Nadere Regeling van de Autoriteit Financiële Markten van 7 februari 2006, houdende regels voor de informatieverstrekking bij complexe producten (Nadere Regeling financiële dienstverlening)

Nadere Regeling financiële dienstverlening

Autoriteit Financiële Markten,

Besluit:

Paragraaf

1

Definities

Artikel

1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    contractuele looptijd: de duur van de overeenkomst inzake het complex product;

  • b.

    guise: gemiddelde uitkering in de slechtste 10 procent van de gevallen, te berekenen als toegelicht in bijlage 4;

  • c.

    kapitaaltoereikendheidstoezicht: wettelijk bedrijfseconomisch toezicht uit hoofde van Richtlijn 93/6/EEG van de Raad van 15 maart 1993 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen, van Richtlijn 2002/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 betreffende levensverzekering, van Richtlijn 2002/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 maart 2002 tot wijziging van Richtlijn 73/239/EEG van de Raad op het gebied van de solvabiliteitsmargevereisten voor schadeverzekeringsondernemingen, van Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende het aanvullende toezicht op kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen en beleggingsondernemingen in een financieel conglomeraat en tot wijziging van de Richtlijnen 73/239/EEG, 79/267/EEG, 92/49/EEG, 92/96/EEG, 93/6/EEG en 93/22/EEG van de Raad en van de Richtlijnen 98/78/EG en 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad of van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de Richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad of ander vergelijkbaar adequaat bedrijfseconomisch toezicht;

  • d.

    netto-rendementspercentage: het percentage dat bij de bepaalde looptijd, gegeven de omvang en frequentie van de inleg, leidt tot de uitkering van het complex product;

  • e.

    onderliggende waarden: effecten waarin de consument direct of indirect met het complex product belegt of doet beleggen;

  • f.

    opbouwproduct: een complex product, dat wordt aangewend om kapitaal te doen groeien, niet zijnde een recht van deelneming als bedoeld in artikel 1, onder d, ten tweede van het Besluit financiële dienstverlening;

  • g.

    opbrengstscenario: voorspelling van de uitkering aan de consument op basis van een bepaald rendement;

  • h.

    overwaardeconstructie: een schuldproduct waarbij een deel van het krediet wordt aangewend ter belegging, niet zijnde aflossing van het krediet;

  • i.

    rentedervingskosten: dat deel van de kosten dat de aanbieder van het complex product in rekening brengt bij of ten laste laat komen van de consument in geval van vervroegde beëindiging en dat verband houdt met gederfde rente-inkomsten;

  • j.

    restschuld: de overblijvende financiële verplichting van de consument jegens de aanbieder van het complex product uit hoofde van een opbouwproduct;

  • k.

    retourprovisie: het gedeelte van de door of ten laste van een beleggingsinstelling voor een dienst van een derde te betalen of betaalde vergoeding dat direct of indirect de ontvanger terugbetaalt;

  • l.

    schuldproduct: een complex product, bestaande uit een combinatie van krediet, met uitzondering van krediet dat wordt aangewend voor het verschaffen van het genot van een complex product dat overwegend tot doel heeft kapitaal te doen groeien, en een bestanddeel, dat wordt aangewend om te voorzien in de gehele of gedeeltelijke aflossing van het krediet;

  • m.

    spaarhypotheek: een complex product dat bestaat uit een combinatie van een hypothecair krediet en een levensverzekering met een garantiekapitaal dat in hoogte overeenkomt met de omvang van het krediet;

  • n.

    uitkering: uitbetaling door de aanbieder van het complex product aan de consument van de waarde van het complex product onder aftrek van kosten bij beëindiging door de consument aangevuld met voor zover van toepassing de onttrekkingen gedaan door de consument vóór beëindiging;

  • o.

    voorbeeldwaarde: de waarde van de opbrengst bij verkoop van het recht van deelneming in de beleggingsinstelling, waarbij verkoopkosten al zijn afgetrokken;

  • p.

    waarde: de som van alle door de consument verrichte betalingen voor het complex product aan de aanbieder plus een bepaald jaarlijks rendement over het deel van die betalingen dat wordt aangewend ten einde rendement te genereren ten behoeve van de consument.

