Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 24 augustus 2009, nr. R&P/RA/2009/17756, tot de besteding van gelden uit het Europees Sociaal Fonds 2007–2013

Subsidieregeling ESF 2007–2013 (herzien)

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
Overwegende dat het noodzakelijk is dat met betrekking tot de besteding van de gelden die voor de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2013 uit het Europees Sociaal Fonds aan Nederland worden toegewezen ter verwezenlijking van de doelstelling Regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, van verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van de Europese Unie van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1260/1999 (PbEU 2006, L 210), nadere regels worden gesteld in het verlengde van en met inachtneming van die verordening, alsmede verordening (EG) nr. 1081/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 juli 2006 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1784/1999 (PbEU 2006, L 210), en Verordening (EG) nr. 1828/2006 van de Commissie van 8 december 2006 tot vaststelling van uitvoeringbepalingen van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds, en van verordening (EG) nr. 1080/2006 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Fonds voor Regionale ontwikkeling (pbEU 2006, L 371);

Besluit:

Artikel

1

Definities

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel

2

Inleidende bepaling

Artikel

3

Aanwijzing autoriteiten

Artikel

4

Aard van de projecten

De minister verleent met inachtneming van deze regeling en onder het voorbehoud, bedoeld in artikel 56, vierde lid, van de Verordening subsidie ten behoeve van projecten op het gebied van:

  • a.

    additionele toerusting van personen met een achterstand op of tot de arbeidsmarkt, zoals nader uitgewerkt in Actie A in Bijlage 1;

  • b.

    re-integratie van gedetineerden en jongeren in jeugdinrichtingen, zoals nader uitgewerkt in Actie B in Bijlage 1;

  • c.

    praktijkonderwijs en voortgezet speciaal onderwijs, zoals nader uitgewerkt in Actie C in Bijlage 1;

  • d.

    verbetering arbeidsmarktpositie van laaggekwalificeerde werkenden zoals nader uitgewerkt in Actie D in Bijlage 1;

  • e.

    sociale innovatie zoals nader uitgewerkt in Actie E in Bijlage 1;

  • f.

    additionele scholing, opleiding respectievelijk toerusting van jongeren op of tot de arbeidsmarkt zoals nader uitgewerkt in Actie Jeugd in Bijlage 1.

Artikel

5

Instelling Comité van experts

De minister stelt ter beoordeling van aanvragen tot subsidieverlening met betrekking tot de Acties A, C, E en Jeugd 2 voor iedere Actie afzonderlijk een Comité van experts in.

Artikel

6

Aanvraagtijdvakken en subsidieplafond

Artikel

7

Subsidie aanvrager

De subsidie met betrekking tot een project als bedoeld in deze regeling wordt aangevraagd door een als zodanig geregistreerde aanvrager, zoals aangewezen in Bijlage 1 bij deze regeling.

Artikel

8

De aanvraag

Artikel

9

Rangschikking

Artikel

10

Subsidieverlening

Artikel

11

Weigering van de subsidie

Een aanvraag tot verlening van subsidie wordt door de minister afgewezen, indien:

  • a.

    de subsidieaanvraag niet voldoet aan de daaraan bij en krachtens deze regeling gestelde eisen;

  • b.

    subsidieverlening tot gevolg heeft dat het van toepassing zijnde maximaal beschikbare bedrag, bedoeld in artikel 6, wordt overschreden;

  • c.

    de kosten van het project niet in een redelijke verhouding staan tot de daarvan te verwachten resultaten;

  • d.

    onvoldoende zekerheid bestaat over de financiering van de totale noodzakelijkerwijs ten behoeve van de voorbereiding en de uitvoering van het project te maken kosten;

  • e.

    onvoldoende zekerheid bestaat dat de administratie van de subsidieaanvrager zal voldoen aan de daaraan gestelde eisen;

  • f.

    onaannemelijk is dat de subsidieaanvrager de subsidiabele activiteiten in voldoende mate in kwalitatieve of kwantitatieve zin kan beïnvloeden;

  • g.

    onaannemelijk is dat met de door de subsidieaanvrager toegepaste werkwijze de met de subsidie beoogde doelstelling wordt bereikt;

  • h.

    het project reeds uit anderen hoofde wordt gefinancierd ten laste van Europese subsidieprogramma’s.

Artikel

12

Hoogte van de subsidie

Artikel

13

Subsidiabele kosten

Artikel

14

Niet-subsidiabele kosten

Niet voor subsidiering komen in aanmerking:

  • a.

    onredelijk gemaakte kosten ter uitvoering van het project of een onderdeel daarvan;

  • b.

    kosten van het project die qua prijsniveau niet in een redelijke verhouding staan tot de overeengekomen prestaties;

  • c.

    kosten van inkomensvervangende betalingen of uitkeringen aan deelnemers, niet zijnde loonbetalingen;

  • d.

    loonkosten verbonden aan werkervaringsplaatsen en dienstbetrekkingen welke zijn aangegaan of bekostigd in het kader van de Wet werk en bijstand of de Wet investeren in jongeren, uitgezonderd hetgeen is bepaald in artikel 13, eerste lid, onderdeel c;

  • e.

    loonkosten van een persoon die in het kader van de Wet sociale werkvoorziening een dienstverband met de gemeente dan wel met een reguliere werkgever heeft;

  • f.

    verletkosten.

Artikel

15

Bevoorschotting

Artikel

16

Administratievoorschriften

Artikel

17

Rapportageverplichtingen

Artikel

18

Einddeclaratie en Subsidievaststelling

Artikel

19

Publiciteit

Artikel

20

Intrekking en terugvordering

Artikel

22

Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling ESF 2007–2013 (herzien). Deze regeling zal met de toelichting en bijlagen 1 t/m 4 in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel

24

Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2021.

