Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 24 augustus 2009, nr. R&P/RA/2009/17756, tot de besteding van gelden uit het Europees Sociaal Fonds 2007–2013

Subsidieregeling ESF 2007–2013 (herzien)

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Besluit:

Artikel

1

Definities

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • Adviseur in de zin van Actie E: een natuurlijk persoon, niet zijnde een werknemer van de subsidieaanvrager, die in het kader van de uitoefening van zijn beroep of bedrijf als adviseur werkzaam is op het gebied van sociale innovatie in arbeidsorganisaties door middel van gedragsbeïnvloeding of cultuurverandering;

  • arbeidsbelemmerde: een persoon die jegens het college van burgemeester en wethouders van zijn woonplaats uitsluitend aanspraak heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand of op grond van de Participatiewet, naar het oordeel van dat college, gebaseerd op een door een arts of arbeidsdeskundige afgegeven verklaring een structurele functionele beperking heeft en jegens het UWV geen aanspraak heeft op een uitkering, danwel een persoon die naar het oordeel van dat college behoort tot de doelgroep als bedoeld in artikel 1 sub e van de Tijdelijke wet pilot loondispensatie;

  • begunstigde: de subsidieaanvrager aan wie krachtens deze regeling subsidie is verleend;

  • branchegerichte cursussen met een civiel effect: cursussen, niet zijnde bedrijfsspecifieke trainingen, gericht op een specifieke branche teneinde de leerling vakspecifieke beroepsvaardigheden aan te leren;

  • brutoloon: bruto salaris, inclusief eindejaarsuitkering of 13e maand, exclusief vakantiegeld, exclusief aanvullende werkgeverslasten;

  • coördinerende gemeente: een coördinerende gemeente is één van de volgende gemeenten: Alkmaar, Almere, Amersfoort, Amsterdam, Apeldoorn, Arnhem, Breda, Den Bosch, Den Haag, Doetinchem, Dordrecht, Eindhoven, Emmen, Enschede, Goes, Gouda, Groningen, Haarlem, Heerlen, Hilversum, Leeuwarden, Leiden, Nijmegen, Rotterdam, Tiel, Tilburg, Utrecht, Venlo, Zaanstad, Zwolle;

  • coördinerende gemeente Actie Jeugd 1 in 2013–2015: een coördinerende gemeente voor de aanvraag Actie Jeugd 1 in 2013–2015, is één van de volgende gemeenten: Alkmaar, Almere, Amersfoort, Amsterdam, Apeldoorn, Arnhem, Breda, Den Bosch, Den Haag, Doetinchem, Dordrecht, Ede, Eindhoven, Emmen, Enschede, Goes, Gorinchem, Gouda, Groningen, Haarlem, Heerlen, Helmond, Hilversum, Leeuwarden, Leiden, Nijmegen, Rotterdam, Roermond, Tiel, Tilburg, Utrecht, Venlo, Zaanstad, Zoetermeer, Zwolle;

  • CREBO: het Centraal register beroepsopleidingen, bedoeld in artikel 6.4.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

  • eindejaarsuitkering/13e maand: vast bedrag of vastgesteld percentage van het salaris, dat werknemers als extra loon ontvangen, voor zover dit is geregeld in de geldende CAO of arbeidsovereenkomst;

  • gedeeltelijk-arbeidsgeschikte: een persoon met een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, naar een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%;

  • gedetineerde: een persoon ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van een vrijheidstraf of vrijheidsbenemende maatregel in een justitiële inrichting plaatsvindt of ten aanzien van wie een bevel tot verpleging van overheidswege is gegeven als bedoeld in artikel 37b of 38c van het Wetboek van Strafrecht;

  • Implementatieverordening: Verordening (EG) nr. 1828/2006 van de Commissie van 8 december 2006 tot vaststelling van uitvoeringbepalingen van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds, en van verordening (EG) nr. 1080/2006 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Fonds voor Regionale ontwikkeling (pbEU 2006, L 371);

  • Instelling: een opleidingscentrum als bedoeld in artikel 1.1.1., onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, dan wel een instituut als bedoeld in artikel 12.3.8 van die wet;

  • IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

  • IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

  • jongere: een persoon van 15 jaar of ouder doch jonger dan 28 jaar;

  • jonggehandicapte: de persoon die recht heeft op arbeidsondersteuning of een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;

  • laaggekwalificeerd: een opleiding hebbend tot en met MBO-4 niveau;

  • leerlingwerkplaatsen: praktisch onderwijs, waarbij werkzaamheden worden uitgevoerd die deel uitmaken van een gesimuleerd dienstverlenings- of productieproces;

  • minister: de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

  • niet-uitkeringsontvanger: een werkloze persoon van 16 jaar en ouder, doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, die geen uitkering of inkomensvoorziening ontvangt op grond van de Wet werk en bijstand of op grond van de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Toeslagenwet, of de Algemene nabestaandenwet, dan wel op grond van een regeling die met deze wetten naar aard en strekking overeenstemt;

  • oudere: een persoon van 45 jaar of ouder, doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet;

  • Operationeel Programma: het Operationeel Programma ESF Doelstelling 2, 2007–2013;

  • praktijkonderwijs: het onderwijs, bedoeld in artikel 10f, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs;

  • procedure Erkenning van Verworven Competenties (EVC-procedure): geheel van processtappen en gehanteerde instrumenten waarmee de verworven competenties van deelnemers worden beoordeeld, door een erkende aanbieder, ten opzichte van een specifieke landelijke standaard;

  • project: een samenhangend geheel van activiteiten met betrekking tot een gebied als bedoeld in artikel 4;

  • regionaal plan van aanpak: een regionaal plan van aanpak ter bestrijding van jeugdwerkloosheid als bedoeld in de Septembercirculaire gemeentefonds 2013 van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

  • sectorarrangement: afspraken tussen een sector enerzijds en de VNG, of een of meer door de VNG aangewezen coördinerende gemeenten, of het UWV, over welke activiteiten door de bij de afspraken betrokken partijen worden ondernomen ter voorkoming van jeugdwerkloosheid, respectievelijk het vergroten van de mogelijkheden tot scholing, opleiding en arbeidsinpassing van jongeren in de betreffende sector;

  • sociale innovatiepotentie: het potentiële voordeel op het gebied van sociale innovatie dat als gevolg van een project op dat terrein te behalen is;

  • startkwalificatie: een diploma van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of een diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7, onderscheidenlijk 8 van de Wet op het voortgezet onderwijs;

  • subsidieaanvrager: de aanvrager van een subsidie op grond van deze regeling;

  • UWV: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

  • VNG: Vereniging Nederlandse Gemeenten;

  • Verordening: verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van de Europese Unie van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1260/1999 (PbEU 2006, L 210);

  • voortgezet speciaal onderwijs: het onderwijs dat wordt gegeven op een school of instelling waaraan voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra wordt verzorgd;

  • werkende: een persoon, jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, die op grond van een arbeidsovereenkomst, dan wel een aanstelling in openbare dienst, arbeid verricht als werknemer, uitzendkracht of die arbeid verricht als zelfstandige zonder personeel;

  • bijstandsuitkering: uitkering op grond van de Wet werk en bijstand of de Participatiewet;

  • 55-plusser: een persoon van 55 jaar of ouder, doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet.