Paragraaf

2

Onverplichte precontractuele informatie bij complexe producten

Artikel

2

Reclame-uitingen

Artikel

3

Voorafgaande informatie

Paragraaf

3

Verplichte precontractuele informatie bij complexe producten niet zijnde rechten van deelneming in een beleggingsinstelling

Artikel

4

Financiële bijsluiter

Artikel

5

Inleiding

Artikel

6

Inhoud product

Artikel

7

Parameters

Artikel

8

Risico-indicator

Artikel

9

Overige financiële risico’s

Artikel

10

Kosten

Artikel

11

Uitkering

Artikel

12

Tussentijdse beëindiging

Paragraaf

4

Verplichte precontractuele informatie bij complexe producten zijnde rechten van deelneming in een beleggingsinstelling

Artikel

13

Financiële bijsluiter

Artikel

14

Inhoud

Een financiële bijsluiter bestaat uit vijf onderdelen:

  • a.

    korte weergave van de beleggingsinstelling;

  • b.

    beleggingsgegevens;

  • c.

    bedrijfsinformatie;

  • d.

    commerciële informatie;

  • e.

    aanvullende informatie.

A. Korte weergave van de beleggingsinstelling

Artikel

15

Beleggingsinstelling

De financiële bijsluiter verschaft een korte weergave van de beleggingsinstelling met betrekking tot:

  • a.

    de beheerder en de financiële groep waartoe de beheerder behoort;

  • b.

    de oprichtingsdatum van de beleggingsinstelling en de vermelding in welke lidstaat de beheerder zijn statutaire zetel heeft;

  • c.

    de bewaarder aan wie de activa van een beleggingsinstelling worden toevertrouwd en welke verantwoordelijkheden hem zijn toegekend;

  • d.

    de externe accountant van de beleggingsinstelling;

    en voor zover van toepassing:

  • e.

    vermelding van het hoofdfonds waar het subfonds onder valt en

  • f.

    de verwachte bestaansduur van de beleggingsinstelling.

B. Beleggingsgegevens

Artikel

16

Doel

De financiële bijsluiter verschaft informatie over het doel van de beleggingsinstelling.

Artikel

17

Maatstaf

Indien een index als vergelijkingsmaatstaf wordt gehanteerd, vermeldt de financiële bijsluiter welke index als maatstaf voor de behaalde resultaten van de beleggingsinstelling wordt gebruikt.

Artikel

18

Beleggingsbeleid

Het door de beleggingsinstelling gevoerde beleggingsbeleid wordt op een duidelijke wijze in de financiële bijsluiter omschreven waarbij tenminste aandacht wordt besteed, voor zover van toepassing, aan de volgende kenmerken:

  • a.

    de door de beleggingsinstelling gebruikte beleggingsinstrumenten waarmee het beleggingsdoel moet worden bereikt;

  • b.

    indien een index wordt gevolgd, op welke wijze het beleggingsbeleid op deze index wordt afgestemd;

  • c.

    de landen en sectoren waarin wordt belegd;

  • d.

    het soort obligatie (bedrijfs- of overheidsobligaties), alsmede de looptijd en ratingvereisten van de obligaties waarin wordt belegd;

  • e.

    de gehanteerde beleggingstrategie die tot gevolg kan hebben dat er zich een situatie voordoet van een zekere concentratie van beleggingen in een bepaald land of een bepaalde sector;

  • f.

    indien in derivaten wordt belegd, wordt aangegeven of deze worden gebruikt ter verhoging van het rendement, ter afdekking van risico’s of een combinatie van beiden;

  • g.

    de garanties die verbonden zijn aan de beleggingsinstelling, alsmede eventuele beperkingen op deze garanties.

