Besluit van de Minister van Justitie van 25 augustus 2004, nr. 5304509/504, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren van politie bij het Korps landelijke politiediensten

Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar KLPD 2004

De Minister van Justitie,
Handelende in overeenstemming met de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van Algemene Zaken, van Buitenlandse Zaken, van Defensie, van Financiën, van Economische Zaken, van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van Verkeer en Waterstaat, van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

Besluit:

Artikel

1

In dit besluit wordt verstaan onder:

  • a.

    KLPD: het Korps landelijke politiediensten;

  • b.

    de buitengewoon opsporingsambtenaar: de buitengewoon opsporingsambtenaar in dienst van het KLPD bedoeld in artikel 2.

Artikel

3

Artikel

4

Op grond van dit besluit kunnen maximaal 700 personen als buitengewoon opsporingsambtenaar worden beëdigd.

Artikel

5

Artikel

6

Artikel

7

De korpschef van het KLPD brengt jaarlijks, voor 1 april, over het jaar daaraan voorafgaand aan de toezichthouder, genoemd in artikel 5 van dit besluit, en de Minister van Justitie verslag uit over:

  • a.

    het aantal buitengewoon opsporingsambtenaren dat op 31 december werkzaam was bij het KLPD en de functies waarin die buitengewoon opsporingsambtenaren werkzaam waren;

  • b.

    de door die buitengewoon opsporingsambtenaren verrichte activiteiten;

  • c.

    de stand van zaken met betrekking tot de opleiding van die buitengewoon opsporingsambtenaren, waarbij in ieder geval wordt aangegeven hoeveel personen in het verslagjaar zijn aangemeld voor het door de Minister van Justitie goedgekeurde examen en hoeveel personen in dat jaar voor dat examen zijn geslaagd;

  • d.

    het aantal buitengewoon opsporingsambtenaren dat op 31 december beschikt over de bevoegdheden op grond van artikel 8, eerste lid, van de Politiewet 1993, artikel 8, eerste en derde lid, van de Politiewet 1993, het aantal uitgereikte geweldsmiddelen alsmede de stand van zaken met betrekking tot de opleiding inzake het gebruik van politiebevoegdheden en geweldsmiddelen.

Artikel

8

De korpschef van het KLPD zendt overeenkomstig artikel 41, tweede lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar 1 januari 2007 aan de Minister van Justitie een verslag over de doeltreffendheid van de aanwijzing van de bij het KLPD werkzame buitengewoon opsporingsambtenaren als politie-boa in de periode van 1 september 2004 tot 1 januari 2007. Dit verslag voldoet aan nader door de Minister van Justitie te stellen voorwaarden.

Artikel

10

De op naam gestelde akten van opsporingsbevoegdheid en beëdiging en de overige benoemingsbescheiden, afgegeven mede op basis van het in artikel 9genoemde besluit, worden voor de duur van hun geldigheid of tot daarover nader zal zijn beslist, geacht te zijn akten en overige benoemingsbescheiden afgegeven mede op basis van het onderhavige besluit.

Artikel

11

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 september 2004 en vervalt op 1 september 2007.

Artikel

12

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar KLPD 2004.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant en het Algemeen Politieblad worden geplaatst.

Den Haag
De Minister van Justitie,
namens deze:
Hoofd Bureau Juridische en Beleidsondersteunende Aangelegenheden, H.Ph.Mayer