Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 22 juni 2004, nr. TRCJZ/2004/3819, houdende regels over herverkaveling (Regeling herverkaveling)
Regeling herverkaveling
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
LAC-signaalwaarde: waarde zoals vastgesteld door de Landbouw Advies Commissie Milieukritische Stoffen in het in december 1991 uitgebrachte rapport LAC-signaalwaarden van de werkgroep verontreinigde gronden van de Landbouw Advies Commissie Milieukritische Stoffen.
eventuele andere factoren, die het natuurlijk voortbrengend vermogen van de grond bepalen.
2
De agrarische waarde wordt per klasse bepaald in punten of geld.
Artikel
3
Waardeveranderingen als bedoeld in de artikelen 49, 71 en 117 van de wet worden bij de tweede schatting bepaald.
Artikel
4
De toestand van de grond wordt bij de eerste en de tweede schatting in kwaliteitsklassen vastgelegd aan de hand van een of meer van de volgende objectieve factoren:
a.
de ontsluiting van huiskavels, bedrijfskavels of veldkavels, en
b.
de waterhuishoudkundige toestand van kavels.
Artikel
5
De toestand van de grond wordt bij de tweede schatting vastgelegd aan de hand van een of meer van de volgende subjectieve factoren:
a.
de kavelconcentratie;
b.
de afstand van de veldkavels tot de bedrijfskavel;
c.
het aantal kavels per bedrijf;
d.
de grootte van de kavels, en
e.
de vorm van de kavels.
Artikel
6
De minister stelt per blok nadere regels vast voor het stelsel van classificatie overeenkomstig het model dat is opgenomen als bijlage 1 bij deze regeling. Deze nadere regels per blok worden als bijlage bij deze regeling opgenomen.
Gronden die ingevolge een vastgesteld bestemmingsplan of een ontwerpbestemmingsplan een bestemming hebben of krijgen die overeenkomt met de functie van landbouw, natuur, bos of landschap zijn uitruilbaar, voor zover artikel 10 van de wet niet anders bepaalt.
Artikel
9
Gronden waarop zich een weg met een openbaar karakter bevindt, die op grond van het landinrichtingsplan het openbare karakter verliest, zijn uitruilbaar.
Artikel
10
Wanneer de openbare functie van een waterloop volgens het landinrichtingsplan vervalt, zijn de gronden waarop deze waterloop zich bevindt uitruilbaar.
De gronden, bedoeld in het eerste lid, worden geruild met inachtneming van de volgende rangorde:
a.
ruil met landbouwgronden die door bureau beheer landbouwgronden zijn verworven ten behoeve van de veiligstelling, aanleg of ontwikkeling van bos of natuurterreinen;
De gronden, bedoeld in het eerste lid, worden geruild met inachtneming van de volgende rangorde:
a.
ruil met landbouwgronden waarvoor een eigenaar of pachter bereid is een aanvraag in te dienen voor subsidieverlening ingevolge de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer;
In afwijking van het eerste lid zijn gronden waarvoor een eigenaar een overeenkomst tot ontwikkeling of instandhouding van bos of natuur is aangegaan met een verplichting als bedoeld in artikel 252 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek ten behoeve van de Staat der Nederlanden of bureau beheer landbouwgronden niet uitruilbaar met gronden, ten aanzien waarvan niet een dergelijke overeenkomst is afgesloten, tenzij deze meerbedoelde gronden in eigendom zijn van de Staat der Nederlanden, bureau beheer landbouwgronden of particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties.
3
De gronden, bedoeld in het eerste lid, worden geruild met inachtneming van de volgende rangorde:
a.
ruil met landbouwgronden die door bureau beheer landbouwgronden zijn verworven ten behoeve van de veiligstelling, aanleg of ontwikkeling van bos of natuurterreinen;
b.
ruil met landbouwgronden die door particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties zijn verworven ten behoeve van de veiligstelling, aanleg of ontwikkeling van bos of natuurterreinen;
c.
ruil met landbouwgronden waarvoor een eigenaar een overeenkomst tot ontwikkeling of instandhouding van bos of natuur is aangegaan met een verplichting als bedoeld in artikel 252 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek ten behoeve van de Staat der Nederlanden of bureau beheer landbouwgronden.