Artikel

2

Inleidende bepaling

Artikel

3

Aanwijzing autoriteiten

Artikel

4

Aard van de projecten

De minister verleent met inachtneming van deze regeling en onder het voorbehoud, bedoeld in artikel 56, vierde lid, van de Verordening subsidie ten behoeve van projecten op het gebied van:

  • a.

    additionele toerusting van personen met een achterstand op of tot de arbeidsmarkt, zoals nader uitgewerkt in Actie A in Bijlage 1;

  • b.

    re-integratie van gedetineerden en jongeren in jeugdinrichtingen, zoals nader uitgewerkt in Actie B in Bijlage 1;

  • c.

    praktijkonderwijs en voortgezet speciaal onderwijs, zoals nader uitgewerkt in Actie C in Bijlage 1;

  • d.

    verbetering arbeidsmarktpositie van laaggekwalificeerde werkenden zoals nader uitgewerkt in Actie D in Bijlage 1;

  • e.

    sociale innovatie zoals nader uitgewerkt in Actie E in Bijlage 1;

  • f.

    additionele scholing, opleiding respectievelijk toerusting van jongeren op of tot de arbeidsmarkt zoals nader uitgewerkt in Actie Jeugd in Bijlage 1.

Artikel

5

Instelling Comité van experts

De minister kan ter beoordeling van aanvragen tot subsidieverlening met betrekking tot de Acties A, C, E en Jeugd 2 voor iedere Actie afzonderlijk een Comité van experts instellen.

Artikel

6

Aanvraagtijdvakken en subsidieplafond

Artikel

7

Subsidie aanvrager

De subsidie met betrekking tot een project als bedoeld in deze regeling wordt aangevraagd door een als zodanig geregistreerde aanvrager, zoals aangewezen in Bijlage 1 bij deze regeling.

Artikel

8

De aanvraag

Artikel

9

Rangschikking

Artikel

10

Subsidieverlening

Artikel

11

Weigering van de subsidie

Een aanvraag tot verlening van subsidie wordt door de minister afgewezen, indien:

  • a.

    de subsidieaanvraag niet voldoet aan de daaraan bij en krachtens deze regeling gestelde eisen;

  • b.

    subsidieverlening tot gevolg heeft dat het van toepassing zijnde maximaal beschikbare bedrag, bedoeld in artikel 6, wordt overschreden;

  • c.

    de kosten van het project niet in een redelijke verhouding staan tot de daarvan te verwachten resultaten;

  • d.

    onvoldoende zekerheid bestaat over de financiering van de totale noodzakelijkerwijs ten behoeve van de voorbereiding en de uitvoering van het project te maken kosten;

  • e.

    onvoldoende zekerheid bestaat dat de administratie van de subsidieaanvrager zal voldoen aan de daaraan gestelde eisen;

  • f.

    onaannemelijk is dat de subsidieaanvrager de subsidiabele activiteiten in voldoende mate in kwalitatieve of kwantitatieve zin kan beïnvloeden;

  • g.

    onaannemelijk is dat met de door de subsidieaanvrager toegepaste werkwijze de met de subsidie beoogde doelstelling wordt bereikt;

  • h.

    het project reeds uit anderen hoofde wordt gefinancierd ten laste van Europese of nationale subsidieprogramma’s.

Artikel

12

Hoogte van de subsidie

Artikel

13

Subsidiabele kosten

Artikel

14

Niet-subsidiabele kosten

Niet voor subsidiering komen in aanmerking:

  • a.

    onredelijk gemaakte kosten ter uitvoering van het project of een onderdeel daarvan;

  • b.

    kosten van het project die qua prijsniveau niet in een redelijke verhouding staan tot de overeengekomen prestaties;

  • c.

    kosten van inkomensvervangende betalingen of uitkeringen aan deelnemers, niet zijnde loonbetalingen;

  • d.

    loonkosten verbonden aan werkervaringsplaatsen en dienstbetrekkingen welke zijn aangegaan of bekostigd in het kader van de Wet werk en bijstand, of de Participatiewet, uitgezonderd hetgeen is bepaald in artikel 13, eerste lid, onderdeel c;

  • e.

    loonkosten van een persoon die in het kader van de Wet sociale werkvoorziening een dienstverband met de gemeente dan wel met een reguliere werkgever heeft;

  • f.

    verletkosten.

Artikel

15

Bevoorschotting

Artikel

16

Administratievoorschriften

Artikel

17

Rapportageverplichtingen

Artikel

18

Einddeclaratie en Subsidievaststelling

Artikel

19

Publiciteit

Artikel

20

Intrekking en terugvordering

Artikel

22

Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling ESF 2007–2013 (herzien). Deze regeling zal met de toelichting en bijlagen 1 t/m 4 in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel

24

Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2021, met dien verstande dat de toepassing van artikel 16, zesde lid, tot gevolg kan hebben dat de in dat artikel bedoelde bewaartermijnen gelden tot een tijdstip na 1 januari 2021.

Den Haag
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.Klijnsma

Bijlage

1

Specifieke bepalingen voor subsidie aanvragen per actie

Actie

A

Additionele toerusting van personen met een achterstand op of tot de arbeidsmarkt

Artikel

A1

Structuur

  • 1.

    De subsidie met betrekking tot een project in het kader van Actie A als bedoeld in artikel 4, onderdeel a, wordt aangevraagd door:

    • a.

      het college van burgemeester en wethouders van een gemeente,

    • b.

      het UWV.

  • 2.

    Op aanvragen ingediend door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente zijn de bepalingen van Hoofdstuk I van dit onderdeel van toepassing en op aanvragen van het UWV zijn de bepalingen in Hoofdstuk II van dit onderdeel van toepassing.

HOOFDSTUK

I

GEMEENTEN

Artikel

A2

Aanvrager

  • 1.

    De subsidie met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk wordt aangevraagd door een bij het project betrokken college van burgemeester en wethouders.

  • 2.

    Indien wordt samengewerkt met andere bij het project betrokken partijen wordt één college van burgemeester en wethouders aangewezen als aanvrager.

Artikel

A3

Aanvraagtijdvakken

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk worden in de resterende programmaperiode nog door de minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 1 mei 2012, 09.00 uur, tot en met 30 juni 2014, 17.00 uur.

Artikel

A4

Subsidieplafond

Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor het aanvraagtijdvak bedoeld in artikel A2, € 60.000.000,–.

Artikel

A5

Doel

Een project in het kader van dit hoofdstuk heeft tot doel de mogelijkheden tot duurzame arbeidsinpassing van personen uit de doelgroepen, bedoeld in artikel A6, te vergroten.

Artikel

A6

Doelgroepen

Een project in het kader van hoofdstuk I, gemeenten, richt zich op personen die behoren tot één of meer van de volgende doelgroepen:

  • a.

    niet-uitkeringsontvangers;

  • b.

    arbeidsbelemmerden, dan wel gedeeltelijk-arbeidsgeschikten met een aanvullende WWB-uitkering, een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet, een aanvullende IOAW-uitkering, een aanvullende IOAZ-uitkering, of een uitkering van het UWV, alsmede jonggehandicapten;

  • c.

    55-plussers met een WWB-uitkering, een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet, een IOAW-uitkering, een IOAZ- uitkering, of een uitkering van het UWV.

Artikel

A7

De aanvraag

  • 1.

