Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 26 september 2008, nr. TRCJZ/2008/2625, houdende openstelling subsidieaanvragen en vaststelling subsidieplafonds (Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2009)
Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2009
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
verordening (EG) nr. 1782/2003: verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en houdende wijziging van Verordening (EEG) nr. 2019/93, (EG) nr. 1452/2001, (EG) nr. 1453/2001, (EG) nr. 1454/2001, (EG) nr. 1868/94, (EG) nr. 1251/1999, (EG) nr. 1254/1999, (EG) nr. 1673/2000, (EG) nr. 2358/71 en (EG) nr. 2529/2001.
landbouwondernemingen werkzaam in de melkvee-, vleesvee-, schapen-, geiten-, varkens-, kalveren-, paarden-, pluimvee-, inclusief eenden- en kalkoenen-, of konijnenhouderij.
2
De aanvragen worden ingediend:
a.
voor zover het aanvragen betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, in de periode van 2 januari tot en met 30 november 2009;
b.
voor zover het aanvragen betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, in de periode van 1 april tot en met 15 mei 2009.
de bedrijfseconomische gevolgen van de omschakeling naar, aanpassing of uitbreiding van de biologische productiemethode;
b.
de markt- en afzetperspectieven voor de ondernemer bij omschakeling naar, de aanpassing of uitbreiding van de biologische productiemethode;
c.
de implementatie van de regelgeving voor de biologische productiemethode in de bedrijfsvoering;
d.
de aanpassingen in het bedrijfssysteem ten behoeve van de biologische productiemethode;
e.
de financieringsmogelijkheden van de voor omschakeling naar, de aanpassing of uitbreiding van de biologische productiemethode benodigde investeringen;
f.
het verwerven van technische kennis en vaardigheden van de biologische productiemethode, of
g.
het verwerven van kennis en vaardigheden voor het uitoefenen van een of meer andere activiteiten dan de primaire agrarische activiteit, met dien verstande dat de aanvrager de primaire agrarische activiteit blijft voortzetten.
Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden ingediend voor zover de activiteit door ten minste 8 en ten hoogste 20 personen werkzaam op een landbouwonderneming wordt gevolgd of bijgewoond.
3
Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid kan slechts door één van de aan de bijeenkomst deelnemende ondernemingen worden ingediend in de periode van 1 april 2009 tot en met 31 augustus 2009.
Bij de rangschikking van de aanvragen, bedoeld in het eerste lid, wordt, voor zover van toepassing, voorrang gegeven aan landbouwondernemingen die tevens in 2008 een aanvraag hebben ingediend die vanwege overschrijding van het subsidieplafond van dat jaar is afgewezen.
De subsidie bedraagt 50% van de totale kosten van het bedrijfsconsult, training of opleiding, met dien verstande dat de subsidie per dagdeel ten hoogste € 250 bedraagt en de subsidie in totaal ten hoogste € 1500 bedraagt.
2
De aanvraag tot subsidievaststelling voor subsidies als bedoeld in artikel 6, eerste lid, bevat de namen van de deelnemende ondernemingen.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 2:8, eerste lid, van de regeling kunnen in de periode van 1 april tot en met 15 mei 2009 worden ingediend door landbouwondernemingen die rechtstreekse betalingen uit hoofde van verordening (EG) nr. 1782/2003 ontvangen.
De subsidie bedraagt 50% van de kosten van een bedrijfsadvies, met dien verstande dat de subsidie ten minste € 250 bedraagt.
Artikel
14
Het subsidieplafond bedraagt € 1.000.000.
Titel
3
Kennisverspreiding
§
1
Praktijknetwerken
Artikel
15
1
Aanvragen tot subsidieverlening voor de uitvoering van een project als bedoeld in artikel 2:11, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend door samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen die werkzaam zijn in de melkvee-, vleesvee-, schapen-, geiten-, varkens-, kalveren-, paarden-, pluimvee-, inclusief eenden- en kalkoenenhouderij, of konijnenhouderij.
De aanvragen tot subsidieverlening worden ingediend in de periode van 15 september tot en met 30 oktober 2009.
Artikel
16
De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 15, advies uit aan de Minister in de vorm van een rangschikking, waarbij de aanvragen hoger zijn gerangschikt naarmate:
a.
het gekozen thema en de gekozen aanpak inhoudelijk meer vernieuwend zijn;
b.
de gekozen aanpak procesmatig meer perspectief biedt;
c.
het aangetoonde gezamenlijke belang van de deelnemers groter is;
d.
de kennis en ervaring effectiever worden verspreid, of
e.
het netwerk breder is samengesteld.
Artikel
17
De subsidie bedraagt 80 % van de subsidiabele kosten met dien verstande dat de subsidie ten hoogste € 25.000 bedraagt.
Artikel
18
Het subsidieplafond bedraagt € 1.000.000.
§
2
Demonstratieprojecten
Artikel
19
1
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor de uitvoering van een project als bedoeld in artikel 2:14, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend voor projecten die betrekking hebben op het thema biologische landbouw als bedoeld in artikel 2:15, eerste lid, onderdeel a, van de regeling, en voor zover de projecten gericht zijn op de verduurzaming en vermaatschappelijking van de biologische landbouw of op het leggen van verbindingen met de gangbare landbouw.
2
De aanvragen kunnen tevens worden ingediend voor projecten die:
De aanvragen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, kunnen uitsluitend worden ingediend door:
a.
landbouwondernemingen werkzaam in de bloembollen- of paddestoelenteelt of de glastuinbouw of samenwerkingverbanden van de hiervoor genoemde ondernemingen;
b.
samenwerkingsverbanden van ten minste één landbouwonderneming als bedoeld in onderdeel a met in artikel 2:14, tweede lid, van de regeling genoemde ondernemingen of instanties.
