Artikel
1
In deze regeling wordt verstaan onder:
-
a.
administratieve kosten: de kosten die zijn gemaakt in het kader van het administreren van het beleggingsobject;
-
b.
andere voordelen: andere posten dan opbrengsten die aan de definitie van baten voldoen;
-
c.
baten: vermeerderingen van het economisch potentieel gedurende de verslagperiode in de vorm van instroom van nieuwe of verhoging van bestaande activa, dan wel vermindering van vreemd vermogen, een en ander uitmondend in een toename van het eigen vermogen;
-
d.
beheerskosten: de kosten die zijn gemaakt om het beleggingsobject in stand te houden (onderhoud);
-
e.
beleggingsobjectkosten: geprognosticeerde en/of eventuele reeds gemaakte administratieve kosten, beheers-, productie- en verkoopkosten, alsmede de geprognosticeerde en/of reeds voldane rentelasten;
-
f.
besluit: Besluit financiële dienstverlening;
-
g.
contractuele looptijd: de duur van de overeenkomst inzake het complex product;
-
h.
guise: gemiddelde uitkering in de slechtste 10 procent van de gevallen, te berekenen als toegelicht in bijlage 4;
-
i.
ingelegde gelden: het totaal van gelden belegd door consumenten voor het verkrijgen van beleggingsobjecten;
-
j.
kapitaaltoereikendheidstoezicht: wettelijk bedrijfseconomisch toezicht uit hoofde van Richtlijn 93/6/EEG van de Raad van 15 maart 1993 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen, van Richtlijn 2002/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 betreffende levensverzekering, van Richtlijn 2002/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 maart 2002 tot wijziging van Richtlijn 73/239/EEG van de Raad op het gebied van de solvabiliteitsmargevereisten voor schadeverzekeringsondernemingen, van Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende het aanvullende toezicht op kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen en beleggingsondernemingen in een financieel conglomeraat en tot wijziging van de Richtlijnen 73/239/EEG, 79/267/EEG, 92/49/EEG, 92/96/EEG, 93/6/EEG en 93/22/EEG van de Raad en van de Richtlijnen 98/78/EG en 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad of van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de Richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad of ander vergelijkbaar adequaat bedrijfseconomisch toezicht;
-
k.
netto-rendementspercentage: het percentage dat bij de bepaalde looptijd, gegeven de omvang en frequentie van de inleg, leidt tot de uitkering van het complex product;
-
l.
onderliggende waarden: effecten waarin de consument direct of indirect met het complex product belegt of doet beleggen;
-
m.
opbouwproduct: een complex product, dat wordt aangewend om kapitaal te doen groeien, niet zijnde een recht van deelneming als bedoeld in artikel 1, onder d, ten tweede van het Besluit financiële dienstverlening;
-
n.
opbrengsten: baten die ontstaan bij uitvoering van de normale activiteiten van een onderneming;
-
o.
opbrengstscenario: voorspelling van de uitkering aan de consument op basis van een bepaald rendement;
-
p.
overwaardeconstructie: een schuldproduct waarbij een deel van het krediet wordt aangewend ter belegging, niet zijnde aflossing van het krediet of een combinatie van een schuldproduct en een onttrekkingsdepot dat dient ter financiering van inkomensaanvulling;
-
q.
productiekosten: de kosten die zijn gemaakt in het kader van het verhogen van het economisch potentieel dan wel de waarde van het beleggingsobject;
-
r.
rentedervingskosten: dat deel van de kosten dat de aanbieder van het complex product in rekening brengt bij of ten laste laat komen van de consument in geval van vervroegde beëindiging en dat verband houdt met gederfde rente-inkomsten;
-
s.
restschuld: de overblijvende financiële verplichting van de consument jegens de aanbieder van het complex product uit hoofde van een opbouwproduct;
-
t.
retourprovisie: het gedeelte van de door of ten laste van een beleggingsinstelling voor een dienst van een derde te betalen of betaalde vergoeding dat direct of indirect de ontvanger terugbetaalt;
-
u.
schuldproduct: een complex product, bestaande uit een combinatie van krediet, met uitzondering van krediet dat wordt aangewend voor het verschaffen van het genot van een complex product dat overwegend tot doel heeft kapitaal te doen groeien, en een bestanddeel, dat wordt aangewend om te voorzien in de gehele of gedeeltelijke aflossing van het krediet;
-
v.
spaarbeleggingsproduct: een opbouwproduct dat bestaat uit een combinatie van een spaar- en een beleggingsrekening;
-
w.
spaarhypotheek: een complex product dat bestaat uit een combinatie van een hypothecair krediet en een levensverzekering met een garantiekapitaal dat in hoogte overeenkomt met de omvang van het krediet;
-
x.
uitkering: uitbetaling door de aanbieder van het complex product aan de consument van de waarde van het complex product onder aftrek van kosten bij beëindiging door de consument aangevuld met voor zover van toepassing de onttrekkingen gedaan door de consument vóór beëindiging;
-
y.
verkoopkosten: de kosten die direct kunnen worden gerelateerd aan de verkoop van het beleggingsobject aan de consument;
-
z.
voorbeeldwaarde: de waarde van de opbrengst bij verkoop van het recht van deelneming in de beleggingsinstelling, waarbij verkoopkosten al zijn afgetrokken;
-
aa.
waarde: de som van alle door de consument verrichte betalingen voor het complex product aan de aanbieder plus een bepaald jaarlijks rendement over het deel van die betalingen dat wordt aangewend ten einde rendement te genereren ten behoeve van de consument.