    De aanvraag in het kader van dit hoofdstuk wordt ingediend onder gebruikmaking van het daartoe door de minister elektronisch beschikbaar gestelde formulier en een door hem erkende elektronische handtekening.

  • 2.

    Per aanvrager wordt slechts één subsidie aanvraag tegelijk in behandeling genomen.

  • 3.

    In aanvulling op het voorgaande lid kan een aanvrager maximaal één maand voor afloop van de projectperiode van een lopend project, waaraan subsidie is verleend in het kader van dit hoofdstuk, een nieuwe aanvraag indienen.

Artikel

A8

Specifieke eisen

Een project, in het kader van dit hoofdstuk, komt slechts voor subsidie in aanmerking indien:

  • a.

    het project past binnen het doel, omschreven in artikel A5;

  • b.

    het project een duur van ten hoogste 18 maanden heeft, gerekend vanaf de datum van ontvangst van de volledige aanvraag; en

  • c.

    de in de subsidieaanvraag begrote kosten van het project ten minste € 250.000,– bedragen.

Artikel

A9

Subsidiabele activiteiten

Voor subsidie komen slechts de volgende activiteiten in aanmerking, voor zover zij de doelstelling uit artikel A5 ondersteunen:

  • a.

    activiteiten gericht op het vergroten van duurzame arbeidsinpassing van deelnemers, met inbegrip van re-integratietrajecten waaronder begrepen scholing, training en begeleiding;

  • b.

    werving van niet-uitkeringsontvangers voor het project. De hiermee samenhangende kosten bedragen maximaal 10% van de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen, voor subsidie in aanmerking komende kosten.

Artikel

A10

Maximum subsidie per aanvrager

Met betrekking tot projecten in het kader van dit hoofdstuk komen bij de projecten betrokken colleges van burgemeester en wethouders in aanmerking voor subsidie tot een maximum van € 5.000.000,– per aanvraag.

HOOFDSTUK

II

UWV

Artikel

A11

Aanvrager

De subsidie met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk wordt aangevraagd door het UWV.

Artikel

A12

Aanvraagtijdvak

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk worden in de resterende programmaperiode nog door de minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 15 augustus 2012, 09.00 uur, tot en met 15 september 2012, 17.00 uur.

Artikel

A13

Subsidieplafond

Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel A12, € 40.000.000,–.

Artikel

A14

Doel

Een project in het kader van dit hoofdstuk, heeft tot doel de mogelijkheden tot duurzame arbeidsinpassing te vergroten van personen uit de, in artikel A15 omschreven, doelgroep.

Artikel

A15

Doelgroepen

Een project in het kader van dit hoofdstuk richt zich op personen die behoren tot een of meer van de volgende doelgroepen:

  • a.

    arbeidsbelemmerden;

  • b.

    gedeeltelijk-arbeidsgeschikten met een aanvullende WWB-uitkering, een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet, een aanvullende IOAW-uitkering, een aanvullende IOAZ-uitkering, of een uitkering van het UWV;

  • c.

    jonggehandicapten.

Artikel

A16

De aanvraag

De aanvraag in het kader van dit hoofdstuk wordt ingediend onder gebruikmaking van het daartoe door de minister elektronisch beschikbaar gestelde formulier en een door hem erkende elektronische handtekening.

Artikel

A17

Specifieke eisen

Een project komt slechts voor subsidie in aanmerking indien:

  • a.

    het project past binnen het in artikel A14 omschreven doel,

  • b.

    het project een duur heeft van ten hoogste 40 maanden, gerekend vanaf de datum van ontvangst van de volledige aanvraag, en

  • c.

    De begunstigde tijdig een tussentijds verzoek tot vaststelling, overeenkomstig artikel 18, tweede lid, indient.

Artikel

A18

Subsidiabele activiteiten

Voor subsidie komen slechts in aanmerking activiteiten gericht op het vergroten van duurzame arbeidsinpassing van deelnemers, met inbegrip van re-integratietrajecten waaronder begrepen scholing, training en begeleiding, voor zover zij de doelstelling uit artikel A14 ondersteunen.

Actie

B

Re-integratie van gedetineerden en jongeren in jeugdinrichtingen

Artikel

B1

Aanvrager

De subsidie met betrekking tot een project in het kader van Actie B, als bedoeld in artikel 4, onderdeel b, wordt aangevraagd door de minister van Justitie, en indien nodig, mede namens de minister voor Jeugd en Gezin.

Artikel

B2

Aanvraagtijdvakken

  • 1.

    Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van Actie B, worden in de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2013 door de minister telkens ontvangen in het aanvraagtijdvak van 16 december, 09.00 uur, tot en met 31 december, 17.00 uur.

  • 2.

    Een subsidieaanvraag met betrekking tot een project in het kader van Actie B, wordt in het jaar 2014 ontvangen in het aanvraagtijdvak van 1 oktober 2014, 09:00 uur, tot en met 31 oktober 2014, 17:00 uur.

Artikel

B3

Subsidieplafond

Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt:

  • a.

    voor aanvragen, ingediend in 2009: € 15.000.000,–;

  • b.

    voor aanvragen, ingediend in 2010: € 15.000.000,–;

  • c.

    voor aanvragen, ingediend in 2011: € 15.000.000,–;

  • d.

    voor aanvragen, ingediend in 2012: € 11.000.000,–;

  • e.

    voor aanvragen, ingediend in 2013: € 10.000.000,–;

  • f.

    voor aanvragen, ingediend in 2014: € 15.000.000,–.

Artikel

B4

Doel en doelgroep

Een project met betrekking tot Actie B beoogt de arbeidsmarktpositie van gedetineerden van 15 jaar of ouder, en/of civielrechtelijk in Jeugdinrichtingen verblijvende jongeren van 15 jaar of ouder, zodanig te verbeteren, dat zij uiteindelijk naar werk bemiddelbaar zijn of na detentie direct inpasbaar zijn in een arbeidsmarkt gerelateerd programma of regulier opleidingstraject.

Artikel

B5

Specifieke eisen

Een project als bedoeld in Actie B komt slechts voor subsidie in aanmerking indien:

  • a.

    het project past binnen het hogergenoemde doel;

  • b.

    het project een duur van ten hoogste 15 maanden heeft;

  • c.

    het project start uiterlijk binnen 8 maanden, gerekend vanaf de datum van de volledige aanvraag

  • d.

    ten aanzien van de in het doel genoemde personen de methodiek van individuele trajectbegeleiding wordt toegepast.

Artikel

B6

Subsidiabele activiteiten

Voor subsidie komen slechts de volgende activiteiten in aanmerking, voor zover zij de doelstelling uit artikel B4 ondersteunen:

  • a.

    activiteiten in het kader van individuele trajectbegeleiding;

  • b.

    scholing en training;

  • c.

    ontwikkeling van opleidingen, cursussen en trainingen, passend binnen het doel, bedoeld in artikel B4, tot een maximum van 10% van de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen, voor subsidie in aanmerking komende kosten.

Actie

C

Praktijkonderwijs en voortgezet speciaal onderwijs

Artikel

C1

Aanvrager

De subsidie met betrekking tot een project in het kader van Actie C, als bedoeld in artikel 4, onderdeel c, wordt aangevraagd door een school voor praktijkonderwijs of een school voor voortgezet speciaal onderwijs.

