Artikel
1
1
In deze verordening worden de begripsbepalingen van de Verordening PT algemene bepalingen 2003 gehanteerd.
2
Deze verordening verstaat onder:
|
a. |
tuinbouwgrond: |
grond, waarop groenteteelt, fruitteelt, boomkwekerij, bloembollenteelt, tuinbouwzaadteelt of kruidenteelt wordt beoefend |
|
b. |
bouwland: |
tuinbouwgrond, voor zover niet in gebruik ten behoeve van fruitteelt, boomkwekerij of meerjarige kruidenteelt |
|
c. |
bodemerosie: |
de versnelde afvoer van bodemmateriaal door oppervlakkig afstromend water met als gevolg sedimentatie van het geërodeerde materiaal op lager gelegen terreinen |
|
d. |
normale bodemerosie: |
bodemerosie waarbij sprake is van een vrij onopvallende min of meer ge tijkmatige verplaatsing van dunne grondlagen, dan wel bodemerosie waarbij een aantal smalle (< 60 cm) en ondiepe (< 30 cm) geulen (rillen) ontstaan, die door normale grondbewerkings-methoden als nog kunnen worden gedicht |
|
e. |
erosiebevorderend gewas: |
maïs, aardappelen, bieten |
|
f. |
groenbemester: |
een gewas, dat direct na de oogst van een hoofdgewas wordt ingezaaid en voor-het nieuwe groeiseizoen wordt ondergewerkt |
|
g. |
bodembedekker: |
wel slechts een gewas, dat direct na de oogst van een hoofdgewas wordt ingezaaid en gedurende de opkomst van het nieuwe hoofdgewas nog enige tijd blijft gehandhaafd, dan oppervlakkig wordt ondergewerkt |
|
h. |
Perceel: |
een oppervlakte grond, in eigendom of in gebruik bij een onderneming |
|
i. |
gewasperceel: |
een perceel tuinbouwgrond, waarop een hoofgewas aanwezig is, waarvan de buitengrenzen zijn bepaald door duidelijk waarneembare kavelgrenzen b.v. graften, heggen, houtwallen, sloten dan wel doordat op het aangrenzende perceel (mits bij dezelfde ondernemer in gebruik} andere dan wel geen gewassen aanwezig zijn. |
|
j. |
lengte van een gewasperceel: |
die zijde van het gewasperceel, die het minst parallel loopt met de hoofdrichting van de hoogtelijnen |
|
k. |
breedte van een gewasperceel: |
die zijde van het gewasperceel, die het minst parallel loopt met de hoofdinrichting van de hoogtelijnen |
|
l. |
knelpuntgebieden: |
de gebieden, gelegen in een stroomgebied en als zodanig aangeduid op de kaart, die als bijlage 2 bij deze verordening gaat, waar belangrijke wateroverlast kan optreden |
|
m. |
hellingspercentage: |
het quotiënt van het hoogteverschil en de horizontale afstand, uitgedrukt in procenten, volgens de in bijlage 1 aangegeven meetmethode |
|
n. |
directzaaimethode: |
een gewas dat direct na de oogst van een hoofdgewas wordt ingezaaid en waarvan de gewasresten gedurende de opkomst van het nieuwe gewas gedurende de opkomst van het nieuwe hoofdgewas blijven gehandhaafd |
|
o. |
rnulchmethode: |
een gewas dat direct na de oogst van een hoofdgewas wordt ingezaaid en waarvan de gewasresten vooraf aan het inzaaien van het nieuwe hoofdgewas oppervlakkig wordt ingewerkt |
|
p. |
strodek: |
laag stro die wordt aangebracht op de tuinbouwgrond en gedurende de opkomst van het hoofdgewas wordt gehandhaafd, dan wel slechts opper- |
|
vlakkig wordt ondergewerkt |
||
|
q. |
grasondergroei: |
teeltsysteem waarbij gras wordt ingezaaid tijdens de teelt van een hoofdgewas, leidend tot een grasmat die na de oogst van het hoofdgewas in stand wordt gehouden |