Den Haag
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.Klijnsma

Bijlage

1

Specifieke bepalingen voor subsidie aanvragen per actie

Actie

A

Additionele toerusting van personen met een achterstand op of tot de arbeidsmarkt

Artikel

A1

Aanvrager

  • 1.

    De subsidie met betrekking tot een project in het kader van Actie A wordt aangevraagd door:

    • a.

      een bij het project betrokken college van burgemeester en wethouders;

    • b.

      het UWV;

    • c.

      een Opleidings- en Ontwikkelingsfonds dat door de minister overeenkomstig Bijlage 2 als subsidieaanvrager is erkend.

  • 2.

    Indien wordt samengewerkt met andere bij het project betrokken partijen wordt één partij aangewezen als aanvrager.

  • 3.

    Indien een Opleidings- en Ontwikkelingsfonds als subsidieaanvrager optreedt, wordt in de projectadministratie een overeenkomst opgenomen waaruit, afhankelijk van de personen in de doelgroep, blijkt dat wordt samengewerkt met een college van burgemeester en wethouders, met colleges van burgemeester en wethouders dan wel met het UWV.

Artikel

A2

Aanvraagtijdvakken

  • 1.

    Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van Actie A, als bedoeld in artikel 4, onderdeel a, wordt in het kalenderjaar 2009 nog door de minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 2 november 2009, 09.00 uur, tot en met 30 november 2009, 17.00 uur;

  • 2.

    In de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2013 wordt de aanvraag door de minister telkens ontvangen in het aanvraagtijdvak van 1 oktober, 09.00 uur, tot en met 31 oktober, 17.00 uur.

Artikel

A3

Subsidieplafond

Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor het aanvraagtijdvak van 2 tot en met 30 november 2009 voor Actie A € 80.000.000,–.

Artikel

A4

Doel

Een project in het kader van Actie A heeft tot doel de mogelijkheden tot duurzame arbeidsinpassing van personen uit de, in artikel A5 aangewezen doelgroepen, te vergroten.

Artikel

A5

Doelgroep

Een project in het kader van Actie A richt zich op personen die behoren tot de volgende doelgroepen:

  • a.

    niet-uitkeringsontvangers; of

  • b.

    arbeidsbelemmerden, dan wel gedeeltelijk-arbeidsgeschikten met een aanvullende WWB-uitkering, een aanvullende WIJ-uitkering, een aanvullende IOAW-uitkering, een aanvullende IOAZ-uitkering, of een uitkering van het UWV, alsmede jonggehandicapten; of

  • c.

    55-plussers met een WWB-uitkering, een IOAW-uitkering, een IOAZ-uitkering, of een uitkering van het UWV.

Artikel

A6

Specifieke eisen

Een project komt slechts voor subsidie in aanmerking indien:

  • a.

    het project past binnen het hogergenoemde doel, en

  • b.

    het project een duur van ten hoogste 18 maanden heeft, gerekend vanaf de datum van de volledige aanvraag, en

  • c.

    de in de subsidieaanvraag begrote kosten van het project ten minste € 250.000,– bedragen.

Artikel

A7

Subsidiabele activiteiten

Voor subsidie komen slechts de volgende activiteiten in aanmerking, voor zover zij de doelstelling uit artikel A4 ondersteunen:

  • 1.

    Activiteiten gericht op het vergroten van duurzame arbeidsinpassing van deelnemers, met inbegrip van re-integratietrajecten waaronder begrepen scholing, training en begeleiding;

  • 2.

    Werving van niet-uitkeringsontvangers voor het project. De hiermee samenhangende kosten bedragen maximaal 10% van de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen, voor subsidie in aanmerking komende kosten.

Artikel

A8

Maximum subsidie per aanvrager

Met betrekking tot projecten in het kader van Actie A komen bij de projecten betrokken colleges van burgemeester en wethouders en Opleidings- en Ontwikkelingsfondsen per aanvraagtijdvak in aanmerking voor subsidie tot een maximum van € 5.000.000,–. Voor het UWV geldt een maximum van € 25.000.000,–.

Artikel

A9

Prioritering

  • 1.

    Met betrekking tot de verdeling van het maximaal beschikbare bedrag, hebben subsidieaanvragen van een college van burgemeester en wethouders voorrang op subsidieaanvragen van het UWV of van een Opleidings- en Ontwikkelingsfonds en hebben subsidieaanvragen van het UWV voorrang op subsidieaanvragen van een Opleidings- en Ontwikkelingsfonds.

  • 2.

    Het door de minister ingestelde Comité van experts Actie A zal de aanvragen toetsen aan de hand van de hieronder beschreven kwalitatieve criteria. Projecten die in hogere mate voldoen aan bedoelde criteria hebben voorrang op de projecten die in mindere mate aan deze criteria voldoen. Het Comité van experts rangschikt de aanvragen en brengt hierover binnen vier weken na het einde van het aanvraagtijdvak advies uit aan de minister. De criteria zijn: a. Duurzaamheid van de arbeidsinpassing, b. Concreetheid van de beschreven activiteiten, c. De mate waarin de activiteiten bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen van het project en d. Spreiding over de verschillende doelgroepen.

  • 3.

    Bij gelijke waardering bepaalt het tijdstip van ontvangst de volgorde, waarbij de volledige subsidieaanvraag die op een eerder tijdstip door de minister is ontvangen een hogere rangorde heeft dan een volledige subsidieaanvraag die op een later tijdstip is ontvangen.

Actie

B

Re-integratie van gedetineerden en jongeren in jeugdinrichtingen

Artikel

B1

Aanvrager

De subsidie met betrekking tot een project in het kader van Actie B, als bedoeld in artikel 4, onderdeel b, wordt aangevraagd door de minister van Justitie, en indien nodig, mede namens de minister voor Jeugd en Gezin.

Artikel

B2

Aanvraagtijdvakken

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van Actie B, worden in de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2013 door de minister telkens ontvangen in het aanvraagtijdvak van 1 oktober, 09.00 uur, tot en met 31 oktober, 17.00 uur.