4
De aanvragen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, kunnen uitsluitend worden ingediend door:
a.
landbouwondernemingen werkzaam in de melkvee-, vleesvee-, schapen-, geiten-, varkens-, kalveren-, paarden-, pluimvee-, inclusief eenden- en kalkoenenhouderij, of konijnenhouderij;
b.
samenwerkingsverbanden van ten minste één landbouwonderneming als bedoeld in onderdeel a met in artikel 2:14, tweede lid, van de regeling genoemde ondernemingen of instanties.
Artikel
20
De aanvragen kunnen worden ingediend:
a.
in de periode van 2 november tot en met 15 december 2009 voor zover het aanvragen betreft als bedoeld in artikel 19, eerste lid;
In aanvulling op artikel 2:16 van de regeling wordt een aanvraag als bedoeld in artikel 19, eerste lid, hoger gerangschikt naarmate het project meer aansluit op de doelstellingen verwoord in de Beleidsnota biologische landbouwketen 2008–2011 of de ambitie- en innovatieagenda van de biologische sector.
meer aansluit bij de programmalijnen van de sectorale innovatieagenda’s, of
b.
meer aansluit bij de doelstellingen van de integraal duurzame en diervriendelijke stal of het houderijsysteem.
Artikel
22
De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, en artikel 19, tweede lid, advies uit in de vorm van een rangschikking.
Artikel
23
De subsidie bedraagt 50% van de subsidiabele kosten.
voor projecten als bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, € 103.000 voor zover het projecten betreft die worden aangevraagd door ondernemingen werkzaam in de bloembollen of paddestoelenteelt en € 849.000 voor projecten aangevraagd voor ondernemingen werkzaam in de glastuinbouw;
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor een innovatieproject als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 2 februari tot en met 27 februari 2009 door landbouwondernemingen werkzaam in de melkvee-, vleesvee-, schapen-, geiten-, varkens-, kalveren-, paarden-, pluimvee-, inclusief eenden- en kalkoenenhouderij, of konijnenhouderij, of door samenwerkingsverbanden van deze ondernemingen.
meer aansluit bij de programmalijnen van de desbetreffende sectorale innovatieagenda’s, of
b.
een meer duurzaam karakter heeft.
2
De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 25, advies uit aan de Minister in de vorm van een rangschikking.
Artikel
27
Het subsidieplafond bedraagt € 2.000.000.
Artikel
28
Per landbouwonderneming kan slechts een aanvraag tot subsidieverlening worden ingediend.
§
2
Samenwerking bij Innovatieprojecten
Artikel
29
1
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 2:32, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend door samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen onderling of met agro-MKB-ondernemingen, met dien verstande dat de landbouwondernemingen werkzaam zijn in de melkvee-, vleesvee-, schapen-, geiten-, varkens-, kalveren-, paarden-, pluimvee-, inclusief eenden- en kalkoenenhouderij, of konijnenhouderij.
2
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 2:32, eerste lid, van de regeling kunnen tevens worden ingediend door samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen onderling of met agro-MKB-ondernemingen, met dien verstande dat de landbouwondernemingen werkzaam zijn in de bijenhouderij, glastuinbouw, paddestoelenteelt, akkerbouw, opengrondstuinbouw of teelt van plantaardig uitgangsmateriaal.
3
De aanvragen, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen worden ingediend in de periode van 1 juni tot met 15 juli 2009.
Artikel
30
1
De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 29, eerste en tweede lid, advies uit aan de Minister in de vorm van een rangschikking.
Projecten als bedoeld in artikel 29, eerste lid, hebben een meer duurzaam karakter als bedoeld in artikel 2:33, onderdeel d, van de regeling naarmate het project meer aansluit bij de doelstellingen van de integraal duurzame en diervriendelijke stal of het houderijsysteem.
Artikel
31
Per samenwerkingsverband kan slechts een aanvraag worden ingediend.
Artikel
32
De subsidie bedraagt 35% van de subsidieabele kosten en ten hoogste € 500.000 voor het innovatieproject, met dien verstande dat voor kosten als bedoeld in artikel 2:35, eerste lid, onderdelen c en h, van de regeling de subsidie ten hoogste € 400.000 bedraagt.
De subsidie voor de in artikel 34, eerste lid, bedoelde investeringen wordt vastgesteld overeenkomstig hetgeen daaromtrent is bepaald in bijlage 1 bij dit besluit met betrekking tot de daarin onderscheiden landbouwondernemingen of samenwerkingsverbanden.
2
De volledige aanvraag tot subsidievaststelling wordt uiterlijk 1 jaar na subsidieverlening ingediend.
In zoverre in afwijking van artikel 38, eerste lid, en artikel 41, eerste lid, kunnen geen aanvragen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen of samenwerkingsverbanden daarvan, indien deze ondernemingen lid zijn van een erkende telersvereniging als bedoeld in artikel 11 van Verordening (EG) nr. 2200/96, tenzij wordt aangetoond dat geen steun wordt ontvangen als bedoeld in artikel 15 of 16 van die verordening voor kosten die uit hoofde van bijlage 2, hoofdstuk 2, van de regeling kunnen worden gesubsidieerd.
Artikel
45
Indien subsidie wordt verleend aan een samenwerkingsverband van een of meer glastuinbouwondernemingen en een of meer andere landbouwondernemingen en het aandeel van de met de investering opgewekte energie dat door die landbouwonderneming of -ondernemingen aan de glastuinbouwonderneming of glastuinbouwondernemingen wordt geleverd minder is dan 100% van de energiecapaciteit die met gebruik van de investering kan worden opgewekt, wordt de overeenkomstig artikel 39 vastgestelde subsidie naar rato van dat aandeel verlaagd.