Artikel

C2

  • 1.

    Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van Actie C worden in de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010 door de minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 1 februari, 9.00 uur tot en met 28 februari, 17.00 uur.

  • 2.

    Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van Actie C worden in de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 door de minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 17 januari, 9.00 uur tot en met 28 januari, 17.00 uur.

  • 3.

    Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van Actie C worden in de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 door de minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 15 maart 2012, 9.00 uur tot en met 30 maart 2012, 17.00 uur.

Artikel

C3

Subsidieplafond

  • 1.

    Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt:

    • a.

      voor aanvragen, ingediend in 2009: € 40.000.000,–;

    • b.

      voor aanvragen, ingediend in 2010: € 24.000.000,–;

    • c.

      voor aanvragen, ingediend in 2011: € 24.000.000,–;

    • d.

      voor aanvragen, ingediend in 2012: € 48.000.000,–.

  • 2.

    De maximumsubsidie per aanvrager per aanvraagtijdvak bedraagt € 450.000,–.

Artikel

C4

Doel

Een project als bedoeld in Actie C, heeft tot doel leerlingen, behorend tot de in artikel C5 omschreven doelgroep, voor te bereiden op, of toe te geleiden naar, een functie op de reguliere arbeidsmarkt, dan wel beschermde arbeidsmarkt, of toe te geleiden naar een vervolgopleiding op MBO-1 niveau of naar het Beroepsbegeleidend onderwijs, daarbij is het van belang dat wordt samengewerkt met het bedrijfsleven.

Artikel

C5

Doelgroep

Een project in het kader van Actie C is gericht op personen van 15 jaar of ouder:

  • 1.

    die in de periode van twaalf maanden, onmiddellijk voorafgaande aan de start van het project, ingeschreven hebben gestaan bij een school zoals bedoeld in artikel C1 of die ten tijde van het project staan ingeschreven bij een dergelijke school, en

  • 2.

    die naar het oordeel van de school in aanvulling op het reguliere onderwijs ondersteuning nodig hebben en/of die na het verlaten van de school begeleiding nodig hebben ten behoeve van arbeidsintegratie.

Artikel

C6

Specifieke eisen

Een project als bedoeld in Actie C komt slechts voor subsidie in aanmerking indien:

  • a.

    het concreet omschreven, schooleigen project past binnen het in artikel C4 omschreven doel;

  • b.

    het project een duur van ten hoogste 12 maanden heeft; en

  • c.

    het project start na 31 juli van een kalenderjaar, doch uiterlijk binnen 8 maanden, gerekend vanaf de datum van de volledige aanvraag.

Artikel

C7

Subsidiabele activiteiten

Voor subsidie komen slechts de volgende activiteiten in aanmerking, voor zover zij de doelstelling uit artikel C4 ondersteunen:

  • 1.

    arbeidskundig onderzoek, waarvan de kosten per deelnemer ten hoogste € 900,– bedragen;

  • 2.

    leerlingwerkplaatsen in directe samenhang met branches en bedrijven, uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de school, waarvan de kosten per deelnemer ten hoogste € 3000,– bedragen;

  • 3.

    branchegerichte cursussen met een civiel effect, waarvan de kosten per deelnemer ten hoogste € 4000,– bedragen;

  • 4.

    vormgeven en intensivering van begeleiding na het verlaten van de school, niet zijnde stagebegeleiding, op basis van een overeenkomst, waarvan de kosten per deelnemer ten hoogste € 2000,– bedragen; of

  • 5.

    opleidingen in het kader van professionalisering van docenten en schoolleiders, die aantoonbaar rechtstreeks gericht zijn op de onder punt 1 tot en met 4 genoemde activiteiten, voor zover deze leiden tot een certificaat of diploma en voor zover de kosten per docent of schoolleider ten hoogste € 2000,– bedragen, met een maximum van 10% van de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen voor subsidie in aanmerking komende kosten;

  • 6.

    ondersteuning van de onder 1 tot en met 4 genoemde activiteiten door netwerkvorming in relatie tot arbeidsintegratie;

  • 7.

    ontwikkelingsactiviteiten gericht op activiteiten als bedoeld in de leden 1, 2 en 3, tot een maximum van 10% van de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen, voor subsidie in aanmerking komende kosten.

Artikel

C8

Prioritering

  • 1.

    Projecten in het kader van Actie C van een subsidieaanvrager aan wie op grond van deze regeling niet eerder subsidie voor een project in het kader van Actie C is verleend, hebben voorrang op projecten van een subsidieaanvrager aan wie op grond van deze regeling eerder subsidie voor een project in het kader van Actie C is verleend.

  • 2.

    Met betrekking tot de projecten van een subsidieaanvrager aan wie op grond van deze regeling eerder subsidie voor een project in het kader van Actie C is verleend, hebben projecten die in hogere mate voldoen aan de criteria arbeidsmarktgerichtheid, innovatief gehalte en netwerkgerichtheid, voorrang op de projecten die in mindere mate aan die criteria voldoen.

  • 3.

    De mate waarin voldaan wordt aan de criteria wordt beoordeeld door het Comité van experts Subsidieregeling ESF 2007–2013/Actie C. Het Comité van experts kent aan zijn beoordeling een score toe en brengt hierover binnen vier weken na het einde van het aanvraagtijdvak advies uit aan de minister.

  • 4.

    Indien de beoordeling ertoe leidt dat projecten een gelijke score hebben, heeft het project van een subsidieaanvrager aan wie minder vaak subsidie voor een project in het kader van Actie C is verleend, voorrang op het project van een subsidieaanvrager aan wie vaker subsidie voor een dergelijk project is verleend.

  • 5.

    Indien na toepassing van het voorgaande lid subsidieaanvragen een gelijke plaats in de rangorde hebben, hebben subsidieaanvragen die betrekking hebben op een project met betrekking tot een school voor voortgezet speciaal onderwijs voorrang op subsidieaanvragen die betrekking hebben op een project met betrekking tot een school voor praktijkonderwijs.

  • 6.

    Indien na toepassing van het voorgaande lid subsidieaanvragen een gelijke plaats in de rangorde hebben, worden die subsidieaanvragen in rangorde geplaatst in volgorde van het tijdstip van binnenkomst van de volledige subsidieaanvraag, waarbij de volledige subsidieaanvraag die op een eerder tijdstip door de minister is ontvangen een hogere rangorde heeft dan een volledige subsidieaanvraag die op een later tijdstip is ontvangen.

Actie

D

Verbetering arbeidsmarktpositie van laaggekwalificeerde werkenden

Artikel

D1

Aanvrager

De subsidie met betrekking tot een project in het kader van Actie D wordt aangevraagd door een Opleidings- en Ontwikkelingsfonds dat door de minister op grond van de erkenningsregeling in bijlage 2 bij deze regeling als subsidieaanvrager is erkend.

Artikel

D2

Aanvraagtijdvakken

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van Actie D, als bedoeld in artikel 4, onderdeel d, worden in de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2011 door de minister telkens ontvangen in het aanvraagtijdvak van 1 februari, 09.00 uur, tot en met 28 februari, 17.00 uur.

Artikel

D3

Subsidieplafond

1

Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt:

  • a.

    voor aanvragen, ingediend in 2009: € 150.000.000,–;

  • b.

    voor aanvragen, ingediend in 2010: € 150.000.000,–;

  • c.

    voor aanvragen, ingediend in 2011: € 225.000.000,–.