Artikel

B3

Subsidieplafond

Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 voor Actie B € 15.000.000,–.

Artikel

B4

Doel en doelgroep

Een project met betrekking tot Actie B beoogt de arbeidsmarktpositie van gedetineerden van 15 jaar of ouder, en/of civielrechtelijk in Jeugdinrichtingen verblijvende jongeren van 15 jaar of ouder, zodanig te verbeteren, dat zij uiteindelijk naar werk bemiddelbaar zijn of na detentie direct inpasbaar zijn in een arbeidsmarkt gerelateerd programma of regulier opleidingstraject.

Artikel

B5

Specifieke eisen

Een project als bedoeld in Actie B komt slechts voor subsidie in aanmerking indien:

  • a.

    het project past binnen het hogergenoemde doel;

  • b.

    het project een duur van ten hoogste 12 maanden heeft;

  • c.

    het project start uiterlijk binnen 8 maanden, gerekend vanaf de datum van de volledige aanvraag

  • d.

    ten aanzien van de in het doel genoemde personen de methodiek van individuele trajectbegeleiding wordt toegepast;

  • e.

    reeds tijdens de detentieperiode, dan wel verpleegperiode, over de vorm en inhoud van de individuele trajectbegeleiding contact wordt opgenomen met de gemeente, waar de deelnemer aan het project, naar zijn zeggen, na zijn invrijheidstelling zijn woonplaats als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Wet werk en bijstand zal hebben.

Artikel

B6

Subsidiabele activiteiten

Voor subsidie komen slechts de volgende activiteiten in aanmerking, voor zover zij de doelstelling uit artikel B4 ondersteunen:

  • a.

    activiteiten in het kader van individuele trajectbegeleiding;

  • b.

    scholing en training;

  • c.

    ontwikkeling van opleidingen, cursussen en trainingen, passend binnen het doel, bedoeld in artikel B4, tot een maximum van 10% van de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen, voor subsidie in aanmerking komende kosten.

Actie

C

Praktijkonderwijs en voortgezet speciaal onderwijs

Artikel

C1

Aanvrager

De subsidie met betrekking tot een project in het kader van Actie C, als bedoeld in artikel 4, onderdeel c, wordt aangevraagd door een school voor praktijkonderwijs of een school voor voortgezet speciaal onderwijs.

Artikel

C2

Aanvraagtijdvakken

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van Actie C, worden in de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2013 door de minister telkens ontvangen in het aanvraagtijdvak van 1 februari, 09.00 uur, tot en met 28 februari, 17.00 uur.

Artikel

C3

Subsidieplafond

1

Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 voor Actie C € 40.000.000,–.

2

Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor het tijdvak van 1 februari 2010 tot en met 28 februari 2010 voor Actie C € 24.000.000,–.

Artikel

C4

Doel

Een project als bedoeld in Actie C, heeft tot doel leerlingen, behorend tot de in artikel C5 omschreven doelgroep, voor te bereiden op, of toe te geleiden naar, een functie op de reguliere arbeidsmarkt, dan wel beschermde arbeidsmarkt, of toe te geleiden naar een vervolgopleiding op MBO-1 niveau of naar het Beroepsbegeleidend onderwijs.

Artikel

C5

Doelgroep

Een project in het kader van Actie C is gericht op personen van 15 jaar of ouder:

  • 1.

    die in de periode van twaalf maanden, onmiddellijk voorafgaande aan de start van het project, ingeschreven hebben gestaan bij een school zoals bedoeld in artikel C1 of die ten tijde van het project staan ingeschreven bij een dergelijke school, en

  • 2.

    die naar het oordeel van de school in aanvulling op het reguliere onderwijs ondersteuning nodig hebben en/of die na het verlaten van de school begeleiding nodig hebben ten behoeve van arbeidsintegratie.

Artikel

C6

Specifieke eisen

Een project als bedoeld in Actie C komt slechts voor subsidie in aanmerking indien:

  • a.

    het project past binnen het in het in artikel C4 omschreven doel;

  • b.

    het project een duur van ten hoogste 12 maanden heeft; en

  • c.

    het project start na 31 juli van een kalenderjaar, doch uiterlijk binnen 8 maanden, gerekend vanaf de datum van de volledige aanvraag.

Artikel

C7

Subsidiabele activiteiten

Voor subsidie komen slechts de volgende activiteiten in aanmerking, voor zover zij de doelstelling uit artikel C4 ondersteunen:

  • 1.

    arbeidskundig onderzoek, waarvan de kosten per deelnemer ten hoogste € 900,– bedragen;

  • 2.

    leerlingwerkplaatsen in directe samenhang met branches en bedrijven, uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de school, waarvan de kosten per deelnemer ten hoogste € 3000,– bedragen;

  • 3.

    branchegerichte cursussen met een civiel effect, waarvan de kosten per deelnemer ten hoogste € 4000,– bedragen;

  • 4.

    vormgeven en intensivering van begeleiding na het verlaten van de school, niet zijnde stagebegeleiding, op basis van een overeenkomst, waarvan de kosten per deelnemer ten hoogste € 2000,– bedragen; of

  • 5.

    opleidingen in het kader van professionalisering van docenten en schoolleiders, die aantoonbaar rechtstreeks gericht zijn op de onder punt 1 tot en met 4 genoemde activiteiten, voor zover deze leiden tot een certificaat of diploma en voor zover de kosten per docent of schoolleider ten hoogste € 2000,– bedragen, met een maximum van 10% van de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen voor subsidie in aanmerking komende kosten;

  • 6.

    ondersteuning van de onder 1 tot en met 4 genoemde activiteiten door netwerkvorming in relatie tot arbeidsintegratie;

  • 7.

    ontwikkelingsactiviteiten gericht op activiteiten als bedoeld in de leden 1, 2 en 3, tot een maximum van 10% van de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen, voor subsidie in aanmerking komende kosten.