Artikel
46
De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 38, eerste lid, en 41, eerste lid, advies uit aan de Minister in de vorm van een rangschikking, waarbij de aanvragen hoger zijn gerangschikt naarmate de energieinnovatie naar het oordeel van de commissie:
–
meer bijdraagt aan klimaatneutrale glastuinbouw door een zo laag mogelijk gebruik van primaire energie en een zolaag mogelijke CO2-uitstoot;
–
meer teelttechnisch en economisch perspectief heeft en meer perspectief biedt voor toepassing door andere ondernemingen, of
–
een hoger niveau van doorontwikkeling vertegenwoordigt gericht op teelttechnische of economisch inpasbare systemen.
§
3
Gecombineerde luchtwassystemen
Artikel
47
1
Aanvragen tot subsidieverlening voor een investering in gecombineerde luchtwassystemen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 3, punt A, van de regeling kunnen worden ingediend door landbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 3, punt B, van de regeling, met uitzondering van landbouwondernemingen gelegen in extensiveringsgebieden als bedoeld in artikel 1 van de Reconstructiewet.
2
De aanvragen kunnen worden ingediend in de periode van 1 juni tot en met 15 juli 2009.
bij de landbouwonderneming een in bijlage 2 van de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarde voor zwevende deeltjes (PM10) op of na het bijbehorende tijdstip wordt overschreden of dreigt te worden overschreden en, deze onderneming als prioritaire landbouwonderneming is genoemd of aangeduid in een programma als bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, van die wet (4 punten);
b.
de landbouwonderneming ten hoogste 1000 meter is verwijderd van een gebied als omschreven in bijlage 3 bij dit besluit (2 punten), en
c.
de aanvrager een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer heeft aangevraagd voor één of meer gecombineerde luchtwassystemen (1 punt).
2
Aanvragen tot subsidieverlening die op grond van het eerste lid inhoudelijk gelijk zijn gewaardeerd en daardoor niet kunnen worden verleend in verband met overschrijding van het subsidieplafond, worden door loting gerangschikt.
In aanvulling op het subsidieplafond, bedoeld in het eerste lid, geldt een additioneel subsidieplafond ten bedrage van:
a.
€ 167.442 voor jonge landbouwers gevestigd in Drenthe;
b.
€ 186.047 voor jonge landbouwers gevestigd in Overijssel;
c.
€ 558.140 voor jonge landbouwers gevestigd in Gelderland;
d.
€ 57.433 voor jonge landbouwers gevestigd in Utrecht;
e.
€ 93.023 voor jonge landbouwers gevestigd in Zeeland;
f.
€ 465.116 voor jonge landbouwers gevestigd in Noord-Brabant.
Artikel
58
1
De Minister rangschikt de aanvragen voor subsidies als bedoeld in artikel 53, eerste lid, overeenkomstig artikel 1:5 van de regeling, met dien verstande dat per provincie voorrang wordt gegeven aan jonge landbouwers die op grond van de regeling ook in 2007 of 2008 aanvragen hebben ingediend en:
a.
vanwege overschrijding van de subsidieplafonds in die jaren niet voor subsidieverlening in aanmerking kwamen en in 2009 opnieuw voor subsidie in aanmerking willen komen op grond van de regeling, en
Na verlening van de aanvragen overeenkomstig het eerste lid, geschiedt, voor zover van toepassing, de toewijzing van de aanvragen waarvan de onderneming zijn hoofdvestiging heeft in de provincies die een additioneel subsidieplafond ter beschikking hebben gesteld.
§
5
Investeringen op het terrein van integraal duurzame stallen en houderijsystemen
Artikel
59
1
Aanvragen tot subsidieverlening voor een investering in integraal duurzame stallen en houderijsystemen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 4, punt A, van de regeling kunnen worden ingediend door landbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 4, punt B, van de regeling, voor zover het betreft landbouwondernemingen op het gebied van de melkvee-, vleesvee-, schapen-, geiten-, varkens-, kalveren-, pluimvee-, inclusief eenden- en kalkoenenhouderij, of konijnenhouderij.
2
De aanvragen kunnen worden ingediend in de periode van 2 februari tot en met 27 februari 2009.
Artikel
60
1
De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 59, advies uit aan de Minister in de vorm van een rangschikking.
2
Een aanvraag wordt hoger gerangschikt naarmate:
a.
de integraal duurzame stal of houderijsysteem waarin wordt geïnvesteerd in de beginfase van marktintroductie verkeert;
b.
de investering in de integraal duurzame stal of houderijsysteem meer economisch of technisch perspectief heeft;
c.
er voor de investering in de integraal duurzame stal of houderijsysteem een betere verhouding tussen de prijs en kwaliteit bestaat, gezien het aangevraagde subsidiebedrag en de verbetering van het dierenwelzijn, en
d.
er voor de investering in de integraal duurzame stal of houderijsysteem een betere verhouding tussen de prijs en kwaliteit bestaat, gezien het aangevraagde subsidiebedrag en de verbetering van het milieu, diergezondheid of arbeidsomstandigheden.
Artikel
61
De subsidie bedraagt 35% van de subsidiabele kosten met dien verstande dat de subsidie ten hoogste € 200.000 bedraagt.
Artikel
62
Het subsidieplafond bedraagt € 1.000.000.
Artikel
63
De extra kosten, bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 4, punt C, van de regeling betreffen de kosten die worden gemaakt naast de norminvesteringen in een gangbare stal, als bedoeld in de kwantitatieve informatie veehouderij.
Artikel
64
De aanvraag tot subsidieverlening gaat vergezeld van informatie waaruit blijkt in hoeverre een stal of houderijsysteem voldoet aan de definitie van integraal duurzame stal of houderijsysteem, bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 4, punt A, van de regeling.
Artikel
65
Er worden geen voorschotten verleend.