Gronden die deel uitmaken van een geval van verontreiniging als bedoeld in artikel 1 van de Wet bodembescherming zijn niet uitruilbaar, indien de LAC-signaalwaarden worden overschreden.
er met betrekking tot het geval van ernstige verontreiniging op grond van artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming voldoende maatregelen zijn genomen en geen LAC-signaalwaarden worden overschreden.
4
Indien het bevoegd gezag in de zin van de Wet bodembescherming een beslissing heeft genomen als bedoeld in het derde lid, onderdeel b, kan de landinrichtingscommissie besluiten de gronden niet te ruilen, indien de gronden als gevolg van het geval van verontreiniging, bedoeld in artikel 1 van de Wet bodembescherming, niet voldoen voor een redelijkerwijs vast te stellen gebruiksbestemming.
Artikel
15
Niet uitruilbaar zijn:
a.
gronden met een uitzonderlijk slechte cultuurtoestand, gronden met een zeer ongelijke vlakligging, natuurterreinen, die niet als cultuurgrond in gebruik zijn, en te diep ontgronde percelen;
b.
gronden waarop zich sport- of recreatieterreinen bevinden;
c.
gronden waarop zich spoorwegen bevinden;
d.
gronden met een houtopstand die groter is dan 10 are of waarvoor een herbeplantingsplicht als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Boswet geldt;
e.
boomgaarden en andere gronden met meerjarige gewassen.
Paragraaf
2
Wijze van toedeling
Artikel
16
1
De toedeling van kavels vindt zodanig plaats dat een doelmatig gebruik wordt bevorderd.
2
De toedeling van kavels geschiedt met inachtneming van de volgende rangorde:
a.
toedeling gericht op een zo groot mogelijke concentratie van kavels bij de bedrijfskavel;
b.
toedeling gericht op een zo groot mogelijke concentratie van kavels bij de huiskavel;
c.
toedeling gericht op een zo gering mogelijke afstand tussen de bedrijfsgebouwen en de kavels;
d.
toedeling gericht op een zo gering mogelijke afstand tussen het woonhuis en de kavels.
Artikel
17
De samenvoeging van kavels die ten dienste staan van één gebruiker vindt niet plaats, indien dit leidt tot een mate van versnippering van het eigendom van grond, die in redelijkheid niet van de betrokken eigenaar kan worden gevergd.
Artikel
18
De grens van een huis- of bedrijfskavel kan bij toedeling slechts na overeenstemming met de eigenaar en na overleg met de gebruikers worden aangepast, tenzij:
a.
het gebouw op die kavel niet meer in gebruik is of zich niet in de nabijheid van de kavelgrens bevindt, of
De landinrichtingscommissie handhaaft of vestigt erfdienstbaarheden indien niet door herverkaveling of uitvoering van werken aan de behoefte waarin deze rechten voorzien is tegemoet gekomen.
Paragraaf
3
Overige bepalingen
Artikel
20
De gemiddelde schattingswaarde per hectare van aan een eigenaar of pachter toe te delen grond wijkt maximaal twee schattingsklassen af van de gemiddelde schattingswaarde per hectare van de door die eigenaar of pachter ingebrachte grond.
Artikel
21
Van de artikelen 8 tot en met 20 kan worden afgeweken indien dit een doelmatige herverkaveling of realisatie van de doeleinden van het landinrichtingsplan bevordert en de minister hiermee instemt.
Hoofdstuk
4
De tweede schatting en de lijst der geldelijke regelingen
Artikel
22
De minister stelt, gehoord de landinrichtingscommissie, de waardering van de objectieve en subjectieve factoren vast ten einde de kosten, bedoeld in artikel 223, eerste lid, van de wet, te berekenen.
Artikel
23
1
Bij de lijst der geldelijke regelingen kunnen verrekenposten worden opgenomen tussen hetzij de bij het plan van toedeling betrokken eigenaren onderling hetzij de gezamenlijkheid van eigenaren en de individuele eigenaar, die betrokken is bij het plan van toedeling.