Artikel

C8

Prioritering

  • 1.

    Projecten in het kader van Actie C van een subsidieaanvrager aan wie op grond van deze regeling niet eerder subsidie voor een project in het kader van Actie C is verleend, hebben voorrang op projecten van een subsidieaanvrager aan wie op grond van deze regeling eerder subsidie voor een project in het kader van Actie C is verleend.

  • 2.

    Met betrekking tot de projecten van een subsidieaanvrager aan wie op grond van deze regeling eerder subsidie voor een project in het kader van Actie C is verleend, hebben projecten die in hogere mate voldoen aan de criteria arbeidsmarktgerichtheid, innovatief gehalte en netwerkgerichtheid, voorrang op de projecten die in mindere mate aan die criteria voldoen.

  • 3.

    De mate waarin voldaan wordt aan de criteria wordt beoordeeld door het Comité van experts Subsidieregeling ESF 2007–2013/Actie C. Het Comité van experts kent aan zijn beoordeling een score toe en brengt hierover binnen vier weken na het einde van het aanvraagtijdvak advies uit aan de minister.

  • 4.

    Indien de beoordeling ertoe leidt dat projecten een gelijke score hebben, heeft het project van een subsidieaanvrager aan wie minder vaak subsidie voor een project in het kader van Actie C is verleend, voorrang op het project van een subsidieaanvrager aan wie vaker subsidie voor een dergelijk project is verleend.

  • 5.

    Indien na toepassing van het voorgaande lid subsidieaanvragen een gelijke plaats in de rangorde hebben, hebben subsidieaanvragen die betrekking hebben op een project met betrekking tot een school voor voortgezet speciaal onderwijs voorrang op subsidieaanvragen die betrekking hebben op een project met betrekking tot een school voor praktijkonderwijs.

  • 6.

    Indien na toepassing van het voorgaande lid subsidieaanvragen een gelijke plaats in de rangorde hebben, worden die subsidieaanvragen in rangorde geplaatst in volgorde van het tijdstip van binnenkomst van de volledige subsidieaanvraag, waarbij de volledige subsidieaanvraag die op een eerder tijdstip door de minister is ontvangen een hogere rangorde heeft dan een volledige subsidieaanvraag die op een later tijdstip is ontvangen.

Actie

D

Verbetering arbeidsmarktpositie van laaggekwalificeerde werkenden

Artikel

D1

Aanvrager

De subsidie met betrekking tot een project in het kader van Actie D wordt aangevraagd door een Opleidings- en Ontwikkelingsfonds dat door de minister op grond van de erkenningsregeling in bijlage 2 bij deze regeling als subsidieaanvrager is erkend.

Artikel

D2

Aanvraagtijdvakken

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van Actie D, als bedoeld in artikel 4, onderdeel d, worden in de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2013 door de minister telkens ontvangen in het aanvraagtijdvak van 1 februari, 09.00 uur, tot en met 28 februari, 17.00 uur.

Artikel

D3

Subsidieplafond

1

Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 voor Actie D € 150.000.000,–.

2

Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor de periode van 1 februari 2010 tot en met 28 februari 2010 voor Actie D € 150.000.000,–..

Artikel

D4

Doel

Een project in het kader van Actie D heeft tot doel de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt van laaggekwalificeerde werkenden te vergroten.

Artikel

D5

Doelgroep

Een project in het kader van Actie D richt zich op laaggekwalificeerde werkenden en kan mede betrekking hebben op laaggekwalificeerde personen die op grond van een uitzendovereenkomst, als bedoeld in artikel 690 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, werkzaam zijn in de bedrijfstak of de onderneming waar het Opleidings- en Ontwikkelingsfonds opereert.

Artikel

D6

Specifieke eisen

  • 1.

    Een project in het kader van Actie D komt slechts voor subsidie in aanmerking indien:

    • a.

      het project past binnen het doel, zoals omschreven in artikel D4;

    • b.

      het project past binnen het doel dat is opgenomen in de statuten van het Opleidings- en Ontwikkelingsfonds dat het project uitvoert of doet uitvoeren, dan wel, het project past binnen het doel dat is opgenomen in de statuten van het Opleidings- en Ontwikkelingsfonds waarmee in het kader van het project wordt samengewerkt;

    • c.

      het project een duur van ten hoogste 18 maanden heeft, gerekend vanaf de datum van de volledige aanvraag;

    • d.

      het project gericht is op een in het CREBO opgenomen opleiding, dan wel op een daarmee gelijk te stellen opleiding, die in de branche als extra kwalificatie voor de arbeidsmarkt wordt erkend, een civiel effect heeft, algemeen toegankelijk is en het MBO-4 niveau niet overstijgt.

  • 2.

    De begunstigde toetst of de opleidingen binnen het project, welke niet in het CREBO register zijn opgenomen, voldoen aan de vereisten gesteld in het voorgaande lid. Desgevraagd verstrekt de begunstigde aan door de minister dan wel door de Europese Commissie daartoe aangewezen personen informatie waaruit blijkt dat aan deze vereisten is voldaan.

Artikel

D7

Subsidiabele activiteiten

  • 1.

    Voor subsidie komen slechts de volgende activiteiten in aanmerking, voor zover zij de doelstelling uit artikel D4 ondersteunen:

    • a.

      opleidingen, cursussen en trainingen tot en met MBO-4 niveau, alsmede de toepassing van de EVC-procedure;

    • b.

      ontwikkeling van opleidingen, cursussen en trainingen tot en met MBO-4 niveau tot een maximum van 10% van de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen, voor subsidie in aanmerking komende kosten.

  • 2.

    Bedrijfsspecifieke opleidingen, EHBO cursussen en BHV cursussen zijn uitgesloten van subsidie.

Artikel

D8

Hoogte subsidie – flexibel subsidiepercentage

  • 1.