Titel
6
Voedselkwaliteitsregelingen
Artikel
66
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 2:55, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 15 september tot en met 31 december 2009.
Artikel
67
Het subsidieplafond bedraagt € 500.000.
Artikel
68
Een landbouwonderneming kan per Skal-certificaat één aanvraag indienen.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 4, paragraaf 3, kunnen worden ingediend in de periode van 1 april 2009 tot en met 31 mei 2009.
Artikel
72
1
Voor de aanvraagperiode, bedoeld in artikel 71, eerste lid, bedraagt het subsidieplafond € 2.250.000.
2
Voor de aanvraagperiode, bedoeld in artikel 71, tweede lid, bedraagt het subsidieplafond € 215.000.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 10, kunnen worden ingediend in de periode van 2 februari 2009 tot en met 27 februari 2009.
Artikel
78
Het subsidieplafond bedraagt € 200.000.
Hoofdstuk
4
Visserij
Titel
1
Maatregelen van gemeenschappelijk belang
§
1
Innovatieprojecten
Artikel
79
1
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor innovatieprojecten als bedoeld in artikel 4:15, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 2 maart 2009 tot en met 30 maart 2009.
2
Het subsidieplafond bedraagt € 2.500.000.
Artikel
80
1
De subsidie bedraagt 60% van de subsidiabele kosten.
2
De subsidie bedraagt ten hoogste € 350.000.
Artikel
81
Een aanvraag tot voorschotverlening gaat vergezeld van een overzicht van gemaakte en betaalde kosten en de kosten van eigen arbeid.
§
2
Collectieve acties
Artikel
82
1
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor de uitvoering van een project als bedoeld in artikel 4:22, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 2 maart tot en met 30 maart 2009.
De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 82, eerste lid, bedraagt ten hoogste € 350.000.
Artikel
84
Een aanvraag tot voorschotverlening gaat vergezeld van een overzicht van gemaakte en betaalde kosten en de kosten van eigen arbeid.
§
3
Kwaliteit, rendement en nieuwe markten
Artikel
85
1
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor de uitvoering van een project als bedoeld in artikel 4:27, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 juni tot en met 29 juni 2009.
2
Het subsidieplafond bedraagt € 700.000.
Artikel
86
Een aanvraag tot voorschotverlening gaat vergezeld van een overzicht van gemaakte en betaalde kosten en de kosten van eigen arbeid.
Titel
2
Investeringen
§
1
Investeringen in vissersvaartuigen
Artikel
87
1
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 4:34 van de regeling kunnen worden ingediend voor het moderniseren van en het aanbrengen van voorzieningen aan boord van een vissersvaartuig waarmee de boomkorvisserij wordt uitgeoefend ten behoeve van de energie-efficiëntie en de selectiviteit, door middel van:
a.
de omschakeling van de visserij met de boomkor naar visserij met de twinrig, flyshoot of squidjig;
b.
verkorting van de som van de totale lengte van de boomkor van 24 meter naar 20 meter.
2
Aanvragen als bedoeld in het eerste lid kunnen worden ingediend in de periode van 2 januari tot en met 31 januari 2009.
3
Het subsidieplafond bedraagt € 2.000.000.
Artikel
88
De aanvraag tot subsidieverlening, bedoeld in artikel 87, eerste lid, gaat vergezeld van offertes of prijsopgaven voor de aan te schaffen apparatuur, de werkzaamheden ten behoeve van de installatie en de werkzaamheden ten behoeve van de noodzakelijke aanpassingen aan het vissersvaartuig.
Artikel
89
De aanvragen, bedoeld in artikel 87, eerste lid, kunnen worden ingediend door eigenaren van vissersvaartuigen waarmee de boomkorvisserij wordt uitgeoefend, indien:
De aanvraag tot vaststelling van subsidie als bedoeld in artikel 87, eerste lid, gaat vergezeld van facturen en betaalbewijzen van de ten behoeve van de investering gemaakte kosten.
Artikel
92
Een aanvraag tot voorschotverlening gaat vergezeld van een overzicht van gemaakte en betaalde kosten en de kosten van eigen arbeid.
§
2
Investeringen in verwerking en afzet
Artikel
93
1
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 4:47, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 2 februari tot en met 2 maart 2009.
2
Het subsidieplafond bedraagt € 1.500.000.
Artikel
94
Een aanvraag tot voorschotverlening gaat vergezeld van een overzicht van gemaakte en betaalde kosten en de kosten van eigen arbeid.
§
3
Garantstelling
Artikel
94a
1
Aanvragen tot verstrekking van een garantstelling als bedoeld in artikel 4:53 van de regeling kunnen worden ingediend van 1 januari tot en met 31 december 2009.
De verlening en vaststelling van een subsidie die is aangevraagd onder het Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2008 wordt afgehandeld op grond van het recht zoals dat gold voorafgaand aan de intrekking van dat besluit.
Artikel
97
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2009.
Artikel
98
Dit besluit wordt aangehaald als: Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2009.
Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, G.Verburg
Bijlage
1
Hoogte van het subsidiepercentage en de subsidiabele kosten bij Investeringen op het terrein van energiebesparing als bedoeld in artikel 36, eerste lid
Eerste energieschermen, niet zijnde gevelschermen of (teeltkundig vereiste) verduisteringsschermen of wettelijk verplichte lichtafschermingsschermen (artikel 34, onderdeel a):
Bij uitbesteden materieel en installatie
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 6,70
€ 67.000,–
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 5,00
€ 250.000,–
Bij enkel uitbesteden materieel (installatie door eigen arbeid)
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 3,00
€ 3,70
€ 67.000,–
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 1,30
€ 3,70
€ 250.000,–
Tweede energieschermen, niet zijnde gevelschermen of (teeltkundig vereiste) verduisteringsschermen of wettelijk verplichte lichtafschermingsschermen (artikel 34, onderdeel b):
Bij uitbesteden materieel en installatie
Energie-extensieve of energie- intensieve glastuinbouwonderneming kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 6,70
€ 67.000,–
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 5,00
€ 250.000,–
Bij enkel uitbesteden materieel (installatie door eigen arbeid)
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 3,00
€ 3,70
€ 67.000,–
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 1,30
€ 3,70
€ 250.000,–
Klimaatcomputer (artikel 34, onderdeel c):
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming
25%
€ 45.000,–
Meerinvestering kasdek met antireflectie gecoat kasdekglas of kasdekkunstof (artikel 34, onderdeel d):
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwondernemingen
25%
€ 10,00
€ 400.000,–
Warmtebuffersysteem (artikel 34, onderdeel e):
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming
25%
Tot 60 m3
€ 50.000,–
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming
25%
Tot 125 m3
€ 70.000,–
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming
25%
Tot 250 m3
€ 90.000,–
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming
25%
250 m3 of groter
€ 100.000,–
Energieclusters (artikel 34, onderdeel f):
Samenwerkingsverband van twee glastuinbouwondernemingen
25%
2
€ 200.000,00
Samenwerkingsverband van drie glastuinbouwondernemingen
25%
3
€ 300.000,00
Hogedruk vernevelingssysteem voor kaskoeling (artikel 34, onderdeel g):
Energie-extensieve glastuinbouwondernemingen kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 5,50
€ 55.000,–
Energie-extensieve glastuinbouwondernemingen groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 4,10
€ 205.000,–
Gevelscherm, niet zijnde verduisteringsscherm (artikel 34, onderdeel h):
Bij uitbesteding materiaal en installatie
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 9,–
€ 90.000,–
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 6,70
€ 336.000,–
Bij enkel uitbesteden materiaal (installatie door eigen arbeid)
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 4,00
€ 5,–
€ 90.000,–
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 1,75
€ 5,–
€ 336.000,–
Ventilatoren voor vochtregulatie (artikel 34, onderdeel i):
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwondernemingen kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
25%
€ 4,–
€ 40.000,–
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwondernemingen groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof
De berekeningen zijn gemaakt op grond van de door de aanvrager ingevulde karakteristieken met betrekking tot het verwarmings- en koelingsysteem, de installaties die in kas en ketelhuis worden voorzien en het door de tuinder gewenste kasklimaat.
Als rekenmodel wordt gebruik gemaakt van programmatuur die in het kader van het project Synergie is ontwikkeld ten behoeve van de technische, energetische en economische beoordeling van gesloten kasconcepten. Dit rekenmodel is gebouwd en wordt onderhouden door de Business Unit Glas van Wageningen UR.
Het model rekent op uurbasis de warmte- en koudebehoefte van de door de aanvrager beschreven kasconfiguratie in een gemiddeld Nederlands jaar. Vanuit deze gegevens wordt voor elk uur uitgerekend welke gas-, elektriciteits-, CO2-behoefte en laagwaardig warmtegebruik of -overschot voor deze kas verwacht mag worden.
Deze berekening wordt gemaakt voor de geconditioneerde kas en voor een relevante referentie.
De vergelijking van de berekende CO2-emissie voor het hierbij ingediende geconditioneerde kasconcept met de referentie leidt tot de conclusie dat de verwachte CO2-emissiereductie ……… bedraagt.
Deel 1. Kasklimaatwensen en kasuitrusting
In de tuinbouw staat de klimatiseringsinstallatie ten dienste van het gewas om een zo gunstig mogelijk kasklimaat te realiseren. Er blijft evenwel, zelfs in geconditioneerde kassen, altijd een spanningsveld tussen het klimaat waarbij het gewas het beste zou groeien en de kosten de gepaard gaan met het realiseren van dat klimaat. Zo wordt in de gangbare tuinbouw weliswaar bij hoge instraling een hoge CO2-concentratie gewenst, maar de dosering wordt toch begrensd om de CO2-gift in overeenstemming te houden met de hoeveelheid warmte die bij de productie van rookgassen vrijkomt. Ook wordt geaccepteerd dat, omwille van een gunstig gascontract, op heel koude dagen de gewenste etmaaltemperatuur niet gerealiseerd wordt. Het model houdt met al deze zaken rekening (middels de begrenzingen van het klimatiseringssysteem (zie deel 2).
De kasklimaatinstellingen die in dit deel moeten worden ingevuld moeten dan ook worden opgevat op dezelfde manier als waarop de instellingen van de kasklimaatcomputer worden gebruikt.
Er staan twee kolommen met invoergegevens en indien de geconditioneerde kas niet de gehele unit beslaat maar slechts een fractie dan komt er nog een derde kolom die aangeeft hoe het klimaat in het niet-geconditioneerde deel gewenst wordt.
In de eerste kolom staan de instellingen die voor de geconditioneerde kas gaan gelden.
De tweede kolom wordt gebruikt om de referentiesituatie te beschrijven. Veel getallen zullen gelijk zijn, maar wellicht wordt in de geconditioneerde kas de temperatuur waarboven gekoeld wordt wat hoger gekozen dan u in de referentie zou hebben gedaan. Ook het gebruik van minimumbuis zal in de geconditioneerde kas vaak minder zijn.
De derde kolom verschijnt in afhankelijkheid van de gesloten kasfractie. De teelt-instellingen in de derde kolom zullen veel gelijkenis vertonen met de instellingen van de tweede kolom.
Elk veld heeft een uitleg, die naar voren komt als de muis erop wordt gelegd. Achterin dit document staan alle toelichtingen bij elkaar geplaatst.
1
Gesloten kas fractie
%
50
n.v.t.
