Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 februari 2008, nr. SV/R&S/08/4677, tot het verstrekken van loonkostensubsidie bij het in dienst nemen van niet-uitkeringsgerechtigde herbeoordeelden (Tijdelijke regeling brugbanen niet-uitkeringsgerechtigde herbeoordeelden)
die op de dag voorafgaand aan de eerste dag van de dienstbetrekking met betrekking waartoe loonkostensubsidie wordt aangevraagd, geen uitkering ontvangt op grond van een wet waaraan uitvoering wordt gegeven door het UWV of de Wet werk en bijstand; en
Het UWV kan op aanvraag aan de werkgever die met een niet-uitkeringsgerechtigde herbeoordeelde, die een indicatiebeschikking heeft als bedoeld in het derde lid, een dienstbetrekking, niet zijnde een dienstbetrekking als bedoeld in hoofdstuk 2 of 3 van de Wet sociale werkvoorziening, aangaat of is aangegaan na de inwerkingtreding van deze regeling, subsidie voor loonkosten verlenen indien de dienstbetrekking een duur van ten minste twaalf maanden heeft.
2
Indien de dienstbetrekking, bedoeld in het eerste lid, een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 690 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek betreft, verstrekt het UWV slechts subsidie indien de derde, in wiens opdracht de niet-uitkeringsgerechtigde herbeoordeelde ter beschikking wordt gesteld om arbeid te verrichten, zich jegens de werkgever verplicht de niet-uitkeringsgerechtigde herbeoordeelde tenminste twaalf maanden arbeid te laten verrichten.
3
Het UWV kan van de niet-uitkeringsgerechtigde herbeoordeelde vaststellen dat hij in aanmerking komt voor toepassing van het eerste lid, indien het UWV van oordeel is dat met het oog op de inschakeling in de arbeid geen andere voorziening of instrument meer geschikt is. De vaststelling, bedoeld in de eerste zin, geschiedt bij indicatiebeschikking.
4
Het UWV verstrekt de subsidie slechts:
a.
indien naar het oordeel van het UWV reële behoefte bestaat aan de arbeid die op grond van de dienstbetrekking, bedoeld in het eerste lid, zal worden verricht en die arbeid geen additionele arbeid betreft;
b.
indien er naar het oordeel van het UWV een reëel uitzicht is op continuering van de dienstbetrekking voor ten minste zes maanden na afloop van de periode waarover de loonkostensubsidie wordt verstrekt, dan wel op een op die dienstbetrekking aansluitende dienstbetrekking van dezelfde of grotere omvang voor ten minste zes maanden; en
Onder additionele arbeid als bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, wordt verstaan primair op de arbeidsinschakeling gerichte arbeid of het naast of in aanvulling op reguliere arbeid verrichten van werkzaamheden die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.
De subsidie kan voor maximaal twaalf maanden worden verstrekt.
Artikel
3
Samenloop loonkostensubsidie met ziekengeld
Indien de niet-uitkeringsgerechtigde herbeoordeelde, bedoeld in artikel 2, ziekengeld ontvangt op grond van de Ziektewet wordt het, naar werkdagen herleide, aan de werkgever verstrekte subsidiebedrag, bedoeld in artikel 2, verminderd met dit ziekengeld.
Artikel
4
Subsidieplafond
Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor de periode 1 februari 2008 tot en met 31 december 2010 € 3,8 miljoen.
Artikel
5
Aanvraag indien dienstbetrekking reeds is aangevangen
Indien de dienstbetrekking, bedoeld in artikel 2, eerste lid, is aangegaan alvorens een aanvraag om subsidie voor loonkosten met betrekking tot die dienstbetrekking wordt ingediend, wordt de aanvraag om subsidie uiterlijk binnen drie maanden na de eerste dag van het verrichten van arbeid ingediend.
Artikel
6
Uitvoering
In de uitvoering van deze regeling wordt voorzien door het UWV.
Artikel
7
Financiering
1
In de middelen tot dekking van de uitgaven verbonden aan deze regeling wordt voorzien door het Rijk.
Het UWV beheert en administreert afzonderlijk de middelen, bedoeld in het eerste lid.
5
Met inachtneming van het zesde lid brengt het UWV de uitgaven voor de subsidies en de uitvoeringskosten in rekening bij de Minister.
6
Uiterlijk op de vijftiende dag van de eerste maand van een kwartaal verstrekt het UWV aan de Minister een opgave van de gerealiseerde uitgaven verbonden aan de uitvoering van deze regeling over het afgelopen kwartaal. In deze opgave worden afzonderlijk vermeld:
a.
het totaalbedrag aan uitbetaalde subsidies op grond van deze regeling inclusief de uitgaven en ontvangsten die betrekking hebben op wettelijke rente, proceskosten en rentelasten, en
b.
het totaalbedrag aan gerealiseerde uitvoeringskosten op grond van deze regeling.
7
Met als valutadag de vijftiende dag van de eerste maand van een kwartaal draagt de Minister de gerealiseerde uitgaven, bedoeld in het zesde lid, af aan het UWV. De Minister kan, na overleg met het UWV, van het bedrag aan gerealiseerde uitgaven afwijken.
8
Uiterlijk op 1 juni dient het UWV de afrekening over het afgelopen kalenderjaar bij de Minister in.
9
In de afrekening, bedoeld in het twaalfde lid, wordt, op basis van de jaarrekening, bedoeld in artikel 49 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, de kasstroom inzichtelijk gemaakt, en deze wordt afzonderlijk vermeld voor de subsidies op grond van deze regeling inclusief de uitgaven en ontvangsten die betrekking hebben op wettelijke rente, proceskosten en rentelasten alsmede voor de uitvoeringskosten verbonden aan de uitvoering van deze regeling.
10
Op grond van de afrekening, bedoeld in het negende lid, vindt voor 15 juli een betaling plaats ten gunste of ten laste van het UWV.
11
De Minister stelt jaarlijks voor 31 oktober de omvang van de middelen tot dekking van de uitgaven ter uitvoering van deze regeling vast, gespecificeerd overeenkomstig het zesde lid.