    Indien bij de vaststelling van de subsidie blijkt dat tenminste 75% is gerealiseerd van de subsidiabele kosten, zoals genoemd in de beschikking tot subsidieverlening, wordt met betrekking tot een project in het kader van Actie D het in artikel 12 genoemde percentage van 40% verhoogd:

    • a.

      met 1 procentpunt, indien ten minste 35% van het totale aantal deelnemers dat bij die subsidievaststelling voor de subsidietoekenning in aanmerking wordt genomen, uit ouderen bestaat;

    • b.

      met 1 procentpunt, indien ten minste 35% van het totale aantal deelnemers dat bij die subsidievaststelling voor de subsidietoekenning in aanmerking wordt genomen, uit jongeren van 15 jaar of ouder, doch jonger dan 24 jaar bestaat;

    • c.

      met 1 procentpunt, indien ten minste 10% van het totale aantal deelnemers dat bij die subsidievaststelling voor de subsidietoekenning in aanmerking wordt genomen, uit gedeeltelijk-arbeidsgeschikten of personen met een WSW-indicatie, bestaat;

    • d.

      met 1 procentpunt, indien ten minste 40% van het totale aantal deelnemers dat bij die subsidievaststelling voor de subsidietoekenning in aanmerking wordt genomen, uit werkenden zonder startkwalificatie bestaat;

    • e.

      met 1 procentpunt, indien het aantal vrouwelijke deelnemers dat bij die subsidievaststelling voor de subsidietoekenning in aanmerking wordt genomen ten minste 5% hoger ligt dan het gemiddelde aantal werkende vrouwen in de desbetreffende sector, overeenkomstig de meest recente CBS-statistiek ‘Banen van werknemers; economische activiteit en geslacht’.

  • 2.

    Bij de beoordeling of het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde maximumbedrag, zoals bedoeld in artikel 10 lid 3 van deze regeling, is bereikt blijft de verhoging van het subsidiepercentage zoals hierboven bedoeld buiten beschouwing.

Artikel

D9

Maximum subsidie per aanvrager

Met betrekking tot projecten in het kader van Actie D komen subsidieaanvragers per aanvraagtijdvak in aanmerking voor subsidie tot een maximum van 2% van het van toepassing zijnde maximaal beschikbare bedrag per aanvraagtijdvak.

Actie

E

Sociale innovatie

Artikel

E1

Aanvrager

De subsidie met betrekking tot een project in het kader van Actie E wordt aangevraagd door een natuurlijke- of rechtspersoon, die een arbeidsorganisatie in stand houdt. Als arbeidsorganisatie wordt beschouwd iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm, waarin door werknemers arbeid wordt verricht.

Artikel

E2

Aanvraagtijdvakken

De subsidieaanvraag met betrekking tot een project in het kader van Actie E, als bedoeld in artikel 4, onderdeel e, wordt in de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2013 door de minister telkens ontvangen in het aanvraagtijdvak van 1 oktober, 09.00 uur, tot en met 31 oktober, 17.00 uur.

Artikel

E3

Subsidieplafond

Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 voor Actie E € 7.000.000,–.

Artikel

E4

Doel

In het kader van Actie E kan uitsluitend subsidie worden aangevraagd voor een project dat betrekking heeft op een van onderstaande twee thema’s:

  • a.

    Thema 1: arbeidstijdenmanagement, waaronder begrepen:

    • rooster flexibiliteit;

    • slimmer pauzeren;

    • arbeidstijden;

    • ontkoppelen werk en werkplek.

  • b.

    Thema 2: procesverbetering, gericht op interne werk- en taakverdeling, waaronder begrepen:

    • zelfsturing;

    • verbeterteams;

    • multi inzetbaar personeel;

    • taakroulatie en taakverrijking;

    • uitwisseling van kennis en ervaring via bestaande en nieuwe technologieën.

Artikel

E5

Specifieke eisen

Een project in het kader van Actie E komt slechts voor subsidie in aanmerking indien:

  • a.

    het project past binnen het in artikel E4 omschreven doel; en

  • b.

    de in de subsidieaanvraag begrote kosten tenminste € 50.000,– en ten hoogste € 160.000,– bedragen; en

  • c.

    het project een duur van ten hoogste 12 maanden heeft; en

  • d.

    het project start uiterlijk binnen 8 maanden, gerekend vanaf de datum van de volledige aanvraag; en

  • e.

    bij de subsidieaanvraag een volledig uitgewerkt voorstel wordt overgelegd met een probleemanalyse, ideeën/oplossingsrichtingen en een uitgewerkt plan van aanpak voor de totstandkoming van een ontwerp implementatieplan; en

  • f.

    in geval van externe samenwerking (met bijvoorbeeld klanten of een toeleverancier) deze samenwerking bij de subsidie aanvraag door middel van een intentieverklaring of overeenkomst wordt aangetoond; en

  • g.

    werknemers van de subsidieaanvrager actief en aantoonbaar betrokken worden bij het ontwikkeltraject;

  • h.

    de beoogde resultaten van het project algemeen overdraagbaar zijn;

  • i.

    een ontwerp implementatieplan dat gericht is op de wijze waarop de arbeid is georganiseerd bij de deelnemer, dan wel bij de deelnemers aan het project, in ieder geval de volgende elementen bevat:

    • een door de deelnemende werkgever(s) verrichte analyse van de knelpunten in de arbeidsproductiviteit;

    • een door de deelnemende werkgever(s) verrichte analyse van de sociale innovatiepotentie;

    • door de deelnemende werkgever(s) opgestelde meetbare doelstellingen;

    • een door de deelnemende werkgever(s) vastgesteld verslag van het uittesten van het implementatieplan;

    • een door de deelnemende werkgever, dan wel werkgevers verrichte kosten/baten analyse van het vervolgtraject;

    • een door de deelnemende werkgever (s) opgesteld activiteitenplan en een daaraan gekoppelde tijdsplanning van het vervolgtraject van sociale innovatie.