50
2
Gewas (kies: groente, potplant of snijbloem)
groente
groente
groente
3
Kasdek (kies: enkelglas, dubbel of triple)
enkelglas
enkelglas
enkelglas
4
Stooktemperatuur dag
°C
18
18
18
5
Stooktemperatuur nacht
°C
17
17
17
6
Koel- of ventilatietemperatuur
°C
27
27
27
7
Pband ventilatie/koeling
°C
2
2
2
8
Maximale ventilatie met buitenlucht
m3/(m2 hr)
0
n.v.t.
n.v.t.
9
Toegestane RV in de kas
%
85
85
85
10
Deksproeiers (kies ja of nee)
nee
nee
nee
11
Minimumbuistemperatuur
°C
40
40
40
12
VO van het minimumbuisnet
m2 buis/m2
0,2
0,2
0,2
13
Streefwaarde CO2
ppm
900
900
900
14
Maximale doseercapaciteit
kg/(ha hr)
120
180
180
15
Stralingscrit. voor schaduwscherm
W/m2
1000
1000
1000
16
Schaduwfactor schaduwscherm
%
30
30
30
17
Buitentemp sluiten energiescherm
°C
12
12
12
18
Besparingspercentage v.h. scherm
%
45
45
45
19
Belichtingsintensiteit
Wel/m2
0
0
0
20
Belichtingsschema (kies schema 1, 2 of 3)
2
2
2
Belichtingsschema’s
Op deze pagina treft u drie belichtingsschema’s die u kunt gebruiken om de door u gebruikte wijze van belichting vast te leggen. U kunt voor verschillende kasafdelingen verschillende schema’s gebruiken (dus voor de geconditioneerde kasafdeling een ander schema dan voor de referentie of voor de niet-geconditioneerde delen van het nieuw te bouwen of te vernieuwen kascomplex), maar u kunt ook voor alle afdelingen hetzelfde schema gebruiken.
De drie getoonde schema’s zijn voorzien van default instellingen. U kunt ze evenwel naar eigen inzicht aanpassen.
[Schema1] Dit schema wordt gebruikt als u in deel 1 van het formulier belichtingsschema 1 kiest
1
DagnrStartBel
280
(→ dit is 6 oktober)
2
DagnrStopBel
80
(→ dit is 20 maart en betekent 165 dg belichting)
3
IglobBelUit
150
W/m2 globale straling buiten de kas
4
SavondsUit
20
uur
(belichting is 2 uur uit)
5
SavondsAan
22
uur
[Schema2] Dit schema wordt gebruikt als u in deel 1 van het formulier belichtingsschema 2 kiest
1
DagnrStartBel
260
(→ dit is 16 september)
2
DagnrStopBel
91
(→ dit is 31 maart en betekent 196 dg belichting)
3
IglobBelUit
150
W/m2 globale straling buiten de kas
4
SavondsUit
22
uur
(belichting is 4 uur uit)
5
SavondsAan
2
uur
[Schema3] Dit schema wordt gebruikt als u in deel 1 van het formulier belichtingsschema 3 kiest
1
DagnrStartBel
330
(→ dit is 25 november)
2
DagnrStopBel
300
(→ dit is 26 oktober en betekent 335 dg belichting)
3
IglobBelUit
150
W/m2 globale straling buiten de kas
4
SavondsUit
20
uur
(belichting is 4 uur uit)
5
SavondsAan
24
uur
Deel 2. Ketelhuis
Met de installatie van een semi-gesloten kas zal een nieuw ketelhuis worden neergezet of het bestaande ketelhuis worden gerenoveerd. Er zal waarschijnlijk een warmtepomp, een aquifer en een etmaalbuffer voor laagwaardige warmte/kou worden geplaatst en er wordt waarschijnlijk een WK geplaatst. Ook is het denkbaar dat de nieuwe of vernieuwde kas wordt voorzien van additionele CO2-voorziening in de vorm van zuivere- of OCAP-CO2.
In dit deel kunt u de eigenschappen van het nieuwe ketelhuis vastleggen.
Indien het ontwerp om een systeem gaat waarbij de semi-gesloten kas een fractie is van het totale kasoppervlak dat door het nieuw (ingerichte) ketelhuis wordt verwarmd, dan gaat het rekenprogramma er van uit dat de in de zomer verzamelde warmte in de winter zowel op het geconditioneerde deel als op het niet geconditioneerde deel wordt gebruikt (zoals bijvoorbeeld bij Themato).
Als u in het vorige deel hebt aangegeven dat de geconditioneerde kasfractie 100% is, dan betekent dit dat de nieuwe of vernieuwde ketelhuisconfiguratie die hier in deel 2 wordt beschreven uitsluitend wordt ingezet voor (de) geconditioneerde afdeling(en).
Teneinde de gerealiseerde CO2-emissiebeperking te kunnen berekenen dient u ook het referentie-ketelhuis te beschrijven.
Nieuw of vernieuwd ketelhuis
1
Kasoppervlak
1
ha
Geconditioneerd oppervlak
0,5
ha
Niet geconditioneerd opp. 0,5ha
2
Buffercapaciteit
200
m3
200
m3/ha
3
Thermisch warmtepompvermogen
700
kW th
700
kW/ha
4
Efficiëntie v.d. warmtepomp
45
%
5
Capaciteit aquifer
200
m3/uur
400
m3/ha gecond. kas per uur
6
Temp verlies scheidingswisselaar
1
°C
7
Bufferinhoud koudebuffer
1500
m3
3000
m3/ha gecond. kas
8
Koude bron laden op
8
°C
9
WK-vermogen
60
kW el.
60
kW/ha
10
elektrisch WK-rendement
42
%
11
thermisch WK-rendement
55
%
12
WK inzetten tijdens piek-uren (ja/nee)
ja
13
Zomerse WK-warmte oversch. in aquif.
nee
Referentie ketelhuis
14
Kasoppervlak
1
ha
15
Buffercapaciteit
100
m3
100
m3/ha
16
WK-vermogen
0
kW el.
