Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 december 2003, Directie Arbeidsverhoudingen, nr. AV/KO/2003/78838, houdende regels voor uitkeringen kinderopvang in 2004 (Regeling uitkeringen kinderopvang 2004)
minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b.
kinderopvang: het in georganiseerd verband tegen vergoeding verzorgen en opvoeden van kinderen van 0 jaar tot de leeftijd waarop het primair onderwijs eindigt door anderen dan de eigen ouders, verzorgers, pleeg- of stiefouders, op tijden dat deze hiervoor niet beschikbaar zijn;
c.
opvangplaats: aanbod van kinderopvang gedurende tenminste 1050 uren buitenschoolse opvang dan wel 2160 uren dagopvang per jaar in een kindercentrum;
dagopvang: kinderopvang van kinderen in de leeftijd van 0 tot en met 4 jaar;
f.
buitenschoolse opvang: kinderopvang van kinderen in de leeftijd dat zij naar het primair onderwijs gaan met dien verstande dat naast verzorging en opvoeding ook toezicht en vrije tijdsactiviteiten worden aangeboden, waarbij in ieder geval opvang wordt aangeboden na school en in schoolvakanties;
g.
gastouderopvang: kinderopvang in een gezinssituatie, die tot stand komt door middel van een gastouderbureau die de bemiddeling van gastouderopvang tussen gastouders en ouders tot stand brengt en die betrekking heeft op gelijktijdig ten hoogste vier kinderen;
h.
drempelaantal opvangplaatsen: het aantal opvangplaatsen in een gemeente dat niet in aanmerking voor een uitkering van het Rijk, bedoeld in paragraaf 2;
De minister kan op aanvraag in 2004 aan een gemeente een uitkering verlenen die bestemd is voor medefinanciering van de capaciteit gastouderopvang en voor de medefinanciering van opvangplaatsen buitenschoolse- en dagopvang in kindercentra die door de gemeente zijn gesubsidieerd of gefinancierd in de zin van artikel 3, onderdeel c, op grond van een overeenkomst of een subsidiebeschikking.
Artikel
3
Voorwaarden
De overeenkomst of subsidiebeschikking vermeldt op inzichtelijk wijze:
a.
het aantal opvangplaatsen van tenminste 2160 uur voor dagopvang en van tenminste 1050 uren buitenschoolse opvang (afgerond op één decimaal);
b.
het aan het kindercentrum door de gemeente verleende bedrag, dat betrekking heeft op opvangplaatsen in 2004;
c.
dat het uitsluitend opvangplaatsen betreft die geheel of gedeeltelijk door de gemeente worden gefinancierd of gesubsidieerd, dan wel die gedeeltelijk door de gemeente worden gefinancierd of gesubsidieerd en door een inkomensafhankelijke ouderbijdrage;
d.
dat opvangplaatsen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, zijn uitgesloten van de overeenkomst of subsidiebeschikking;
e.
de wijze, waarop het kindercentrum verantwoording aflegt aan de gemeente over de realisatie van de opvangplaatsen;
f.
dat het kindercentrum de voorwaarden van deze regeling dient na te leven; en
g.
dat deze tot stand is gebracht vóór 1 januari 2005 en betrekking heeft op 2004.
Artikel
4
Hoogte uitkering
1
De hoogte van de verleende uitkering is afhankelijk van het aantal toegekende opvangplaatsen dat voor een uitkering van het Rijk in aanmerking komt, vermenigvuldigd met € 6857.
2
Het maximum aantal toe te kennen opvangplaatsen per gemeente dat voor subsidie in aanmerking komt, wordt bepaald op basis van:
a.
een door de gemeente gedane opgave van het aantal opvangplaatsen dagopvang en buitenschoolse opvang in een kindercentrum in het jaar 2003,
b.
verhoogd met een opslag van 10 % bestemd voor financiering van opvangplaatsen gastouderopvang, en
c.
verminderd met een per gemeente in bijlage 1 bij deze regeling opgenomen drempelaantal opvangplaatsen.
