worden aangetoond dat de planten in Nederland gekweekt of de dieren in Nederland gefokt zijn, of, indien het producten van die planten of dieren betreft, betrokken producten van gekweekte planten of gefokte dieren afkomstig zijn, of,
b.
bedoelde gefokte dieren of gekweekte planten of producten daarvan aantoonbaar in overeenstemming met de in een lid-staat geldende regelgeving zijn verkregen.
Van de verboden, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet wordt vrijstelling verleend voor dieren en producten van dieren van de soorten, genoemd in artikel 4, tweede lid, onderdeel b, van de Regeling aanwijzing beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet.
2
De in het eerste lid bedoelde vrijstelling geldt niet voor het vanuit derde landen binnen het grondgebied van Nederland brengen van pelzen en goederen die pelzen of delen daarvan bevatten, tenzij voldaan is aan Verordening (EEG) nr. 3254/91 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 4 november 1991 houdende een verbod op het gebruik van de wildklem in de Gemeenschap en op het binnenbrengen in de Gemeenschap van pelzen en producten die vervaardigd zijn van bepaalde in het wild levende diersoorten uit landen waar gebruik wordt gemaakt van de wildklem of andere vangmethoden die niet stroken met de internationale normen voor humane vangst met behulp van vallen (PbEG L 308) en Verordening (EG) nr. 35/97 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 10 januari 1997 tot vaststelling van bepalingen betreffende de certificatie van pelzen en goederen die vallen onder Verordening (EEG) nr. 3254/91 van de Raad (PbEG L 8).
Artikel
20a
(aal)
1
Van de verboden, bedoeld in de artikelen 9 en 10 van de wet, en het verbod op het onder zich hebben van beschermde inheemse diersoorten, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet, wordt vrijstelling verleend voor de aal (Anguilla anguilla).
2
De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is alleen van toepassing, indien kan worden aangetoond:
−
dat is voldaan aan het bij of krachtens de Visserijwet 1963 bepaalde, of
–
dat de aal in Nederland is gebracht of verkregen overeenkomstig het bij of krachtens de wet bepaalde en met inachtneming van de basisverordening en uitvoeringsverordening.
De artikelen 3 tot en met 5, 7 tot en met 11 en 16 zijn niet van toepassing op producten van dieren van de soorten, bedoeld in het eerste lid, die eveneens worden genoemd in bijlage A, B, C of D bij de basisverordening, tenzij is voldaan aan de voorwaarden, genoemd in artikel 3, eerste en tweede lid, van verordening (EG) 1007/2009.
3
De in het eerste lid bedoelde vrijstelling is niet van toepassing op het vanuit andere landen dan lidstaten van de Europese Unie binnen het grondgebied van Nederland brengen van huiden van jonge dieren, of delen of producten daarvan, van de soorten klapmuts (Cystophora cristata) en zadelrob (Phoca groenlandica), voor zover deze producten niet afkomstig zijn van de traditionele jacht van de Inuit en andere inheemse gemeenschappen.
§
15
Overige en slotbepalingen
Artikel
21
Een wijziging van bijlage IV bij Richtlijn nr. 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206) geldt voor de toepassing van deze regeling met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.