0
kW/ha
17
elektrisch WK-rendement
42
%
18
thermisch WK-rendement
55
%
19
WK inzetten tijdens piek-uren (ja/nee)
nee
Deel 3. Koel- en verwarmkarakteristieken
In de geconditioneerde kasafdeling zijn luchtbehandelingunits geplaatst. Tijdens gebruik van deze units leveren ze een bepaalde koelcapaciteit. Deze is vooral afhankelijk van het temperatuurverschil tussen ingaand water en ingaande lucht en van de hoeveelheid lucht die er doorheen wordt geblazen.
Daarnaast speelt ook de luchtvochtigheid een rol. (Deze kan worden verhoogd door gebruik te maken van een fogging installatie (afhankelijk van de instelling in deel 1)).
Bij het gebruik van de installatie koelsysteem wordt er elektriciteit gebruikt. Vooral voor het circuleren van de lucht, maar ook voor het verpompen van water.
Het elektriciteitsverbruik per eenheid koelvermogen, maar ook het waterdebiet en de opwarming van het water is door dit alles sterk afhankelijk van de gekozen luchtbehandelingunits, het aantal dat daarvan gebruikt wordt en de kasklimaatcondities waaronder gekoeld wordt.
Het is niet waarschijnlijk dat de luchtbehandelingskast-leverancier de prestatie van de koelunit onder al die variabele omstandigheden voorhanden heeft. Laat staan dat die dan ook nog gedocumenteerd zouden zijn.
Omdat de kwaliteit van de koelunits echter een duidelijke invloed heeft op het energiebesparingresultaat van semi-gesloten kassen is het noodzakelijk om toch over zo'n prestatie karakterisering te beschikken.
In dit deel wordt vanuit een bench-mark punt (dat bij voorkeur zo dicht mogelijk ligt bij de werkingscondities die representatief zijn voor het gebruik in uw situatie) een karakterisering van het koelsysteem gemaakt die toegesneden is op uw kasklimaatwensen en die het deellastgedrag in beeld brengt. Er worden grafieken gemaakt van het elektriciteitsverbruik als functie van het koelvermogen, het waterdebiet door de koelers en de temperatuur waarmee het water uit de koelers zal komen. Tevens wordt op grond van de koeleigenschappen een karakterisering gemaakt voor het gedrag van deze units bij gebruik voor verwarming.
Hiernaast ziet u een invulveld waarin u specificaties van de gebruikte koelunits kunt aangeven. Vanuit deze specificaties maakt het programma relaties voor het elektriciteitsverbruik tijdens het koelen. Hierbij zijn vanuit de benchmark gegevens, rekening houdend met de achterliggende fysische processen (convectie en condensatie), extrapolaties gemaakt.
Benchmark punten v.d. Koelunit
0
1
Koelvermogen [kW]
20
kW
0
2
Watertemp in [°C]
12
°C
17
0
3
Watertemp uit [°C]
22
°C
0
0
4
Luchttemperatuur in [°C]
26
°C
21
0
5
Luchttemperatuur uit [°C]
16
°C
0
0
6
Koelvermogen geldt bij een RV van
85
%
0
7
Maximaal luchtdebiet [m3/uur]
2000
m3/uur
0
8
Electr.gebr.vent bij max luchtdeb.
0,3
kW
0
9
Waterzijdige drukval
1,2
bar
0
Vanuit de benchmark punten kan worden berekend dat de ontvochtigingscapaciteit 19,6 liter/uur is.
Dit betekent een latente warmteafvoer van 13,3 kW. De voelbare warmteoverdracht is dus 6,67 kW.
Er worden (vraag 10) 60 van deze units op de gekoelde afdeling van 0,5 ha geplaatst (83 m2 per unit).
De voelbare warmteoverdrachtscoëfficiënt blijkt 1,67 kW per °C verschil tussen gemiddelde water- en luchttemperatuur.
Verwarmen
Het programma gaat ervan uit dat de luchtbehandelingkasten ook voor verwarmen worden gebruikt.
Op grond van de warmte-overdrachtgegevens in de koelmodus wordt voor de verwarming verondersteld dat de units 0,045 W ventilatorenergie gebruiken per overgedragen W verwarmingsvermogen.
Dit komt neer op een COP-verwarming van 22,2 (dit is exclusief het verbruik van de warmtepomp).
De combinatie van benchmark-punten en kasklimaat in de geconditioneerde afdeling levert de volgende karakteristieken van de koeler:
Hieruit worden de onderstaande tabellen afgeleid waarmee het simulatiemodel zal rekenen.
–1,00
0,00
0,00
0,20
0,10
1,36
32,57
2,42
0,15
1,67
48,86
3,06
0,20
1,92
65,14
3,52
0,25
2,15
81,43
3,87
0,30
2,36
97,71
4,14
0,35
2,55
114,00
4,36
0,40
2,72
130,29
4,53
0,45
2,89
146,57
4,67
0,50
3,04
162,86
4,77
0,55
3,19
179,14
4,85
0,60
3,33
195,43
4,91
0,65
3,47
211,71
4,95
0,70
3,60
228,00
4,97
0,75
3,60
244,29
4,98
0,80
3,60
260,57
4,98
0,85
3,60
276,86
4,96
0,90
3,60
293,14
4,93
0,95
3,60
309,43
4,90
1,00
3,60
325,71
4,85
100,00
3,60
800,00
19,90
Gemiddeld is het uittredend 4,46 °C lager dan de intredende lucht. Voor de pompen wordt met een drukval van 0,69667 bar/(m3/uur) gewerkt.