3
De minister kan nader onderzoek verrichten naar de juistheid van het door de gemeente opgegeven aantal opvangplaatsen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en indien de opgave onjuist blijkt, dit aantal zonodig aanpassen.
Artikel
5
Aanvraag
1
Voor de aanvraag van de uitkering, bedoeld in artikel 2, wordt gebruik gemaakt van een door de minister vastgesteld aanvraagformulier, dat is ingericht overeenkomstig het model in bijlage 2 bij deze regeling.
2
Het college van burgemeester en wethouders draagt zorg dat de minister uiterlijk 15 maart 2004 de aanvraag heeft ontvangen om in aanmerking te komen voor een uitkering.
Artikel
6
Aanpassing drempelaantal
1
Indien de som van het aantal opvangplaatsen waarvoor een uitkering wordt verleend, hoger is dan het beschikbare aantal opvangplaatsen waarvoor de minister een uitkering kan verlenen, kan de minister een evenredige verhoging van de drempelaantallen toepassen.
2
Bij verhoging van het drempelaantal, bedoeld in het eerste lid, vormt het verschil tussen het door gemeenten opgegeven aantal opvangplaatsen, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel a, en het verhoogde drempelaantal, het aangepaste aantal opvangplaatsen waarvoor de minister een uitkering per gemeente verleent.
3
Indien de som van het aantal opvangplaatsen waarvoor een uitkering wordt verleend, lager is dan het beschikbare aantal opvangplaatsen waarvoor de minister een uitkering kan verlenen, kan de minister een evenredige verlaging van alle drempelaantallen toepassen.
4
Bij verlaging van het drempelaantal, bedoeld in het derde lid, vormt het verschil tussen het door de gemeente opgegeven aantal opvangplaatsen, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel a, en het aangepaste drempelaantal, het aangepaste aantal opvangplaatsen waarvoor de minister een uitkering per gemeente verleent.
Artikel
7
Bevoorschotting
De minister verleent op of omstreeks 15 april 2004 100% van de uitkering.
Artikel
8
Verantwoording
1
De gemeente doet voor de verantwoording, bedoeld in artikel 50 van het besluit, opgave van het aantal opvangplaatsen dagopvang en buitenschoolse opvang in een kindercentrum over 2004.
2
Bij de verantwoording vermeldt de gemeente uitsluitend de aantallen opvangplaatsen bij kindercentra die voldoen aan de artikelen 2 en 3.
3
Voor de verantwoording, bedoeld in het eerste lid, worden gegevens verstrekt op een door de minister vastgesteld verantwoordingsformulier, dat is ingericht overeenkomstig het model in bijlage 3 bij deze regeling.
4
Het college van burgemeester en wethouders draagt er zorg voor dat uiterlijk 31 oktober 2005 de minister het verantwoordingsformulier heeft ontvangen van het aantal opvangplaatsen dat voor subsidie op grond van deze regeling in aanmerking komt.
5
Een accountantsverklaring die overeenkomstig artikel 50, derde lid, van het besluit, aan de verantwoording wordt toegevoegd, wordt ingericht overeenkomstig het model in bijlage 4 bij deze regeling.
6
Het bij de aanvraag opgegeven aantal opvangplaatsen, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel a, maakt geen onderdeel uit van de accountantscontrole.
7
De accountantsverklaring, bedoeld in het vijfde lid, is gebaseerd op een controle die is uitgevoerd overeenkomstig het in bijlage 5 bij deze regeling opgenomen controle- en rapportageprotocol.
8
Indien het verantwoordingsformulier en de accountantsverklaring, bedoeld in het derde respectievelijk vijfde lid, niet binnen de gestelde termijn zijn ontvangen, stelt de minister de uitkering ambtshalve vast, waarbij de uitkering die is verleend, wordt verminderd met 20%. In het geval de termijn, bedoeld in de vorige volzin, met meer dan 12 maanden is overschreden, stelt de minister de uitkering eveneens ambtshalve vast, met dien verstande dat de uitkering in dat geval wordt verminderd met 50%.