Artikel

E6

Specifieke subsidiabele kosten

  • 1.

    Met betrekking tot een project in het kader van Actie E, komen, onder de geldende voorwaarden, zoals vastgesteld in artikel 13 van de Subsidieregeling, voor subsidie in aanmerking kosten van het opstellen en in de praktijk uittesten van een op sociale innovatie betrekking hebbend ontwerp implementatieplan, zoals omschreven onder artikel E5, onderdeel i, enkel voor zover die kosten gemaakt zijn tijdens de projectperiode en betrekking hebben op:

    • a.

      directe loonkosten van de projectleider en de projectmedewerkers, of

    • b.

      directe kosten van het inhuren van deskundigen, bestaande uit het werkelijk aantal bestede uren vermenigvuldigd met het uurtarief van de desbetreffende deskundigen.

  • 2.

    Geen subsidie wordt verleend voor een implementatieplan gericht op het stimuleren van kennisverspreiding, deregulering, loopbaanplanning, scholing van werkenden, instrumentontwikkeling, onderzoek of de totstandkoming van een arbocatalogus.

Artikel

E7

Prioritering

  • 1.

    Het door de minister ingestelde Comité van experts Actie E zal de aanvragen toetsen aan de hand van de hieronder beschreven kwalitatieve criteria. De mate waarin voldaan wordt aan deze criteria wordt beoordeeld door het Comité. Projecten die in hogere mate voldoen aan bedoelde criteria hebben voorrang op de projecten die in mindere mate aan deze criteria voldoen. Het Comité van experts rangschikt de aanvragen en brengt hierover binnen vier weken na het einde van het aanvraagtijdvak advies uit aan de minister. De criteria zijn: a. Mate van innovatie, b. Betrokkenheid van stakeholders, c.Verankering, d. Externe overdraagbaarheid en e. Haalbaarheid.

  • 2.

    Bij gelijke waardering bepaalt het tijdstip van ontvangst de volgorde, waarbij de volledige subsidieaanvraag die op een eerder tijdstip door de minister is ontvangen een hogere rangorde heeft dan een volledige subsidieaanvraag die op een later tijdstip is ontvangen.

Actie Jeugd

Additionele scholing, opleiding en toerusting van jongeren op of tot de arbeidsmarkt

Artikel

J1

Aanvrager

  • 1.

    De subsidie met betrekking tot een project in het kader van Actie Jeugd wordt aangevraagd door:

    • a.

      het college van burgemeester en wethouders van een coördinerende gemeente, zoals genoemd in artikel 1 van de regeling; of

    • b.

      een Opleidings- en Ontwikkelingsfonds dat door de minister op grond van de erkenningsregeling in Bijlage 2 van deze regeling als subsidieaanvrager is erkend, mits aantoonbaar een sectorarrangement is afgesloten met de VNG.

  • 2.

    In deze regeling wordt onderscheiden Actie Jeugd 1, ten behoeve van de coördinerende gemeenten, en Actie Jeugd 2, ten behoeve van Opleidings & Ontwikkelingsfondsen als aanvrager.

Artikel

J2

Aanvraagtijdvakken

  • 1.

    De subsidieaanvraag met betrekking tot een project in het kader van Actie Jeugd 1, gericht op coördinerende gemeenten, als bedoeld in artikel 4, onderdeel f, wordt door de minister ontvangen in de periode van 1 oktober 2009, 9.00 uur, tot en met 31 december 2009, 17.00 uur.

  • 2.

    De subsidieaanvraag met betrekking tot een project in het kader van Actie Jeugd 2, gericht op O&O fondsen, als bedoeld in artikel 4, onderdeel f, wordt in het kalenderjaar 2009 door de minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 2 november 2009, 09.00 uur, tot en met 30 november 2009, 17.00 uur.

Artikel

J3

Subsidieplafond

  • 1.

    Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie voor de periode 1 oktober 2009–31 december 2009 ten behoeve van projecten in het kader van Actie Jeugd 1 bedraagt € 25.000.000,–; en

  • 2.

    Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie voor de periode 1 oktober 2009–31 december 2009 ten behoeve van projecten in het kader van Actie Jeugd 2 bedraagt € 24.000.000,–.

Artikel

J4

Doel en doelgroep

Een project in het kader van Actie J heeft tot doel het voorkomen van jeugdwerkloosheid, respectievelijk het vergroten van de mogelijkheden tot scholing, opleiding en arbeidsinpassing van jongeren.

Artikel

J5

Verdeling van het beschikbare bedrag

  • 1.

    Per coördinerende gemeente is het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie in het kader van Actie Jeugd 1 voor de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 vastgelegd in Bijlage 4.

  • 2.

    Per aanvrager is het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie in het kader van Actie Jeugd 2 € 3.000.000,–.

Artikel

J6

Specifieke eisen

Een project in het kader van Actie Jeugd komt slechts voor subsidie in aanmerking indien:

  • a.

    het project past binnen het doel, zoals omschreven in artikel J 4;

  • b.

    het project een duur van ten hoogste 18 maanden heeft, gerekend vanaf de indiening van een volledige aanvraag;

  • c.

    Een project dat wordt ingediend door een O&O fonds een sectorarrangement, dat is afgesloten met de VNG, heeft overgelegd.

Artikel

J7

Subsidiabele activiteiten

  • 1.

    Voor subsidie komen slechts de volgende activiteiten in aanmerking, voor zover zij de doelstelling uit artikel J4 ondersteunen:

    • a.

      met betrekking tot Jeugd 1: activiteiten die aansluiten bij het regionaal actieplan, danwel het Actieplan Jeugdwerkloosheid.

    • b.

      met betrekking tot Jeugd 2: activiteiten die aansluiten bij de afspraken uit het sectorarrangement.