Deel 4. Overzicht van de resultaten
Hier ziet u de resultaten m.b.t. de teelt en de resultaten qua energieverbruik en CO2-emissie.
Resultaten teelt
Gem. teelttemperatuur winterperiode
°C
17,9
17,8
Gem. teelttemperatuur zomerperiode
°C
0,0
0,0
Gem. CO2-concentratie zomerperiode
ppm
677
405
Jaarlijkse CO2-gift
kg/m2
25
37
Jaarlijks aantal energieschermuren
uur
2291
2291
Jaarlijks aantal schaduwschermuren
uur
0
0
Jaarlijks aantal belichtingsuren
uur
0
0
Resultaten warmte, koude en elektra
Jaarlijkse warmtevraag
MJ/m2
1486
1542
Jaarlijkse laagwaardige warmte naar Aquifer
MJ/m2
372
n.v.t.
Gemiddelde temperatuur naar warme bron
°C
22,3
Jaarlijkse laagwaardige warmte uit Aquifer
MJ/m2
361
n.v.t.
Hoogwaardig warmte-overschot
MJ/m2
0
0
Elektriciteit voor belichting
kWh/m2
0
0
Electriciteit voor koeling en verwarming
kWh/m2
12
n.v.t.
Elektriciteitsgebruik Warmtepomp
kWh/m2
45
n.v.t.
Effectieve COP Warmtepomp
–
2,9
n.v.t.
Resultaten gas en Elektra
Gasinkoop
m3/m2
35
49
Elektra inkoop
kWh/m2
27
1
Elektra verkoop
kWh/m2
12
0
Netto elektra inkoop
kWh/m2
15
1
Resultaten CO2-emissie
CO2-emissie Ketel
kg/m2
42
87
CO2-emissie WKK voor eigen gebruik
kg/m2
14
0
CO2-emissie WKK voor netlevering
kg/m2
6
0
kg/m2
62
87
Conclusie CO2-emissiebeperking
29%
Bijlage
3
Gebied als bedoeld in artikel 48, eerste lid, waarvan de kritische depositiewaarde kleiner is dan 2.400 mol N per hectare per jaar
NL2003001
Aamsveen
400
NL2003003
Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek
1100
NL3000044
Alde Feanen
700
NL2003004
Amerongse Bovenpolder
1400
NL9801004
Bakkeveense Duinen
740
NL2000002
Bargerveen
400
NL2003005
Bekendelle
1400
NL9801076
Bemelerberg en Schiepersberg
830
NL2003006
Bennekomse Meent
1100
NL2003007
Bergvennen en Brecklenkampse Veld
410
NL3000040
Biesbosch
1250
NL2003008
Boddenbroek
410
NL2003009
Boetelerveld
410
NL3004001
Boezem van Brakel
1250
NL9801016
Borkeld
410
NL2003010
Boschhuizerbergen
410
NL9801044
Botshol
700
NL1000029
Brunssumerheide
400
NL2003011
Bruuk
830
NL2003012
Bunder- en Elsloerbos
830
NL9801019
Buurserzand en Haaksbergerveen
400
NL1000030
Coepelduynen
1000
NL9801021
Dinkelland
410
NL9802066
Donkse Laagten
1100
NL9801009
Drentsche Aa
400
NL9803011
Drents-Friese Wold en Leggelerveld
400
NL2003014
Drouwenerzand
740
NL2003057
Duinen Ameland
770
NL1000009
Duinen Den Helder – Callantsoog
770
NL9801079
Duinen Goeree
770
NL2003058
Duinen Schiermonnikoog
700
NL1000010
Duinen Schoorl
940
NL2003059
Duinen Terschelling
700
NL2003060
Duinen Texel, Waal en Burg, Dijkmanshuizen en de Bol
770
NL2003061
Duinen Vlieland
1000
NL3000016
Duinen Zwanenwater en Pettemerduinen
770
NL3000070
Dwingelderveld
400
NL3004002
Eilandspolder-oost
700
NL2003015
Elperstroom
830
NL1000004
Engbertsdijksvenen
400
NL9801007
Fochteloërveen en Esmeer
400
NL1000002
Friese IJsselmeerkust
1200
NL9801024
Gelderse Poort
1250
NL2003016
Geleenbeekdal
1100
NL9801041
Geuldal
830
NL2003017
Gouwzee en kustzone Muiden
2400
NL9801075
Grensmaas
1400
NL4000021
Grevelingen
770
NL2003018
Groot Zandbrink
830
NL2003019
Groote Gat
2400
NL9801036
Groote Heide – De Plateaux
400
NL1000025
Groote Peel
400
NL2003020
Groote Wielen
1100
NL1000015
Haringvliet
2000
NL9801071
Havelte-oost
400
NL2003021
Hollands Diep (oeverlanden)
2000
NL2003022
IJsseluiterwaarden
1250
NL2003023
Ilperveld/Oostzanerveld/Varkensland
700
NL3000401
Kampina en Oisterwijkse Bossen en Vennen
400
NL1000022
Kempenland
410
NL1000012
Kennemerland-zuid
770
NL2003024
Kolland en Overlangbroek
2000
NL1000017
Kop van Schouwen
770
NL9801072
Korenburgerveen
400
NL1000021
Krammer-Volkerak
1390
NL2003025
Kunderberg
1400
NL3004003
Landgoederen Oldenzaal
1100
NL2003026
Langstraat bij Sprang-Capelle
410
NL9802041
Leekstermeergebied
1200
NL2003027
Lemselermaten
410
NL9803039
Leudal
1400
NL3004005
Leusveld, Voorstonden en Empensche/Tondensche heide
830
NL2003028
Lieftinghsbroek
1100
NL2003029
Lonnekermeer
410
NL9803030
Loonse en Drunense Duinen, De Brand en de Leemkuilen