Artikel
9
Vaststelling
1
De minister stelt de uitkering vast overeenkomstig de verlening, indien het aantal opgegeven opvangplaatsen, bedoeld in artikel 8, eerste lid, groter of gelijk is aan het bij de aanvraag opgegeven aantal, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel a.
2
De minister stelt de uitkering in afwijking van de verlening vast, indien het aantal opgegeven opvangplaatsen, bedoeld in artikel 8, eerste lid, lager is dan het bij de aanvraag opgegeven aantal, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel a.
Artikel
10
Terugvordering
Indien de uitkering in afwijking van de verlening wordt vastgesteld, overeenkomstig artikel 9, tweede lid, vordert de minister een bedrag terug van € 6857 voor iedere opvangplaats die bij de opgave, bedoeld in artikel 8 eerste lid, verhoogd met een opslag van 10% voor gastouderopvang, minder is geconstateerd ten opzichte van de opgave bij de aanvraag, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel a, verhoogd met een opslag van 10% voor gastouderopvang.
Artikel
11
Grenscorrecties
De minister kan de uitkering wijzigen in verband met wijziging van de indeling van gemeenten of grenscorrecties.
Paragraaf
3
Uitkering toezicht
Artikel
12
Verlening
1
De minister verstrekt een eenmalige uitkering aan gemeenten, die bestemd is als tegemoetkoming in de kosten voor toezicht op de kinderopvang.
2
Deze uitkering wordt verstrekt overeenkomstig de verdeling per gemeente, opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling.
Artikel
13
Bevoorschotting
De minister verleent op of omstreeks 15 april 2004 100% van de uitkering.
Paragraaf
4
Uitkering voormalige gemeentefondsmiddelen
Artikel
14
Verlening
1
De minister keert eenmalig, ten behoeve van het kalenderjaar 2004, voormalige gemeentefondsmiddelen die zijn overgeheveld naar de begroting van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid uit aan gemeenten.
2
Deze middelen worden verstrekt overeenkomstig de verdeling per gemeente, opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling.
Artikel
15
Bevoorschotting
De minister verleent op of omstreeks 15 april 2004 100% van de uitkering.
Paragraaf
5
Slotbepalingen
Artikel
16
Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2005, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de verantwoording en vaststelling van de uitkering, bedoeld in paragraaf 2.
Artikel
17
Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling uitkeringen kinderopvang 2004.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Den Haag
De Minister van Sociale Zaken en WerkgelegenheidA.J. de Geus
Controle- en Rapportageprotocol 2004 Regeling uitkeringen kinderopvang 2004
Inleiding
Het doel van de Regeling uitkeringen kinderopvang 2004 is gemeenten een financiële bijdrage te verlenen voor het behoud van zoveel mogelijk opvangplaatsen gedurende 2004. Aan een opvangplaats in de Regeling uitkeringen kinderopvang 2004 worden de volgende voorwaarden gesteld:
• In een overeenkomst of subsidiebeschikking vastgelegd (cf. artikel 2). De voorwaarden waaraan de overeenkomst of subsidiebeschikking moet voldoen, zijn in artikel 3 opgenomen.
• Geheel door de gemeente gesubsidieerd of gefinancierd of gedeeltelijk door de gemeente gesubsidieerd of gefinancierd én gedeeltelijk door een ouderbijdrage, die inkomensafhankelijk is (cf. artikel 2 en artikel 3 onderdeel c).
• Niet zijnde een KOA-opvangplaats (cf. artikel 1, lid 2).
Eventuele uitbreidingen van opvangplaatsen worden niet vergoed. Blijkt na afloop van de regeling dat het totale aantal opvangplaatsen in een gemeente is afgenomen ten opzichte van de bij de aanvraag opgegeven aantal, dan wordt de afname teruggevorderd.