Artikel

J8

Prioritering Actie Jeugd 2

  • 1.

    Het door de minister ingestelde Comité van experts Actie Jeugd zal de aanvragen die zijn ingediend in het kader van Actie Jeugd 2 toetsen aan de hand van de hieronder beschreven kwalitatieve criteria.

    De mate waarin voldaan wordt aan deze criteria wordt beoordeeld door het Comité. Projecten die in hogere mate voldoen aan bedoelde criteria hebben voorrang op de projecten die in mindere mate aan deze criteria voldoen. Het Comité van experts rangschikt de aanvragen en brengt hierover binnen vier weken na het einde van het aanvraagtijdvak advies uit aan de minister. De criteria zijn:

    • a.

      aansluiting bij het actieplan jeugdwerkloosheid;

    • b.

      de mate waarin aandacht wordt geschonken aan kwetsbare jongeren;

    • c.

      de mate waarin een sector vergrijsd is en op korte en middellange termijn te maken krijgt met tekorten;

    • d.

      de mate waarin de activiteiten bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen van het project.

  • 2.

    Bij gelijke waardering bepaalt het tijdstip van ontvangst de volgorde, waarbij de volledige subsidieaanvraag die op een eerder tijdstip door de minister is ontvangen een hogere rangorde heeft dan een volledige subsidieaanvraag die op een later tijdstip is ontvangen.

Bijlage

2

Erkenning van o&o fondsen

Artikel

1

Erkenning O&O fonds

  • 1.

    Een Opleidings- en Ontwikkelingsfonds wordt op diens verzoek door de minister als subsidieaanvrager erkend, indien:

    • a.

      sprake is van een door vertegenwoordigers van:

      • i.

        werkgevers en werknemers beheerd samenwerkingsverband per bedrijfstak of onderneming, of

      • ii.

        zelfstandigen zonder personeel beheerd samenwerkingsverband per bedrijfstak;

    • b.

      het onder a bedoelde samenwerkingsverband een stichting als bedoeld in artikel 285, eerste lid, van Boek 2 van Burgerlijk Wetboek is;

    • c.

      het bestuur van deze stichting bevoegd is te besluiten tot het aangaan van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding en bezwaring van registergoederen, en tot het aangaan van overeenkomsten waarbij de stichting zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van een ander verbindt;

    • d.

      het doel van het Opleidings- en Ontwikkelingsfonds helder is afgebakend;

    • e.

      de meest recente jaarrekening wordt overgelegd, voorzien van een van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek afkomstige verklaring omtrent de getrouwheid onderscheidenlijk een mededeling, inhoudende dat van onjuistheden niet is gebleken; en

    • f.

      aannemelijk is dat het Opleidings- en Ontwikkelingsfonds niet in betalingsonmacht verkeert.

  • 2.

    De jaarrekening, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, is in ieder geval niet ouder dan de jaarrekening die betrekking heeft op het tweede kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarin het verzoek tot erkenning als subsidieaanvrager wordt gedaan.

  • 3.

    Bij het verzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt overgelegd:

  • 4.

    Indien na de akte van oprichting de statuten zijn gewijzigd, wordt tevens overgelegd een afschrift van de ten kantore van het in artikel 293 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde register neergelegde gewijzigde statuten.

  • 5.

    De minister beslist uiterlijk vier weken na ontvangst van het verzoek, bedoeld in het eerste lid.

Artikel

2

Verplichting erkende subsidieaanvrager

Het Opleidings- en Ontwikkelingsfonds dat door de minister als subsidieaanvrager is erkend doet onverwijld mededeling aan de minister van omstandigheden, die van invloed kunnen zijn op de erkenning als subsidieaanvrager.

Artikel

3

Intrekking erkenning als subsidieaanvrager

De minister trekt de beschikking tot erkenning als subsidieaanvrager schriftelijk in, indien gebleken is dat het Opleidings- en Ontwikkelingsfonds niet langer aan een van de onderdelen van artikel 1, eerste lid, onder a tot en met f, voldoet.

Artikel

4

Erkenning als subsidieaanvrager op andere grondslag

Een erkenning als subsidieaanvrager die is verleend op grond van de Subsidieregeling ESF 2007–2013 wordt aangemerkt als een erkenning op grond van artikel 1 van deze Bijlage.

Bijlage

3

Procedure voor authentiek gewaarmerkte versies van originele bewijsstukken

In het kader van de verantwoording op de einddeclaratie dient de begunstigde de kosten te onderbouwen met bewijsstukken. In eerste instantie worden alleen originele bewijsstukken geaccepteerd. De Europese Verordening maakt het mogelijk ook gewaarmerkte kopieën of volledig digitale documenten te accepteren als bewijsstuk. Hiertoe wordt door de lidstaat een waarmerkingsprocedure voor de vaststelling van de authenticiteit opgesteld (artikel 19 van Verordening (EG) 1828/2006). In deze bijlage worden de door Nederland vastgestelde procedures weergegeven.

De Europese Commissie accepteert de volgende documenten als gegevensdragers:

  • a.

    fotokopieën van originelen;

  • b.

    microfiches van originelen;

  • c.

    elektronische versies van originelen;

  • d.

    documenten die uitsluitend in elektronische versie bestaan, mits de gebruikte computersystemen voldoen aan aanvaarde beveiligingsnormen die waarborgen dat de bewaarde documenten voldoen aan de eraan te stellen wettelijke eisen en dat bij controles op deze documenten kan worden gesteund.

Procedure voor waarmerken van kopieën

Voor het waarmerken van kopieën zijn twee procedures vastgesteld. De eerste procedure gaat uit van het waarmerken van de kopie en is bruikbaar voor de gegevensdrager a. De tweede procedure gaat uit van het waarmerken van het origineel, waarna een kopie wordt opgenomen in de ESF administratie. Deze procedure is bruikbaar voor gegevensdrager a, b en c. In beide gevallen blijft het origineel in de administratie van de (eind)begunstigde; het origineel hoeft voor de ESF-administratie niet bewaard te blijven en mag derhalve na de wettelijke bewaartermijn van 7 jaar worden vernietigd.