Artikel

19

Waarschuwingszinnen

De financiële bijsluiter bevat met betrekking tot de risico’s de volgende tekst: ‘De waardeontwikkeling van de rechten van deelneming in de beleggingsinstelling is afhankelijk van ontwikkelingen op de kapitaal-, effecten-, valuta- en goederenmarkten’ en ‘De mogelijkheid bestaat dat uw belegging in waarde stijgt; het is echter ook mogelijk dat uw belegging weinig tot geen inkomsten zal genereren en dat uw inleg bij een ongunstig koersverloop geheel of ten dele verloren gaat’.

Artikel

20

Financiële risico’s

Artikel

21

Risico-indicator

Een financiële bijsluiter bevat in de directe nabijheid van de informatie over financiële risico’s de risico-indicator voor het opbouwproduct, bedoeld in artikel 8, derde lid en informatie over overige financiële risico’s, bedoeld in artikel 9, derde lid.

Artikel

22

Beleggingsresultaten

C. Bedrijfsinformatie

Artikel

23

Belastingregime

Artikel

24

Kosten

Artikel

25

Overige kosten

De financiële bijsluiter bevat informatie over:

  • a.

    de in- en uitstapkosten die door deelnemers moeten worden betaald bij het verwerven of verkopen van rechten van deelneming in de beleggingsinstelling en

  • b.

    alle overige kosten die niet in de Kostenratio zijn verdisconteerd,

aangevuld met een toelichting.

Artikel

26

Omloopfactor

Artikel

27

Retourprovisies

D. Commerciële informatie

Artikel

28

Overige informatie

De financiële bijsluiter bevat informatie, voor zover van toepassing, over de volgende kenmerken:

  • a.

    de frequentie van prijsstellingen en waar deze prijsstellingen worden gepubliceerd;

  • b.

    de mogelijkheden en, voor zover van toepassing, de kosten om binnen een beleggingsinstelling te veranderen van sub-fonds;

  • c.

    het dividendbeleid van de beleggingsinstelling;

  • d.

    de mogelijkheid om uit de beleggingsinstelling te stappen.

E. Aanvullende informatie

Artikel

29

Verdere informatie

Paragraaf

5

Wijzigingen overige regelgeving

Paragraaf

6

Slotbepalingen

Artikel

31

Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel

32

Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Nadere Regeling financiële dienstverlening.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Amsterdam
Voorzitter, A.W.H.Docters van Leeuwen
Bestuurslid, A.W.Kist

Bijlage

1

Model voor risico-indicator in reclame

1. Schriftelijke reclame-uiting of reclame-uiting op internet

2. Reclame-uiting op televisie

Bijlage

2

Model voor schuldproduct

1. Algemeen

2. Overwaardeconstructie

Bijlage

3

Model voor opbouwproduct

1. Algemeen

2. Direct ingaande lijfrente

Bijlage

4

Toelichting op de berekening van de ‘guise’

De GUISE is de Gemiddelde Uitbetaling In geval van Slechte Eventualiteiten. Dit wordt gedefinieerd als de gemiddelde uitbetaling in de slechtste 10% van de gevallen. De slechtste 10% van de gevallen kunnen bepaald worden onder aanname van log-normaal verdeelde rendementen met parameters μ (gemiddelde) en σ (standaarddeviatie, ook wel volatiliteit) voor rendementen van de onderliggende waarden waarin belegd wordt. De te gebruiken parameters voor verschillende onderliggende waarden, alsmede enkele bepalingen in welke gevallen welke klasse van onderliggende waarden moet worden gekozen, zijn te vinden in Bijlage 5.