Ingevolge artikel 8, vierde en vijfde lid, van de Regeling uitkeringen kinderopvang 2004 draagt Burgemeester en Wethouders zorg voor de tijdige inzending van het verantwoordingsformulier en de daarop betrekking hebbende accountantsverklaring. Deze verklaring wordt afgegeven op basis van een onderzoek dat met inachtneming van het terzake vastgestelde controle- en rapportageprotocol is uitgevoerd (artikel 8, lid 7).
Het aantal opvangplaatsen in 2004, welke in een overeenkomst of subsidiebeschikking tussen gemeente en kindercentra vastgelegd zijn, bepalen in belangrijke mate de definitieve vaststelling van de uitkering. De uitkering kan niet hoger worden vastgesteld dan het verstrekte voorschot.
De gemeente geeft de aantallen opvangplaatsen over 2004 op het verantwoordingsformulier aan. De gemeente dient hierbij zorg te dragen dat er alleen rechtmatige opvangplaatsen worden opgenomen op het verantwoordingsformulier (artikel 8, lid 2).
Indien de verleningsbeschikking betrekking heeft op een verleende uitkering, gebaseerd op 18,7 opvangplaatsen of meer (cf. artikel 50 in het Bekostingsbesluit welzijnsbeleid), dient de bij de gemeente fungerende accountant door middel van de accountantsverklaring een oordeel te geven over de getrouwheid (juistheid, tijdigheid en volledigheid) en rechtmatigheid van de op het verantwoordingsformulier opgenomen aantallen opvangplaatsen over 2004.
Het controle- en rapportageprotocol 2004 heeft de volgende indeling:
Het onderzoek door de accountant omvat de controle op de aantallen van de opvangplaatsen over 2004 en de bedragen, zoals door de gemeente ingevuld op het verantwoordingsformulier (artikel 8, lid 3):
•
kinderopvangplaatsen buitenschoolse opvang gedurende tenminste 1050 uren in 2004;
•
kinderopvangplaatsen hele dagopvang gedurende tenminste 2160 uren in 2004.
1.1 Het onderwerp van onderzoek
De gemeente vult de aantallen opvangplaatsen over 2004 op het verantwoordingsformulier in, welke uitgangspunt is voor de controle door de accountant. De accountantscontrole richt zich niet op de beoordeling of de gemeente hun aanwezige opvangplaatsen uit 2003 in stand hielden in 2004.
De controle richt zich op de vaststelling van de getrouwheid en rechtmatigheid van de door de gemeente op het verantwoordingsformulier ingevulde aantallen en bedragen. In de aandachtspuntenlijst zijn de te toetsen bepalingen inzake de rechtmatigheid opgenomen.
De toetsing heeft voornamelijk betrekking op het vaststellen dat de overeenkomsten of subsidiebeschikkingen (en de daarin opgenomen opvangplaatsen) aan de gestelde eisen voldoen. De realisatie van de opvangplaatsen bij de kindercentra is geen onderwerp van onderzoek.
1.2 De reikwijdte van de accountantsverklaring
De gemeente neemt op het verantwoordingsformulier alleen aantallen opvangplaatsen op die voldoen aan de gestelde voorwaarden in de Regeling uitkeringen kinderopvang 2004 (artikel 8, lid 2). Indien niet voldaan is aan de gestelde eisen, zijn de opvangplaatsen niet declarabel en moeten gecorrigeerd worden op het verantwoordingsformulier.
De accountantsverklaring heeft betrekking op de door de gemeente op het verantwoordingsformulier ingevulde aantallen en bedragen, alsmede op die aspecten van de regeling die zijn genoemd in de aandachtspuntenlijst en de eventueel naar aanleiding van de regeling uitgebrachte circulaires.
Voor de verklaring moet gebruik gemaakt worden van het door het Ministerie verstrekte model (zie bijlage 4, als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de Regeling uitkeringen kinderopvang 2004). Er geldt een verplicht te gebruiken tekst waaruit tenminste blijkt dat de controle is uitgevoerd met expliciete inachtneming van de in dit controle- en rapportageprotocol gegeven voorschriften.