Procedure

1

– waarmerken van de kopie

Onder een gewaarmerkte kopie factuur of kopie betaalbewijs wordt verstaan een fotokopie van een originele factuur of betaalbewijs waarvan de ontvanger, zijnde een daartoe bevoegde functionaris met een controlerende rol (bijvoorbeeld inkoper, budgethouder of opdrachtgever), de authenticiteit heeft vastgesteld.

Deze vaststelling dient door de betrokken functionaris op de fotokopie zichtbaar te worden gemaakt, bijvoorbeeld met een stempel voorzien van de tekst: ‘Gewaarmerkte fotokopie van het origineel’. Ter bekrachtiging hiervan dient deze functionaris zijn handtekening op de fotokopie te zetten en de datum waarop hij heeft getekend. Dit in verband met de tijdigheid.

Ter versterking van de authenticiteit en integriteit van het bewijsstuk stelt het Agentschap SZW als eis dat de fotokopie wordt gemaakt en gewaarmerkt op het moment waarop het document de volledige boekingsgang heeft doorgemaakt en waarbij zichtbaar is dat de kosten ten laste van een ESF-project zijn gebracht. Dit dient te gebeuren volgens een deugdelijke procedure die deel uitmaakt van de beschrijving van de bestaande administratieve organisatie en de interne beheersmaatregelen van de ontvangende organisatie. Voor de desbetreffende originelen betekent het dat deze in functiescheiding moeten zijn goedgekeurd, gecontroleerd, geregistreerd en verwerkt.

Als tijdens een controle door het Agentschap SZW wordt vastgesteld dat onvoldoende waarborgen aanwezig zijn om voor controledoeleinden te kunnen steunen op de toegepaste procedure van waarmerking, kan het Agentschap SZW besluiten de gewaarmerkte documenten als bewijsstuk af te keuren. De aanvrager is verantwoordelijk voor een goede borging van de gevolgde procedure.

Procedure

2

– waarmerken van het origineel

Onder een gewaarmerkte kopie factuur of kopie betaalbewijs wordt verstaan een fotokopie, microfiche of elektronische versie van een originele factuur of betaalbewijs waarvan de ontvanger, zijnde een daartoe bevoegde functionaris met een controlerende rol (bijvoorbeeld inkoper, budgethouder of opdrachtgever), aan de voorwaarden voor vaststelling van de authenticiteit heeft voldaan.

Aan deze voorwaarden wordt voldaan wanneer de betrokken functionaris op het origineel zichtbaar maakt dat de betreffende factuur onderdeel uitmaakt van de ESF administratie, waarbij in ieder geval het ESF-projectnummer wordt opgenomen. Hiertoe kan de functionaris, bijvoorbeeld met een stempel met de tekst: Deze factuur maakt onderdeel uit van de ESF projectadministratie [naam], [ESF-projectnummer]. Vervolgens wordt een kopie gemaakt van het origineel, inclusief aantekening.

Procedure voor gebruik van elektronische bewijsstukken

Indien een begunstigde gebruik maakt van elektronische documenten waarbij uitsluitend een elektronische versie bestaat dienen de geautomatiseerde systemen voorzien te zijn van beheers- en beveiligingsmaatregelen die de betrouwbaarheid, authenticiteit en integriteit van de elektronische gegevens waarborgen. Een begunstigde kan op twee manieren aantonen dat aan de waarborgen voor authenticiteit is voldaan.

  • Overleggen van een EDP-auditrapport

    Het EDP-auditrapport (Electronic Data Processing) is opgesteld door een EDP-auditor en bevat een positieve verklaring over de betrouwbaarheid, authenticiteit en integriteit van het geautomatiseerde systeem.

  • Overleggen van een bewijs van akkoord van de Belastingdienst

    Voor elektronische facturen geldt als alternatief het akkoord van de Belastingdienst op het systeem voor uw elektronische facturen. De Belastingdienst stelt dat de authenticiteit en integriteit van de factuur te waarborgen dient te zijn.

Bijlage

4

Subsidieplafonds coördinerende gemeenten

Emmen

Drenthe

640.000

Leeuwarden

Friesland

1.060.000

Groningen

Groningen

1.230.000

Doetinchem

Achterhoek

400.000

Arnhem

Gelderland-Midden/Arnhem

750.000

Nijmegen

Gelderland-Zuid/Nijmegen

550.000

Zwolle

Noord-Overijssel

560.000

Tiel

Rivierenland

320.000

Apeldoorn

Stedendriehoek

830.000

Enschede

Twente

930.000

Venlo

Noord- en Midden Limburg

810.000

’s-Hertogenbosch

's-Hertogenbosch

790.000

Tilburg

Tilburg

600.000

Heerlen

Zuid-Limburg

1.070.000

Eindhoven

Zuid-Oost Brabant

1.030.000

Amsterdam

Groot Amsterdam

1.520.000

Alkmaar

Noord-Kennemerland (+ West Friesland)

890.000

Zaanstad

Zaanstreek/Waterland

470.000

Haarlem

Zuid-Kennemerland

490.000

Almere

Flevoland

730.000

Hilversum

Gooi- en Vechtstreek

380.000

Den Haag

Haaglanden

1.510.000

Leiden

Holland-Rijnland

690.000

Gouda

Midden-Holland

340.000

Utrecht

Utrecht-Midden

1.180.000

Amersfoort

Utrecht-Oost

460.000

Dordrecht

Drechtsteden

690.000

Goes

Noord-Midden Zeeland/Zeeuws-Vlaanderen

500.000

Rotterdam

Rijnmond

2.700.000

Breda

West-Brabant

880.000

25.000.000