Voor de daadwerkelijke berekening van de GUISE, is de volgende benadering te gebruiken:

GUISE ≈ 0.3125 * waarde 1%-kans-scenario + 0.4375 * waarde 5%-kans-scenario + 0.25 * waarde 10%-kans-scenario (1)

De bepaling van de waarde van deze drie scenario’s kan direct via kansrekening. Hieronder wordt aangegeven hoe dit zonder complexe berekeningen kan worden geïmplementeerd. Er worden tabellen beschikbaar gesteld die aangeven voor iedere beleggingsklasse, en iedere looptijd wat het gemiddelde jaarrendement is waarmee moet worden gerekend om op het betreffende scenario (1%, 5% of 10%) uit te komen. Deze zijn uiteraard al gebaseerd op de genoemde parameters μ en σ.

Het betreft de volgende tabellen:

Tabel 1: 1%-scenario, jaarrendementen bij eenmalige inleg;

Tabel 2: 5%-scenario, jaarrendementen bij eenmalige inleg;

Tabel 3: 10%-scenario, jaarrendementen bij eenmalige inleg;

De uitbetalingen bij de verschillende rendementen na aftrek van alle kosten, kunnen direct berekend worden op basis van deze rendementen. De GUISE kan dan berekend worden door het gewogen gemiddelde te nemen overeenkomstig formule (1).

In sommige gevallen kan dit nog aanzienlijk verder vereenvoudigd worden. Dit wordt hieronder aangeven. Hiertoe is van belang onderscheid te maken tussen lineaire producten en niet-lineaire producten. Binnen deze twee mogelijkheden bestaat er, indien relevant, onderscheid tussen producten met een eenmalige inleg en producten met een periodieke inleg. Lineaire producten zijn producten zonder derivaten (ofwel opties en garanties en dergelijke). Niet-lineaire producten zijn dus producten die wel derivaten als onderdeel hebben van het product of de constructie.

Lineaire producten

Naast de benadering in formule (1), is het voor lineaire producten ook mogelijk om de volgende benadering te gebruiken:

GUISE ≈ waarde 3,86%-kans-scenario (2)

Hierdoor is het voor al deze producten niet nodig om de waarde van drie afzonderlijke scenario’s te berekenen en vervolgens het gewogen gemiddelde te nemen. De berekening kan direct plaatsvinden op basis van één scenario. Er zijn tabellen beschikbaar gesteld die direct per beleggingsklasse en looptijd het rendement geven waarmee gerekend moet worden om direct op de GUISE uit te komen. Dit gebeurt door met het aangegeven rendement bij de betreffende looptijd voor de juiste beleggingsklasse te rekenen als jaarlijks rendement1Deze berekening is qua complexiteit volledig vergelijkbaar met de huidige berekening van de pessimistisch rendementskolom. De tabelwaarden zijn anders, en er moet aandacht aan gegeven worden dat alle kosten in mindering worden gebracht.. Als dan de kosten in mindering worden gebracht, resulteert direct de GUISE.

De betreffende percentages zijn gegeven in de volgende tabellen2Mocht er behoefte bestaan aan tabellen voor niet-lineaire producten met een periodieke inleg gecombineerd met opties, dan zullen die worden toegevoegd.:

Tabel 4a: GUISE-rendement-scenario, jaarrendementen bij eenmalige inleg;

Tabel 4b: GUISE-rendement-scenario, jaarrendementen bij periodieke inleg;

Voor producten met een eenmalige inleg is verdere vereenvoudiging mogelijk.

Het is mogelijk om direct de GUISE berekenen voor een bepaalde looptijd t, bij de parameters μ en σ met behulp van de volgende formule:

Hierbij is van belang de kosten juist in rekening te brengen.

Eenmalige kosten aan het begin die dus ook niet belegd worden kunnen direct in mindering worden gebracht op de eenmalige inleg;

Eenmalige kosten aan het eind, die ingehouden worden op de opgebouwde waarde kunnen in mindering gebracht worden op de resulterende guise;

Doorlopende kosten kunnen in mindering worden gebracht op het gemiddelde volume, dat benaderd kan worden op basis van het begin- en eindvolume. Bij sterk variërende kostenpercentages (bijvoorbeeld afhankelijk van tijd of waarde) is deze directe benadering, met behulp van formule (3), niet te gebruiken.