Eisen, die aan de accountantsverklaring worden gesteld, zijn:
•
het moet een goedkeurende verklaring zijn (cf. artikel 8, lid 5);
•
de verklaring moet volgens het controleprotocol zijn opgesteld (cf. artikel 8 lid 7);
•
er moet een handtekening van de accountant op staan;
•
het aantal bijlagen moet overeen komen met het aantal genoemde bijlagen op de verklaring;
•
de bijlagen moeten door de accountant worden gewaarmerkt als behorende bij de accountantsverklaring;
Indien aan bovenstaande punten niet wordt voldaan, dan wordt de accountantsverklaring aan de gemeente geretourneerd. De minister accepteert alleen goedkeurende verklaringen. De gemeente mag immers alleen opvangplaatsen verantwoorden die rechtmatig zijn (artikel 8, lid 2).
1.3 De te hanteren toleranties
De goedkeuringstolerantie bedraagt 1 %.
Er is sprake van fouten (onrechtmatigheden) indien niet is voldaan aan één of meer van de gestelde voorwaarden zoals vastgelegd in de Regeling uitkeringen kinderopvang 2004 en de aandachtspuntenlijst of indien niet vastgesteld kan worden dat is voldaan aan deze voorwaarden.
Indien er fouten worden geconstateerd vóór 31 december 2004, die van toepassing kunnen zijn op de gehele massa, dient de gehele massa op dit aspect te worden onderzocht en gecorrigeerd. Dit volgt uit artikel 8, lid 2 (alleen rechtmatige opvangplaatsen declareren). De fouten zijn tot en met 31 december 2004 corrigeerbaar, aangezien tot die tijd de overeenkomsten of subsidiebeschikkingen mogen worden opgesteld of aangepast.
Indien er fouten worden geconstateerd ná 31 december 2004, zijn deze fouten niet meer corrigeerbaar, aangezien de overeenkomsten of subsidiebeschikkingen niet meer kunnen worden herzien. Voor de geconstateerde fouten dient voor het foutaspect de gehele massa te worden onderzocht. Alle fouten die hierbij zijn geconstateerd, moeten in mindering worden gebracht op het aantal opvangplaatsen op het verantwoordingsformulier. Dit volgt uit artikel 8, lid 2 waarin is bepaald dat de foutieve opvangplaatsen niet declarabel zijn. Wijzigingen achteraf in de overeenkomsten/subsidiebeschikkingen of achteraf bijgevoegde bijlagen, alsmede het antidateren van overeenkomsten of subsidiebeschikkingen zijn onrechtmatig. Geconstateerde fouten ná 31 december 2004 kunnen achteraf dus niet hersteld worden.
Het verantwoordingsformulier
– Vaststellen dat de in het verantwoordingsformulier verantwoorde aantallen opvangplaatsen in 2004 juist, volledig en tijdig zijn;
– Vaststellen dat met betrekking tot de in het verantwoordingsformulier verantwoorde aantallen opvangplaatsen in 2004 de voorwaarden, zoals vastgelegd in de Regeling uitkeringen kinderopvang 2004 en circulaires, zijn nageleefd (rechtmatigheid);
– Vaststellen dat gebruik is gemaakt van het door het ministerie voorgeschreven en verstrekte verantwoordingsformulier en dat deze volledig en tekstueel ongewijzigd is ingevuld (cf. artikel 8, derde lid);
– Vaststellen dat de opgegeven aantallen opvangplaatsen in 2003 en de vastgestelde drempelaantallen (onderdelen a en f op het verantwoordingsformulier) overeenkomen met de aantallen vermeld in de verleningsbeschikking van het ministerie;
– Vaststellen dat het verantwoordingsformulier rekenkundig juist is ingevuld.