Artikel

D4

Doel

Een project in het kader van Actie D heeft tot doel de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt van laaggekwalificeerde werkenden te vergroten.

Artikel

D5

Doelgroep

Een project in het kader van Actie D richt zich op laaggekwalificeerde werkenden en kan mede betrekking hebben op laaggekwalificeerde personen die op grond van een uitzendovereenkomst, als bedoeld in artikel 690 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, werkzaam zijn in de bedrijfstak of de onderneming waar het Opleidings- en Ontwikkelingsfonds opereert.

Artikel

D6

Specifieke eisen

  • 1.

    Een project in het kader van Actie D komt slechts voor subsidie in aanmerking indien:

    • a.

      het project past binnen het doel, zoals omschreven in artikel D4;

    • b.

      het project past binnen het doel dat is opgenomen in de statuten van het Opleidings- en Ontwikkelingsfonds dat het project uitvoert of doet uitvoeren, dan wel, het project past binnen het doel dat is opgenomen in de statuten van het Opleidings- en Ontwikkelingsfonds waarmee in het kader van het project wordt samengewerkt;

    • c.

      het project een duur van ten hoogste 18 maanden heeft, gerekend vanaf de datum van de volledige aanvraag;

    • d.

      het project gericht is op een in het CREBO opgenomen opleiding, dan wel op een daarmee gelijk te stellen opleiding, die in de branche als extra kwalificatie voor de arbeidsmarkt wordt erkend, een civiel effect heeft, algemeen toegankelijk is en het MBO-4 niveau niet overstijgt.

  • 2.

    De begunstigde toetst of de opleidingen binnen het project, welke niet in het CREBO register zijn opgenomen, voldoen aan de vereisten gesteld in het voorgaande lid. Desgevraagd verstrekt de begunstigde aan door de minister dan wel door de Europese Commissie daartoe aangewezen personen informatie waaruit blijkt dat aan deze vereisten is voldaan.

  • 3.

    De begunstigde toont aan dat het opleidingsniveau van de deelnemers maximaal MBO-4 niveau is. Dit kan door middel van een verklaring van de werkgever voor alle deelnemers of door middel van een verklaring van de individuele deelnemer over zijn opleidingsniveau.

Artikel

D7

Subsidiabele activiteiten

  • 1.

    Voor subsidie komen slechts de volgende activiteiten in aanmerking, voor zover zij de doelstelling uit artikel D4 ondersteunen:

    • a.

      opleidingen, cursussen en trainingen tot en met MBO-4 niveau, alsmede de toepassing van de EVC-procedure;

    • b.

      ontwikkeling van opleidingen, cursussen en trainingen tot en met MBO-4 niveau tot een maximum van 10% van de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen, voor subsidie in aanmerking komende kosten.

  • 2.

    Bedrijfsspecifieke opleidingen, EHBO cursussen en BHV cursussen zijn uitgesloten van subsidie.

Artikel

D8

Hoogte subsidie – flexibel subsidiepercentage

  • 1.

    Indien bij de vaststelling van de subsidie blijkt dat tenminste 75% is gerealiseerd van de subsidiabele kosten, zoals genoemd in de beschikking tot subsidieverlening, wordt met betrekking tot een project in het kader van Actie D het in artikel 12 genoemde percentage van 40% verhoogd:

    • a.

      met 1 procentpunt, indien ten minste 35% van het totale aantal deelnemers dat bij die subsidievaststelling voor de subsidietoekenning in aanmerking wordt genomen, uit ouderen bestaat;

    • b.

      met 1 procentpunt, indien ten minste 35% van het totale aantal deelnemers dat bij die subsidievaststelling voor de subsidietoekenning in aanmerking wordt genomen, uit jongeren van 15 jaar of ouder, doch jonger dan 24 jaar bestaat;

    • c.

      met 1 procentpunt, indien ten minste 10% van het totale aantal deelnemers dat bij die subsidievaststelling voor de subsidietoekenning in aanmerking wordt genomen, uit gedeeltelijk-arbeidsgeschikten of personen met een WSW-indicatie, bestaat;

    • d.

      met 1 procentpunt, indien ten minste 40% van het totale aantal deelnemers dat bij die subsidievaststelling voor de subsidietoekenning in aanmerking wordt genomen, uit werkenden zonder startkwalificatie bestaat;

    • e.

      met 1 procentpunt, indien het aantal vrouwelijke deelnemers dat bij die subsidievaststelling voor de subsidietoekenning in aanmerking wordt genomen ten minste 5% hoger ligt dan het gemiddelde aantal werkende vrouwen in de desbetreffende sector, overeenkomstig de meest recente CBS-statistiek ‘Banen van werknemers; economische activiteit en geslacht’.

  • 2.

    Bij de beoordeling of het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde maximumbedrag, zoals bedoeld in artikel 10 lid 3 van deze regeling, is bereikt blijft de verhoging van het subsidiepercentage zoals hierboven bedoeld buiten beschouwing.

  • 3.

    Indien bij de vaststelling van de subsidie blijkt dat minder dan 60% van de subsidiabele kosten, zoals genoemd in de beschikking tot subsidieverlening, is gerealiseerd, wordt het subsidiebedrag waarop aanspraak zou bestaan verlaagd met 5%.

  • 4.

    Het derde lid is slechts van toepassing ten aanzien van projecten waarvoor na 1 oktober 2010 subsidie is aangevraagd.

Artikel

D9

Maximum subsidie per aanvrager

  • 1.

    Met betrekking tot projecten in het kader van Actie D komen subsidieaanvragers per aanvraagtijdvak in aanmerking voor subsidie tot een maximum van 2% van het van toepassing zijnde maximaal beschikbare bedrag per aanvraagtijdvak.

  • 2.

    Voor het aanvraagtijdvak februari 2011 komen subsidieaanvragers in aanmerking voor subsidie tot een maximum van € 4.000.000,– .

Actie

E

Sociale innovatie

Artikel

E1

Structuur

  • 1.

    De subsidie met betrekking tot een project in het kader van Actie E, bedoeld in artikel 4, onderdeel e, wordt aangevraagd door:

    • a.

      een natuurlijke- of rechtspersoon die een arbeidsorganisatie in stand houdt.

    • b.

      een Opleidings- en Ontwikkelingsfonds (O&O fonds) dat door de minister op grond van de erkenningsregeling als subsidieaanvrager is erkend.

  • 2.

    Op aanvragen ingediend door een aanvrager als bedoeld onder a zijn de bepalingen van Hoofdstuk I van dit onderdeel van toepassing en op aanvragen van O&O fondsen als bedoeld onder b zijn de bepalingen in Hoofdstuk II van dit onderdeel van toepassing.

HOOFDSTUK

I

VITALE BEDRIJVEN

Artikel

E2

Aanvrager

De subsidie met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk wordt aangevraagd door een natuurlijke- of rechtspersoon, die een arbeidsorganisatie in stand houdt. Als arbeidsorganisatie wordt beschouwd iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm, waarin door werknemers arbeid wordt verricht.

Artikel

E3

Aanvraagtijdvakken

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk worden door de minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 10 oktober 2011, 9.00 uur, tot en met 21 oktober 2011, 17.00 uur.

