Artikel
I
Wijzigt de Wet op de Jeugdzorg.
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Wijzigt de Wet op de Jeugdzorg.
Wijzigt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
De besluiten van het provinciebestuur van Zuid-Holland, onderscheidenlijk Noord-Holland waarbij de provinciale besturen de bevoegdheden inzake de uitvoering van hun taken in het kader van de jeugdhulpverlening op grond van artikel 20 van de Kaderwet bestuur in verandering hebben overgedragen aan het bestuur van de regionale lichamen van de samenwerkingsgebieden waarin Rotterdam of 's-Gravenhage, onderscheidenlijk Amsterdam zijn gelegen, hebben te rekenen van 1 januari 2005 betrekking op jeugdzorg in het kader van de Wet op de jeugdzorg.
De besluiten, bedoeld in het eerste lid, zijn van het tijdstip dat de Wijzigingswet Wgr-plus in werking treedt af, gebaseerd op artikel 104 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.
Artikel I, onderdeel D en E, treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. De overige onderdelen van artikel I en de artikelen II en IIa treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, met dien verstande dat artikel II, alsmede de onderdelen A, C, F en G van artikel I terugwerken tot en met 1 januari 2005 en onderdeel B van dat artikel tot 1 januari 2006.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.