Aandachtspunten in de controle naar aanleiding van de voorwaarden die aan een opvangplaats (artikel 1, lid 2 en artikel 2), een overeenkomst/subsidiebeschikking (artikel 3) en de verantwoording (artikel 8) worden gesteld:
– Vaststellen dat er voor de opgegeven aantallen opvangplaatsen overeenkomsten of subsidiebeschikkingen zijn tussen gemeente en kindercentra (artikel 2 en artikel 8, lid 2).
– Vaststellen dat in de overeenkomst of subsidiebeschikking is opgenomen dat de door de gemeente gesubsidieerde opvangplaatsen voldoen aan de gestelde urencriteria van tenminste 1.050 uren buitenschoolse opvang, respectievelijk 2.160 uren hele dagopvang per jaar (artikel 3, onderdeel a).
– Vaststellen dat in de overeenkomst of subsidiebeschikking de voorwaarde is opgenomen dat deze opvangplaatsen geheel óf gedeeltelijk door de gemeente worden gefinancierd/gesubsidieerd. Indien de opvangplaatsen gedeeltelijk door de gemeente worden gefinancierd/gesubsidieerd dient tevens als voorwaarde opgenomen te worden dat er voor deze opvangplaatsen een ouderbijdrage geldt, die inkomensafhankelijk is (artikel 3, onderdeel c).
– Vaststellen dat het in de overeenkomst of subsidiebeschikking toegezegde subsidiebedrag door de gemeente daadwerkelijk aan het kindercentrum is overgemaakt of verrekend met overschotten van voorgaande jaren (artikel 3, onderdeel b).
– Vaststellen dat in de overeenkomst of subsidiebeschikking de voorwaarde is opgenomen dat het verleende bedrag door de gemeente aan het kindercentrum niet bestemd is voor KOA- plaatsen (artikel 3, onderdeel d).
– Vaststellen dat in de overeenkomst of subsidiebeschikking is opgenomen de wijze waarop het kindercentrum verantwoording aflegt aan de gemeente over de realisatie van de opvangplaatsen en naleving van de gestelde subsidievoorwaarden (artikel 3, onderdeel e en f).
– Vaststellen dat de overeenkomst of subsidiebeschikking betrekking heeft op het jaar 2004 en tot stand is gekomen vóór 1 januari 2005 (gedateerd c.q. getekend vóór 1 januari 2005). Overeenkomsten of subsidiebeschikkingen, welke betrekking hebben op 2004, maar getekend en/of gedateerd zijn in 2005, voldoen niet aan de voorwaarden en zijn derhalve niet declarabel (artikel 3, onderdeel g). Opvangplaatsen die in 2004 ingekocht zijn, maar betrekking hebben op het jaar 2003 of 2005 zijn eveneens niet declarabel.
– Vaststellen dat het aantal opvangplaatsen in 2004 volgens de overeenkomsten of subsidiebeschikkingen in totaal aansluit met de door de gemeente opgegeven aantallen.
– Vaststellen dat de kindercentra, waar de gemeente een financiële relatie mee heeft inzake de opvangplaatsen, een verklaring hebben, waaruit blijkt dat aan de in een gemeentelijke verordening gestelde eisen is voldaan (artikel 1, lid 1 onderdeel d). Deze verklaring kan ook een vergunning zijn.
– Vaststellen dat de overeenkomst of subsidiebeschikking ten behoeve van de uitvoering van de Regeling uitkeringen kinderopvang 2004 voldoet aan het gestelde in artikel 3 van de Regeling uitkeringen kinderopvang 2004.
– Vaststellen dat de gemeente alleen rechtmatige opvangplaatsen heeft gedeclareerd op het verantwoordingsformulier (artikel 8, lid 2).
Een nadere toelichting op de begrippen is opgenomen in de Toelichting bij de Regeling uitkeringen kinderopvang 2004.
IV. Model Accountantsverklaring
De voorgeschreven tekst voor de accountantsverklaring is opgenomen in bijlage 4, als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de Regeling uitkeringen kinderopvang 2004.