Niet-lineaire producten

Voor niet-lineaire producten moet worden gewerkt met de bepaling als in formule (1), tenzij de optie-elementen niet worden gewaardeerd zodat een lineair product resulteert. Dit laatste (het niet meenemen van de optie-elementen) is alleen toegestaan indien het meenemen tot een hogere uitbetaling zou leiden. Dit leidt dan tot een pessimistischer schatting van de uitbetaling en daarmee tot een hogere inschatting van het risico.

In principe kan de waarde worden bepaald met behulp van de rendementen als aangegeven in de tabellen 1–3. De niet-lineaire elementen worden gewaardeerd op dezelfde wijze zoals ze ook met de klant worden verrekend. Dit betekent dat het slechts een niet-lineair product is bij tussentijdse looptijden indien de optiewaarde bij vervroegde beëindiging ook daadwerkelijk met de klant wordt verrekend. Indien dit niet het geval is, kan volstaan worden met de eenvoudige berekening voor lineaire producten zoals hierboven beschreven. Bij de contractuele looptijd is de verrekening van het niet-lineaire element vaak eenvoudig aangezien het een bepaling is van het al dan niet ‘in the money’ zijn van de optie en het corrigeren van de GUISE hiervoor.

Voor garantieproducten is het overigens toegestaan om de garantie mee te nemen en toch alleen te werken met de rendementen gebaseerd op formule (2), dus zoals weergegeven in tabellen 4. Hierbij wordt de GUISE echter iets onderschat3Dit leidt tot een iets eenvoudiger invoering van de risico-indicator en pessimistisch rendementsberekeningen, wat wellicht kosten iets reduceert, terwijl de toegevoegde waarde van het werken met drie scenario’s voor garantieproducten beperkt is indien de waarde van de garantie redelijk beperkt is bij tussentijdse beëindiging. .

Ook voor de berekeningen van de GUISE mogen garanties slechts dan worden meegenomen indien de instelling die de garanties afgeeft onder kapitaaltoereikendheidstoezicht of ander vergelijkbaar adequaat bedrijfseconomisch toezicht valt.

Additionele tabellen die mogelijk leiden tot eenvoudiger implementatie

In plaats van te rekenen met jaarrendementen, kan het in sommige gevallen eenvoudiger zijn om direct de GUISE te gebruiken. Dit is toepasbaar indien de kostenstructuren vrij eenvoudig zijn (dit wil zeggen: inhoudingen op inleg of kostenpercentages over de waarde niet variërend over de tijd of de portefeuilleomvang).

Indien dit gewenst is kan gebruik worden gemaakt van de volgende tabellen die direct de GUISE geven bij iedere looptijd en beleggingsklasse.

Tabel 5a: GUISE per looptijd bij € 1000 eenmalige inleg;

Tabel 5b: GUISE per looptijd bij € 100 inleg per maand;

Deze GUISE’s moeten nog worden gecorrigeerd voor de kosten door de bedragen die worden ingehouden en niet belegd in mindering te brengen op de inleg, en de overige kosten van de ultimo waarde (indien inhoudingen aan het eind) of de gemiddelde waarde (bij jaarlijkse kosten als percentage van de waarde) af te halen.

Bijlage

5

Bepaling van de beleggingsklasse en parameters

Voor de berekening van de ‘guise’ wordt gebruik gemaakt van parameters μ (gemiddelde) en σ (standaarddeviatie, ook wel volatiliteit) van de rendementen van de onderliggende waarden. Bij berekening van de GUISE op basis van de tabellen zijn de parameterwaarden van de verschillende beleggingscategorieën uiteraard al verwerkt. In die gevallen is het van belang om de juiste beleggingsklasse te bepalen (op basis van de onderliggende waarden waarin belegd wordt). Voor beleggingsinstellingen is het toegestaan om gebruik te maken van fondsspecifieke parameters μ en σ indien de instelling over genoeg fondsspecifieke historie beschikt.

