Artikel
1
In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar, de door het College van Gedeputeerde Staten van Utrecht aangestelde buitengewoon opsporingsambtenaar werkzaam bij de Afdeling Handhaving van de provincie Utrecht.
Besluit:
In dit besluit wordt verstaan onder buitengewoon opsporingsambtenaar, de door het College van Gedeputeerde Staten van Utrecht aangestelde buitengewoon opsporingsambtenaar werkzaam bij de Afdeling Handhaving van de provincie Utrecht.
Maximaal 40 personen werkzaam bij de Afdeling Handhaving van de provincie Utrecht in de functie van provinciaal handhaver en belast met de opsporing van strafbare feiten, zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar.
De buitengewoon opsporingsambtenaar genoemd in artikel 1, is bevoegd tot opsporing van feiten strafbaar gesteld bij of krachtens:
de in artikel 1a van de Wet op de economische delicten (WED) genoemde wetten alsmede de artikelen 26, 33 en 34 van de WED; de Wet Ruimtelijke Ordening; de Woningwet; de Visserijwet 1963; de Wet op de openluchtrecreatie; de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden; de Plantenziektewet; de Veewet; de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren; het Besluit gebruik meststoffen; artikel 45 Luchtverkeersreglement; het Binnenvaartpolitiereglement; de Binnenschepenwet; de Wegenverkeerswet 1994; artikel 2 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (i.v.m. onverzekerd crossen);
de artikelen 141, 157, 158, 161 t/m 163, 173, 173a, 173b, 174, 175, 177, 177a, 179, 180, 181, 182, 184, 198, 199, 225, 239, 266, 267, 284, 285, 310, 311, 314, 315, 350, 351, 351 bis, 352, 424 t/m 429, 430a, 435, onder ten vierde, 447e en 458 t/m 461 van het Wetboek van Strafrecht en verordeningen en/of Keuren voor zover betrokkene daarvoor door het bevoegde bestuursorgaan is aangewezen.
De buitengewoon opsporingsambtenaar is tevens bevoegd tot het opsporen van andere strafbare feiten, indien en voor zover hij daarmee in een concreet opsporingsonderzoek door een officier van justitie is belast voor de duur van dat onderzoek.
Het College van Gedeputeerde Staten van Utrecht of namens hen het hoofd van de Afdeling Handhaving van de provincie Utrecht brengt jaarlijks, voor 1 april, over het jaar daaraan voorafgaand aan de Minister van Justitie verslag uit over:
het aantal buitengewoon opsporingsambtenaren dat op 31 december werkzaam was binnen de dienst;
de door die buitengewoon opsporingsambtenaren verrichte activiteiten;
de stand van zaken met betrekking tot de opleiding van die buitengewoon opsporingsambtenaren, waarbij in ieder geval wordt aangegeven hoeveel personen in het verslagjaar zijn aangemeld voor het door de Minister van Justitie goedgekeurde examen en hoeveel personen in dat jaar voor dat examen zijn geslaagd.
Dit verslag dient te worden toegezonden aan de toezichthouder en de direct toezichthouder, als bedoeld in artikel 5 van dit besluit, alsmede aan het Ministerie van Justitie, dienst JUSTIS, afd. BTR/BOA, Postbus 20300, 2500 EH Den Haag.
De op naam gestelde akten van opsporingsbevoegdheid en beëdiging, de overige benoemingsbescheiden, afgegeven op basis van de individuele akten van opsporingsbevoegdheid en beëdiging en de overige benoemingsbescheiden van de buitengewoon opsporingsambtenaar die in dienst zijn van de Afdeling Handhaving van de provincie Utrecht in de functie van milieuopsporingsambtenaar of flora- en faunabeheerder, worden voor de duur van hun geldigheid of tot daarover nader zal zijn beslist, geacht te zijn akten en overige benoemingsbescheiden mede op basis van het onderhavige besluit.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt vijf jaar na inwerkingtreding.
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Afdeling Handhaving van de provincie Utrecht 2008.
Dit besluit wordt met toelichting in de Staatscourant geplaatst.