2
De verrekenposten, bedoeld in het eerste lid, kunnen betreffen:
a.
de aanwezigheid van opstallen, opstanden en obstakels, waaronder bunkers, hoogspanningsmasten, kabels en leidingen;
De waarde van gebouwen, werken, beplantingen en houtopstanden wordt niet dan bij de tweede schatting bepaald en slechts voor zover voornoemde objecten door het plan van toedeling van eigenaar veranderen en hierover geen regeling is getroffen tussen de oude en de nieuwe eigenaar.
Artikel
24
De minister stelt, gehoord de landinrichtingscommissie, de hoogte van de verrekenposten vast op basis van de waarde in het maatschappelijk verkeer.
Artikel
25
De minister stelt per blok nadere regels vast voor de tweede schatting overeenkomstig het model dat is opgenomen als bijlage 2 bij deze regeling. Deze nadere regels per blok worden als bijlage bij deze regeling opgenomen.
De minister kan voor een blok nadere regels vaststellen in afwijking van artikel 25, ingeval de Centrale Landinrichtingscommissie, bedoeld in artikel 7 van de wet zoals die luidde onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet van 22 april 2004 tot wijziging van de Landinrichtingswet en enige andere inrichtingswetten (positie van de Centrale Landinrichtingscommissie; Stb. 223), vóór 11 februari 2003 een stelsel van classificatie heeft vastgesteld dat voor het desbetreffende blok voorziet in een andere waardering van de objectieve en subjectieve factoren dan die overeenkomstig het model dat is opgenomen in bijlage 2 bij deze regeling.
Artikel
28
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel
29
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling herverkaveling.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Landbouw, Natuur en VoedselkwaliteitC.P.Veerman
Bijlage
1
Model ten behoeve van de vaststelling van nadere regels per blok betreffende het stelsel van classificatie
A
(De in het blok aanwezige onroerende zaken)
In het blok worden aangetroffen*op te nemen naar gelang de toestand van het blok.:
a.
cultuurgronden in gebruik als bouwland, grasland, tuingrond, boomgaard en boomkwekerij;
b.
erven en tuinen;
c.
bosgronden, houtwallen, woeste gronden en onland;
d.
wegen;
e.
waterlopen, sloten en plassen;
f.
dijken en kaden;
g.
spoorwegen;
h.
sport- en recreatieterreinen;
i.
gebouwen, werken en beplantingen;
j.
overige, namelijk ..........
B
(De in het blok voorkomende gronden)
In het blok worden de volgende gronden aangetroffen:*beknopte algemene beschrijving opnemen van de aard, de kenmerken, het gebruik en zo nodig de gesteldheid van de in het blok voorkomende gronden.
C
(De indeling van de te schatten gronden in klassen met vermelding van de bij elke klasse behorende agrarische waarde)
Rekening houdend met het bepaalde in artikel 2 van de regeling worden de gronden als volgt geschat:
a.
cultuurgronden in klassen van ........ tot en met ........ per ha, met intervallen van ........, zonder rekening te houden met de cultuurtoestand;
b.
erven en tuinen als aangrenzende grond;
c.
bosgronden, houtwallen, woeste gronden en onland in klassen van ........ tot en met ........ per ha met intervallen van ........, met uitzondering van houtwallen smaller dan ........ meter, welke worden geschat als aangrenzende grond;
d.
wegen, wanneer zij openbaar zijn of kennelijk als zodanig worden gebruikt, op ........ per ha. De overige wegen worden als cultuurgrond of onland geschat;
e.
waterlopen in beheer en onderhoud bij openbare lichamen alsmede plassen op ........ per ha;
f.
particuliere sloten
–
met een geringere bovenbreedte dan ........ meter als aangrenzende grond,
–
breder dan ........ meter voor de gehele breedte op ........ per hectare;
g.
dijken en kaden in klassen van ........ tot en met ........ per ha met intervallen van ........ per ha;
h.
spoorwegen en de daartoe behorende gronden op ........ per ha, als cultuurgrond of onland, afhankelijk van het gebruik;
i.
sport- en recreatieterreinen als aangrenzende grond of in de klasse ........ per ha, afhankelijk van de plaatselijke situatie;
j.
overige, namelijk ..........