1. Bepaling beleggingsklasse

De beleggingsklasse die moet worden gehanteerd bij het kiezen van de parameters, dan wel het raadplegen van de tabellen, geschiedt als volgt.

De hiernavolgende zes verschillende beleggingsklassen worden onderscheiden. Een fonds of belegging valt binnen een bepaalde categorie als overwegend in de betreffende categorie wordt geïnvesteerd. Overwegend heeft hier de betekenis van meer dan 70%.

  • 1.

    beleggingen in deposito’s en geldmarktfondsen;

  • 2.

    beleggingen in investment grade obligaties/obligatiefondsen in OESO-landen;

  • 3.

    vastgoedfondsen/beleggingen in vastgoed;

  • 4.

    mixfondsen/gemengde beleggingen;

  • 5.

    breed gespreide beleggingen in aandelen/aandelenfondsen; breed gespreide beleggingen in obligaties/obligatiefondsen voor zover niet ingedeeld in categorie 2 en

  • 6.

    emerging country en emerging sector fondsen/beleggingen; beperkt gespreide aandelenfondsen/beleggingen; beleggingen in niet-liquide aandelen; ‘low grade’ investments; beperkt gespreide beleggingen in obligaties/obligatiefondsen voor zover niet ingedeeld in categorie 2; beleggingen in grondstoffen/natuurproducten.

Categorie 1 zijn de beleggingen in overwegend deposito’s, verhandelbaar geldmarktpapier en kortlopende obligaties.

In categorie 2 vallen de fondsen en beleggingen die overwegend beleggen in obligaties en obligatiefondsen in OESO-landen. Het gaat hierbij om ‘investment grade’ obligaties, dat wil zeggen beleggingen die een hoge waardering krijgen van bureaus die de kredietwaardigheid van onder andere bedrijven inschatten.

Bij categorie 3, vastgoedfondsen en beleggingen in vastgoed, wordt overwegend belegd in vastgoed, ongeacht de landen waar het vastgoed zich bevindt in OESO-landen, niet zijnde een beleggingsobject als bedoeld in artikel 1, onder d, ten vijfde van het Besluit financiële dienstverlening.

Categorie 4 betreft de ‘Mixfondsen’, de zogenaamde gemengde fondsen of beleggingen. Gemengde fondsen of beleggingen hebben een spreiding over meerdere (mogelijk alle 5) andere categorieën. Onder een mixfonds of gemengde belegging wordt verstaan: een belegging in meerdere categorieën, waaronder minimaal één belegging in de categorie 1, 2 of 3 en één belegging in de categorie 5 of 6 en waarbij maximaal 70% in de categorieën 1, 2 en 3 tezamen (waarvan minimaal de helft in categorie 1 of 2), dan wel maximaal 70% in de categorieën 5 en 6 tezamen (waarvan minimaal de helft in categorie 5) wordt belegd. Indien de gezamenlijke belegging in de ‘hoog risico’- of de ‘laag risico’-categorieën meer dan 70% van de portefeuille beslaat, is er echter sprake van een situatie waarbij overwegend in de betreffende categorieën wordt geïnvesteerd. Er is dan geen sprake van een mixfonds/gemengde belegging en er moet dan aansluiting worden gezocht bij deze categorieën.

Categorie 5 betreft de breed gespreide beleggingen in aandelen/aandelenfondsen. Een fonds is een breed gespreid aandelenfonds als overwegend wordt belegd in meerdere grote bedrijven uit verschillende sectoren gevestigd in OESO-landen. Een fonds dat bijvoorbeeld investeert in grote ondernemingen in verschillende sectoren in de VS valt in deze categorie. Ook breed gespreide beleggingen in obligaties en obligatiefondsen, voor zover deze obligaties niet vallen onder categorie 2, vallen onder categorie 5.

