De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van strafbare feiten bij overtredingen van:
-
a.
de in de artikel 1 van de Wet op de economische delicten genoemde bepalingen van de volgende wetten:
-
b.
de wetten, genoemd in artikel 1a van de Wet op de economische delicten;
-
c.
de in artikel 23a van de Wet op de economische delicten genoemde bepalingen van de volgende wetten:
-
d.
de delicten, strafbaar gesteld in de artikelen 170, 171, 172, 173, 173a, 173b, 177 en 177a, 179, 180, 181, 182, 184, 225, 227, 227a en 227b, 266, 267, 328ter, 359, 360, 361, 362, 363, 365, 366, 435, vierde lid, 437, 437quater, 447c, 447d, 447e, 462 en 463 van het Wetboek van Strafrecht;
-
e.
artikel 84 van de Huisvestingswet;
-
f.
artikel 62 van de Waterleidingwet;
-
g.
artikel 23 van de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden;
-
h.
artikel 38 van de Wet op de openluchtrecreatie;
-
i.
artikelen 46 en 47 van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing;
-
j.
artikelen 105a, 106, 107, 108, 109 en 110, eerste lid, van de Woningwet;
-
k.
de delicten tegen opsporingsambtenaren, strafbaar gesteld in de artikelen 177, 177a, 180, 181, 182, 184, 225, 227, 227a, 227b, 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht;
-
l.
het delict tegen opsporingsambtenaren, strafbaar gesteld in artikel 26 van de Wet op de economische delicten;
-
m.
de verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschappen (EVOA, PbEG L 30).