D
(Objectieve factoren)
De objectieve factoren, bedoeld in artikel 4 van de regeling, worden als volgt gewaardeerd*waardering in klassen die variëren van zeer goed tot slecht. :
a.
De afstand van de kavels tot de dichtstbijzijnde openbare verharde weg in ........ klassen van respectievelijk ........, ........, en ........;
b.
De afstand van gebouwen tot de dichtstbijzijnde openbare verharde weg in ........ klassen van respectievelijk ........, ........, en ........;
c.
De waterhuishoudkundige toestand van de kavels in ........ klassen van respectievelijk ........, ........, en ........
Bijlage
2
Model ten behoeve van de vaststelling van nadere regels per blok betreffende de tweede schatting
A
(Objectieve en subjectieve factoren)
De objectieve en subjectieve factoren, bedoeld in de artikelen 4 en 5 van de regeling, worden als volgt in punten*de geldwaarde van een punt is de breuk van het totaal van de ten laste van de gezamenlijke eigenaren komende kosten van landinrichting, bedoeld in artikel 222, vierde lid, van de wet, gedeeld door het totaal aantal punten. (of in geldbedragen) gewaardeerd:
a.
De afstand van de kavels tot de dichtstbijzijnde openbare verharde weg in ........ klassen van respectievelijk ........, ........, en ........ punten (of geldbedrag) per hectare;
b.
De afstand van gebouwen tot de dichtstbijzijnde openbare verharde weg in ........ klassen van respectievelijk ........, ........, en ........ punten (of geldbedrag) per gebouw c.q. complex van gebouwen;
c.
De waterhuishoudkundige toestand van de kavels in ........ klassen van respectievelijk ........, ........, en ........ punten (of geldbedrag) per hectare;
d.
De verkaveling omvattende vorm, grootte, aantal, afstand tot de gebouwen en mate van kavelconcentratie in ........ klassen van ........ tot en met ........ punten (of geldbedrag) per hectare met intervallen van ........ punten;
e.
De bepaling van de waardeveranderingen als gevolg van landinrichting in de objectieve en subjectieve factoren geschiedt per eigendom (of per bedrijf) door vergelijking van de toegedeelde kavels met de ingebrachte kavels. Bij de beoordeling van de ingebrachte kavels wordt de invloed van reeds uitgevoerde landinrichtingswerken geëlimineerd, behoudens die van kavelverbeteringswerken.
B
(Verandering van de agrarische waarde)
Een verandering van de agrarische waarde, bedoeld in artikel 2 van de regeling, wordt bepaald op het verschil tussen de waarde bij de eerste schatting en de waarde bij de tweede schatting, waarbij laatstgenoemde waarde met inachtneming van het stelsel van classificatie wordt geschat in klassen van ........ tot en met ........ per hectare, met intervallen van ........
De waarde van de onroerende zaken die een waardeverandering als bedoeld in artikel 3 van de regeling ondergaan wordt met inachtneming van het stelsel van classificatie geschat in klassen van ........ tot en met ........ per hectare, met intervallen van ........
D
(Verrekenposten)
De verrekenposten, bedoeld in artikel 21, tweede lid, van de regeling, worden als volgt geschat:
a.
de aanwezigheid van hoogspanningsmasten op ........ per stuk en overspanningen op ........ per m1 (strekkende meter) zakelijk rechtstrook;
b.
de aanwezigheid van ondergrondse kabels en leidingen, waarvoor een beperkt recht is gevestigd, op ........ per m1 (strekkende meter);
c.
erfdienstbaarheden op ........ per geval;
d.
de aanwezigheid van verontreinigingen in of op de bodem als bedoeld in artikel 1 van de Wet bodembescherming met een door deskundigen vast te stellen bedrag,
e.
overige, namelijk ........
E
(Overig)
1. Over- en onderbedeling worden verrekend, door de waarde van de schatting, bedoeld in artikel 166 van de wet, te vermenigvuldigen met een factor ........
2. De vastgestelde waardeveranderingen, bedoeld in de onderdelen B en C worden verrekend na vermenigvuldiging met de factor, bedoeld in het eerste lid.