Categorie 6 betreft de beleggingen met significant hogere risico’s dan de beleggingen in de andere categorieën, zoals de emerging market of emerging sector fondsen/beleggingen en beperkt gespreide aandelenfondsen/beleggingen. Bij emerging markets wordt gedacht aan opkomende landen met soms een nog in opkomst zijnde aandelenmarkt. Het gaat hierbij om niet OESO-landen. Bij emerging sector fondsen wordt bijvoorbeeld gedacht aan fondsen die beleggen in vaak kleinere bedrijven, eventueel binnen de OESO-landen. Voorbeelden van deze bedrijven zijn ICT-, internet-, kleinere telecommunicatie- en biotechnologie bedrijven. Bij een beperkt gespreid fonds of beperkt gespreide beleggingen wordt bijvoorbeeld gedacht aan investeringen in één sector en (cumulatief) in één of een beperkt aantal landen.

Ook beleggingen in niet-liquide aandelen, ‘low grade’ investments (aandelen die een lage waardering krijgen van bureaus die de kredietwaardigheid van o.a. bedrijven inschatten) en beleggingen in grondstoffen/natuurproducten (zoals teakfondsen) vallen onder categorie 6. Beperkt gespreide beleggingen in obligaties en obligatiefondsen, voor zover deze obligaties niet vallen onder categorie 2, vallen eveneens onder categorie 6.

Het bovenstaande geeft een handvat voor het bepalen van de categorie op basis waarvan het voorbeeld rendement moet worden berekend. Er kunnen wellicht beleggingen zijn die buiten deze categorieën vallen. In dat geval moet aangesloten worden bij die categorie die de meeste overeenkomsten vertoont met de concrete belegging.

Indien er sprake is van een 50% investering in beleggingscategorie 2 (beleggingen in investment grade obligaties/obligatiefondsen in OESO-landen) en een 50% investering in beleggingscategorie 3 (vastgoedfondsen/beleggingen in vastgoed) moet, in geval van ‘vaste verhoudingen’ in de samenstelling van de belegging (50% investering in categorie 2 en 50% investering in categorie 3 bijvoorbeeld), op basis van een gewogen gemiddelde van de betreffende beleggingscategorieën, de corresponderende percentages van de tabellen worden gehanteerd. Deze ‘vaste verhoudingen’ regel geldt ook in geval van een kleine ‘range’ (bijvoorbeeld 40–50% investering in beleggingscategorie 1 en 50–60% investering in beleggingscategorie 2).

Bovenstaande beleidsregels worden alleen dan toegepast wanneer de twee kolommen, die in een vaste verhouding tot elkaar staan, elkaars ‘directe buren’ zijn (kolom 1 en 2, kolom 2 en 3 en kolom 5 en 6). Wanneer er immers sprake is van een ‘mix’ tussen kolom 1, 2 of 3 en kolom 5 of 6 dan geldt de ‘mix’ tabel. Indien geen sprake is van vaste verhoudingen in de samenstelling van de belegging en de belegging is ook niet te rubriceren onder de ‘mix’categorie, dan dient de belegging gecategoriseerd te worden in de hoogste beleggingscategorie waarin wordt belegd.

Een voorbeeld ter verduidelijking. Een belegging is als volgt samengesteld: 0–40% investering in categorie 1, 25–60% investering in categorie 2, 0–75% investering in categorie 3. Deze belegging wordt gerubriceerd in beleggingscategorie 3. Voor de corresponderende pessimistische jaarrendementen dient in dit voorbeeld gebruik te worden gemaakt van de percentages die vermeld staan in kolom 3 van de tabellen.