Artikel

E4

Subsidieplafond

Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel E3, € 77.184.000,–.

Artikel

E5

Doel

In het kader van dit hoofdstuk kan uitsluitend subsidie worden aangevraagd voor projecten op het terrein van sociale innovatie, gericht op ten minste een van de onderstaande thema’s:

  • a.

    procesverbetering: het binnen de arbeidsorganisatie(s) verbeteren, herschikken en innoveren van bedrijfsprocessen.

  • b.

    duurzame inzetbaarheid: het creëren van een cultuuromslag gericht op gezond, vitaal en productief werken van indiensttreding tot aan pensionering, door:

    • het stimuleren van regionale en intersectorale arbeidsmobiliteit van werknemers,

    • arbeidstijdenmanagement,

    • het bevorderen van gezond, vitaal en veilig werken, of

    • het bevorderen van zelfredzaamheid op de werkvloer.

Artikel

E6

De aanvraag

  • 1.

    De aanvraag in het kader van dit hoofdstuk wordt ingediend onder gebruikmaking van het daartoe door de minister elektronisch beschikbaar gestelde formulier en een door hem erkende elektronische handtekening.

  • 2.

    Per aanvrager wordt slechts één subsidie aanvraag in behandeling genomen.

  • 3.

    Op een volledige aanvraag wordt na afloop van het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel E2, in afwijking van artikel 8, vijfde lid, binnen achttien weken beslist.

  • 4.

    In geval het totaalbedrag van de aangevraagde subsidies met betrekking tot dit hoofdstuk, het in artikel E4 vastgestelde subsidieplafond te boven gaat, verdeelt de minister de beschikbare middelen op basis van een bij loting door de notaris vastgestelde volgorde na afloop van het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel E3.

  • 5.

    In de in het voorgaande lid bedoelde situatie is artikel 9, derde lid, niet van toepassing.

Artikel

E7

Specifieke eisen

Een project in het kader van dit hoofdstuk, komt slechts voor subsidie in aanmerking indien:

  • a.

    het project past binnen het in artikel E5 omschreven doel;

  • b.

    het project een duur van ten hoogste negen maanden heeft;

  • c.

    het project uiterlijk binnen vier weken na verzending van het besluit tot verlening van de subsidie start;

  • d.

    werknemers van de subsidieaanvrager actief en aantoonbaar betrokken worden bij het project; en

  • e.

    drie referenties van drie verschillende opdrachtgevers worden overgelegd met betrekking tot de kennis en ervaring op het terrein van sociale innovatie van de beoogde adviseur of adviseurs.

Artikel

E8

Samenloop met andere subsidies

In aanvulling op hetgeen is bepaald in artikel 11 wordt in het kader van dit hoofdstuk geen subsidie verleend:

  • a.

    aan aanvragers aan wie op grond van Actie E reeds subsidie is toegekend en van wie het verzoek tot vaststelling van de subsidie nog niet is ontvangen;

  • b.

    aan aanvragers aan wie op grond van enige andere subsidieregeling voor het project subsidie is of zal worden verstrekt.

Artikel

E9

Subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 13 komen in het kader van dit hoofdstuk enkel voor subsidie in aanmerking de kosten van de door de adviseur werkelijk gerealiseerde uren voor ten minste een van onderstaande activiteiten, gericht op een of meer thema’s uit artikel E5:

  • a.

    het opstellen van een diagnose of advies; of

  • b.

    het in de praktijk laten uittesten of implementeren van een plan van aanpak.

Artikel

E10

Hoogte subsidie

  • 1.

    Wanneer de aanvraag aan de eisen van dit hoofdstuk voldoet verleent de minister steeds een subsidie van maximaal € 18.000,–.

  • 2.

    Voor de berekening van de subsidie wordt het uurtarief van de ingehuurde adviseur gemaximeerd op € 125,– exclusief BTW.

  • 3.

    Voor aan de subsidieaanvrager in rekening gebrachte BTW wordt geen subsidie verleend.

  • 4.

    De subsidie wordt op € 0,– vastgesteld wanneer de kosten van de adviseur, bedoeld in artikel E8, lager zijn dan € 13.000,–.

Artikel

E11

Voorschotten

Er worden geen voorschotten verstrekt. Artikel 15 en artikel 20 zijn, voor zover zij zien op bevoorschotting, niet van toepassing op subsidieaanvragen in het kader van Actie E.

Artikel

E12

Einddeclaratie en subsidievaststelling

  • 1.

    In afwijking van artikel 18, eerste lid, dient de begunstigde binnen vier weken na beëindiging van het project in het kader van dit hoofdstuk, een verzoek tot vaststelling in bij de minister. Bij het verzoek tot vaststelling van de subsidie wordt de door de adviseur opgestelde diagnose, het advies, het implementatieplan of een verslag gevoegd en de factuur of facturen van de adviseur(s) en de bijbehorende algemeen aanvaarde betalingsbewijzen.

  • 2.

    De minister beslist, in afwijking van artikel 18, derde lid, binnen dertien weken na ontvangst van het verzoek tot vaststelling.

HOOFDSTUK

II

DUURZAME INZETBAARHEID SECTOREN

Artikel

E13

Aanvrager

  • 1.

    De subsidie met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk wordt aangevraagd door een Opleidings- en Ontwikkelingsfonds (O&O fonds), dat door de minister op grond van de erkenningsregeling in Bijlage 2 van deze regeling, als subsidieaanvrager is erkend.

  • 2.

    Indien wordt samengewerkt met andere bij het project betrokken partijen wordt één O&O fonds aangewezen als subsidieaanvrager.

Artikel

E14

Aanvraagtijdvakken

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk worden door de minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 1 mei 2012, 9.00 uur, tot en met 30 juni 2014, 17.00 uur.

Artikel

E15

Subsidieplafond

Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel E14, € 10.200.000,–.

Artikel

E16

Doel

  • 1.

    In het kader van dit hoofdstuk kan uitsluitend subsidie worden aangevraagd voor projecten die sociale innovatie in de sector stimuleren en specifiek gericht zijn op duurzame inzetbaarheid. Hierbij wordt onder duurzame inzetbaarheid verstaan: het vermogen om gezond, vitaal en productief te blijven tot aan de pensioenleeftijd en de arbeidsproductiviteit te vergroten.

  • 2.

    Aanvragen als bedoeld in het eerste lid komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking wanneer het project is gericht op ten minste één van de onderstaande thema’s:

    • a.

      het stimuleren van arbeidsmobiliteit van werknemers, waaronder regionale en intersectorale arbeidsmobiliteit;

    • b.

      het bevorderen van gezond, veilig en vitaal werken en arbeidstijdenmanagement;

    • c.

      het bevorderen van sociaal innovatief en duurzaam ondernemerschap en employability.

Artikel

E17

De aanvraag

  • 1.

    De aanvraag in het kader van dit hoofdstuk wordt ingediend onder gebruikmaking van het daartoe door de minister elektronisch beschikbaar gestelde formulier en een door hem erkende elektronische handtekening.

  • 2.

    Er worden per aanvrager maximaal vier subsidieaanvragen tegelijk in behandeling genomen, waaronder

    • a.

      maximaal drie aanvragen als bedoeld in artikel E16;

    • b.

      maximaal één aanvraag die uitsluitend gericht is op het thema intersectorale arbeidsmobiliteit en waarbij aantoonbaar wordt samengewerkt met een andere partij of partijen.