Bij twijfel valt een belegging in de categorie met het hoogste rangnummer. Bij twijfel of een fonds een gespreid aandelenfonds is of een mixfonds, valt het dus in de categorie gespreide aandelenfondsen en krijgt dan de daarbij behorende voorbeeldrendementen.

Een fonds wordt geacht een valutarisico te hebben als aanmerkelijke posities (ontvangsten/bezittingen) bestaan die niet luiden in Euro. Als aanmerkelijk wordt beschouwd een percentage van meer dan 15%.

Voor alle categorieën geldt dat wordt doorgekeken naar de onderliggende investering. Een fonds dat overwegend belegt in aandelen van vastgoedfondsen valt dus in categorie 3 (vastgoed fondsen) en niet in categorie 5.

De parameters voor de betreffende beleggingscategorieën zijn als volgt:

Tabel 0

1. Deposito

3,7 %

0,6 %

10,4 %

2. Obligatie

4,2 %

4,4 %

11,3 %

3. Vastgoed

6,7 %

11,8 %

15,7 %

4. Mixfonds

6,2 %

12,9 %

16,6 %

5. Aandelen

8,3 %

25,5 %

27,5 %

6. Emerging

8,3 %

30,5 %

32,2 %

Welke beleggingsklasse is gekozen bij het maken van de financiële bijsluiter, moet in de financiële bijsluiter worden toegelicht. Met andere woorden, de aannames moeten worden vermeld. Deze aannames worden aangegeven in de inleiding van de financiële bijsluiter. Hieronder wordt in tabel 1 en 2 aangegeven welke keuze gemaakt moet worden naar gelang de beleggingsklasse, zoals voorgeschreven in artikel 5 lid 1 en 3.

Tabel 1

1

, met 100% beleggingen in deposito’s

2

, met 100% beleggingen in obligaties

3

, met 100% beleggingen in vastgoed

4

, met 50% beleggingen in aandelen en met 50% beleggingen in obligaties

5

, met 100% beleggingen in aandelen

6

, met 100% beleggingen in emerging markets

Tabel 2

1

en met 100% beleggingen in deposito’s

2

en met 100% beleggingen in obligaties

3

en met 100% beleggingen in vastgoed

4

en met beleggingen in een mix van aandelen en obligaties. Hierbij wordt uitgegaan van 50% beleggingen in aandelen en 50% beleggingen in obligaties

5

en met 100% beleggingen in aandelen.

6

en met 100% beleggingen in emerging markets

Indien de samenstelling van de beleggingsportefeuille over de looptijd van het complex product varieert, kan de aanbieder van het complex product werken met de gewogen gemiddelde samenstelling van de beleggingsportefeuille over de betreffende looptijd.

2. Bepaling fondsspecifieke parameters

Indien een beleggingsinstelling over voldoende historie beschikt kan deze zijn fondsspecifieke parameters gebruiken. De parameters worden dan als volgt bepaald, afhankelijk van het aantal jaren historie.

μ = μFB in jaar 1 tot en met 3

= μFB * (20-i)/20 + μF * i/20 in jaar i, met i = 4,…,19 en

= μF in jaren 20 en meer, en

σ = σFB in jaar 1 tot en met 4

= σF in jaren 5 en meer, en

waarbij:

μFB, σFB de standaardparameters is zoals gehanteerd bij de FB, en

μF het gemiddelde fondsrendement inhoudt, en

σFde standaarddeviatie van het fondsrendement inhoudt.

De fondsparameters worden bepaald als:

en (6)

waarbij

rj = het maandrendement in historie maand j, en

n = het aantal maanden historie, met een maximum van 12*20 = 240

m = 12*4 = 48

Opgemerkt wordt dat altijd de meest recente historie moet worden gebruikt en dat de parameters minimaal moeten worden geactualiseerd eens per vierentwintig kalendermaanden dan wel vaker indien de gebruikte parameters door omstandigheden of veranderingen niet meer representatief zijn.