Artikel

E18

Specifieke eisen

  • 1.

    Een project in het kader van dit hoofdstuk komt slechts voor subsidie in aanmerking indien:

    • a.

      het project past binnen het in artikel E16 omschreven doel;

    • b.

      het project een duur van ten hoogste vijftien maanden heeft, gerekend vanaf de datum van ontvangst van de volledige aanvraag;

    • c.

      drie referenties van drie verschillende opdrachtgevers worden overgelegd met betrekking tot de kennis en ervaring op het terrein van sociale innovatie van de beoogde externe adviseur of adviseurs.

  • 2.

    Niet voor subsidie in aanmerking komen projecten die gericht zijn op technische innovatie of op het uitvoeren van scholingsactiviteiten.

Artikel

E19

Samenloop

Onverminderd artikel 11 wordt in het kader van dit hoofdstuk geen subsidie verleend aan aanvragers aan wie op grond van dit hoofdstuk reeds vier maal subsidie is verleend en van wie ten aanzien van die subsidies het verzoek tot vaststelling van subsidie nog niet is ontvangen.

Artikel

E20

Subsidiabele kosten en producten

  • 1.

    In afwijking van artikel 13 komen enkel voor subsidie in aanmerking de kosten van de door een adviseur of intern personeel werkelijk gerealiseerde uren om te komen tot in ieder geval twee of meer van de onderstaande producten, ter uitvoering van één of meer thema’s uit artikel E16:

    • a.

      een rapport van onderzoek naar, of analyse van de stand van zaken binnen de sector;

    • b.

      een sectoraal beleidsplan met concrete doelstellingen en de haalbaarheid daarvan;

    • c.

      een communicatie- of voorlichtingsplan voor de sector, gericht op bewustwording of op implementatie;

    • d.

      een plan voor effectieve monitoring van de activiteiten op het gebied van duurzame inzetbaarheid;

    • e.

      de uitvoering en het verslag van een pilot of meerdere pilots, waarin sociaal innovatieve instrumenten, methoden en werkwijzen zijn getest;

    • f.

      de uitvoering en een verslag van voorlichtingsactiviteiten en/ of communicatie activiteiten;

    • g.

      de uitvoering en het verslag van een sectoraal beleidsplan;

    • h.

      de uitvoering en het verslag van een plan voor effectieve monitoring van de activiteiten op het gebied van duurzame inzetbaarheid.

  • 2.

    Aanvragers zijn verplicht om in ieder geval één product als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, f, g, of h, op te leveren.

  • 3.

    De producten dienen bij de einddeclaratie te worden gevoegd.

  • 4.

    De aanvrager betrekt organisaties die onder de werkingssfeer van het O&O fonds vallen actief en aantoonbaar bij het project, hetgeen moet blijken uit de op te leveren producten.

  • 5.

    De minister maakt de producten openbaar op grond van artikel 19, zevende lid.

  • 6.

    Kosten voor intern personeel komen enkel voor subsidie in aanmerking voor zover deze aantoonbaar ten behoeve van het project gemaakt zijn en berekend zijn op basis van het aantal werkelijk gerealiseerde uren tegen een individueel berekend uurtarief op basis van het brutoloon vermeerderd met een opslag van 32% en het aantal werkbare uren per jaar. Enkel bij een voltijds inzet van intern personeel kan gebruik gemaakt worden van een addendum bij de arbeidsovereenkomst.

Artikel

E21

Hoogte subsidie

  • 1.

    De subsidiabele kosten bedragen per project minimaal € 120.000,– en maximaal € 320.000,–.

  • 2.

    Voor de berekening van de subsidie wordt het uurtarief van de ingehuurde adviseur gemaximeerd op € 125,– exclusief BTW.

  • 3.

    Artikel 13, vierde lid, is niet van toepassing, tenzij de aanvrager aanbestedingsplichtig is op grond van de toepasselijke wettelijke regelingen.

  • 4.

    Indien bij het indienen, dan wel het controleren van de einddeclaratie blijkt, dat minder dan 60% van de totale subsidiabele kosten, genoemd in de beschikking tot subsidieverlening, is gerealiseerd, wordt het subsidiebedrag op nihil vastgesteld.

Artikel

E22

Voorschotten

Er worden geen tussentijdse voorschotten verstrekt. Artikel 15, eerste tot en met derde lid, zijn niet van toepassing op subsidieaanvragen in het kader van dit hoofdstuk.

Actie Jeugd

Additionele scholing, opleiding en toerusting van jongeren op of tot de arbeidsmarkt

Artikel

J1

Aanvrager

  • 1.

    De subsidie met betrekking tot een project in het kader van Actie Jeugd wordt aangevraagd door:

    • a.

      het college van burgemeester en wethouders van een coördinerende gemeente, zoals genoemd in artikel 1 van de regeling; of

    • b.

      een Opleidings- en Ontwikkelingsfonds dat door de minister op grond van de erkenningsregeling in Bijlage 2 van deze regeling als subsidieaanvrager is erkend, mits aantoonbaar een sectorarrangement is afgesloten.

  • 2.

    In deze regeling wordt onderscheiden Actie Jeugd 1, ten behoeve van de coördinerende gemeenten, en Actie Jeugd 2, ten behoeve van Opleidings & Ontwikkelingsfondsen als aanvrager.

Artikel

J2

Aanvraagtijdvakken

  • 1.

    De subsidieaanvraag met betrekking tot een project in het kader van Actie Jeugd 1, gericht op coördinerende gemeenten, als bedoeld in artikel 4, onderdeel f, wordt door de minister ontvangen in de periode van 2 december 2013, 09.00 uur tot en met 17 januari 2014, 17.00 uur.

  • 2.

    De subsidieaanvraag met betrekking tot een project in het kader van Actie Jeugd 2, gericht op O&O fondsen, als bedoeld in artikel 4, onderdeel f, wordt in het kalenderjaar 2010 door de minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 1 oktober 2010, 9.00 uur tot en met 31 oktober 2010, 17.00 uur.

Artikel

J3

Subsidieplafond

Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt:

  • a.

    voor aanvragen ten behoeve van projecten in het kader van Actie Jeugd 1, ingediend in 2009: € 25.000.000,–;

  • b.

    voor aanvragen ten behoeve van projecten in het kader van Actie Jeugd 2, ingediend in 2009: € 24.000.000,–;

  • c.

    voor aanvragen ten behoeve van projecten in het kader van Actie Jeugd 1, ingediend in de periode van 1 september 2010 tot en met 31 maart 2011: € 35.000.000,–;

  • d.

    voor aanvragen ten behoeve van projecten in het kader van Actie Jeugd 2, ingediend in 2010: € 25.000.000,–;

  • e.

    voor aanvragen ten behoeve van projecten in het kader van Actie Jeugd 1, ingediend in de periode van 2 december 2013 tot en met 17 januari 2014: € 61.600.000,–.

Artikel

J4

Doel en doelgroep

Een project in het kader van Actie J heeft tot doel het voorkomen van jeugdwerkloosheid, respectievelijk het vergroten van de mogelijkheden tot scholing, opleiding en arbeidsinpassing van jongeren.

Artikel

J5

Verdeling van het beschikbare bedrag

  • 1.

    Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie in het kader van Actie Jeugd 1 voor aanvragen, ingediend in de periode van 1 september 2010 tot en met 31 maart 2011, is per coördinerende gemeente vastgelegd in bijlage 4.

  • 2.

    Voor het verlenen van subsidie in het kader van Actie Jeugd 2 bedraagt het maximaal beschikbare bedrag per aanvrager € 2.000.000,–.

  • 3.

    Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie in het kader van Actie Jeugd 1 voor aanvragen, ingediend in de periode van 2 december 2013 tot en met 17 januari 2014, is per coördinerende gemeente Actie Jeugd 1 in 2013–2015, vastgelegd in bijlage 5.

Artikel

J6

Specifieke eisen

  • 1.

    Een project in het kader van Actie Jeugd komt slechts voor subsidie in aanmerking indien:

    • a.

      het project past binnen het doel, zoals omschreven in artikel J 4;

    • b.

      een project in het kader van Actie Jeugd 1, zoals omschreven in artikel J2, eerste lid, een duur van ten hoogste 18 maanden heeft, gerekend vanaf de indiening van een volledige aanvraag;

    • c.

      het project in het kader van Actie Jeugd 2 als bedoeld in artikel J2, tweede lid, een duur van ten hoogste 18 maanden heeft, gerekend vanaf de indiening van een volledige aanvraag;

    • c.

      bij de aanvraag van een project door een O&O-fonds een sectorarrangement is overgelegd;

    • d.

      de kosten van het project van een O&O-fonds meer bedragen dan € 1.250.000,–.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, heeft een project in het kader van Actie Jeugd 1 als bedoeld in artikel J2, eerste lid, een duur tot uiterlijk 1 november 2015, indien de aanvraag door de minister is ontvangen in de periode van 2 december 2013 tot en met 17 januari 2014. De duur van de subsidieverlening wordt ambtshalve tot 1 november 2015 verlengd.

Artikel

J7

Subsidiabele activiteiten

  • 1.

    Voor subsidie komen slechts de volgende activiteiten in aanmerking, voor zover zij de doelstelling uit artikel J4 ondersteunen:

    • a.

      met betrekking tot Jeugd 1: activiteiten die gericht zijn op het vergroten van duurzame arbeidsinpassing met inbegrip van re-integratietrajecten, waaronder begrepen scholing, training en begeleiding, dan wel die aansluiten bij het regionale plan van aanpak, actieplan, of het Actieplan Jeugdwerkloosheid;

    • b.

      met betrekking tot Jeugd 2: activiteiten die aansluiten bij de afspraken uit het sectorarrangement.

Artikel

J8

Prioritering Actie Jeugd 2

  • 1.

    Het door de minister ingestelde Comité van experts Actie Jeugd zal de aanvragen die zijn ingediend in het kader van Actie Jeugd 2 toetsen aan de hand van de hieronder beschreven kwalitatieve criteria.

    De mate waarin voldaan wordt aan deze criteria wordt beoordeeld door het Comité. Projecten die in hogere mate voldoen aan bedoelde criteria hebben voorrang op de projecten die in mindere mate aan deze criteria voldoen. Het Comité van experts rangschikt de aanvragen en brengt hierover binnen vier weken na het einde van het aanvraagtijdvak advies uit aan de minister. De criteria zijn:

    • a.

      aansluiting bij het actieplan jeugdwerkloosheid;

    • b.

      de mate waarin aandacht wordt geschonken aan kwetsbare jongeren;

    • c.

      de mate waarin een sector vergrijsd is en op korte en middellange termijn te maken krijgt met tekorten;

    • d.

      de mate waarin de activiteiten bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen van het project;

    • e.

      de mate waarin aan een aanvrager al eerder subsidie is toegekend in het kader van de ESF 2007–2013, Actie Jeugd, waarbij aanvragers aan wie niet eerder subsidie is toegekend voorrang hebben op aanvragers aan wie wel al eerder subsidie is toegekend in het kader van Actie Jeugd van deze regeling.

  • 2.

    Bij gelijke waardering bepaalt het tijdstip van ontvangst de volgorde, waarbij de volledige subsidieaanvraag die op een eerder tijdstip door de minister is ontvangen een hogere rangorde heeft dan een volledige subsidieaanvraag die op een later tijdstip is ontvangen.

Artikel

J9

Nadere regels omtrent de toekenning subsidie Actie Jeugd I periode 2013/14

  • 1.

    Indien het subsidieplafond voor aanvragen als bedoeld in artikel J3, onderdeel e, niet wordt bereikt en er aanvragers zijn die een aanvraag hebben ingediend voor een bedrag hoger dan het op grond van artikel J5, derde lid, voor hen beschikbare bedrag, kan de minister besluiten die aanvragers dat hogere subsidiebedrag te verlenen.

  • 2.

    Indien het bedrag, noodzakelijk voor de hogere bedragen van de subsidieaanvragen in verband met het subsidieplafond, bedoeld in artikel J3, onderdeel e, niet toereikend is voor het verlenen van de subsidie in overeenstemming met die aanvragen, verleent de minister aan die aanvragers een hoger bedrag aan subsidie, rekening houdend met het aantal jongeren per arbeidsmarktregio, dat is geregistreerd als werkloze werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Bijlage

2

Erkenning van o&o fondsen

Artikel

1

Erkenning O&O fonds

  • 1.

    Een Opleidings- en Ontwikkelingsfonds wordt op diens verzoek door de minister als subsidieaanvrager erkend, indien:

    • a.

      sprake is van een door vertegenwoordigers van:

      • i.

        werkgevers en werknemers beheerd samenwerkingsverband per bedrijfstak of onderneming, of

      • ii.

        zelfstandigen zonder personeel beheerd samenwerkingsverband per bedrijfstak;

    • b.

      het onder a bedoelde samenwerkingsverband een stichting als bedoeld in artikel 285, eerste lid, van Boek 2 van Burgerlijk Wetboek is;

    • c.

      het bestuur van deze stichting bevoegd is te besluiten tot het aangaan van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding en bezwaring van registergoederen, en tot het aangaan van overeenkomsten waarbij de stichting zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van een ander verbindt;

    • d.

      het doel van het Opleidings- en Ontwikkelingsfonds helder is afgebakend;

    • e.

      de meest recente jaarrekening wordt overgelegd, voorzien van een van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek afkomstige verklaring omtrent de getrouwheid onderscheidenlijk een mededeling, inhoudende dat van onjuistheden niet is gebleken; en

    • f.

      aannemelijk is dat het Opleidings- en Ontwikkelingsfonds niet in betalingsonmacht verkeert of dreigt te verkeren.

  • 2.

    De jaarrekening, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, is in ieder geval niet ouder dan de jaarrekening die betrekking heeft op het tweede kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarin het verzoek tot erkenning als subsidieaanvrager wordt gedaan.

  • 3.

    Bij het verzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt overgelegd:

  • 4.

    Indien na de akte van oprichting de statuten zijn gewijzigd, wordt tevens overgelegd een afschrift van de ten kantore van het in artikel 293 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde register neergelegde gewijzigde statuten.

  • 5.

    De minister beslist uiterlijk vier weken na ontvangst van het verzoek, bedoeld in het eerste lid.

  • 6.

    De minister kan reeds erkende aanvragers op elk gewenst moment verplichten de meest recente jaarrekening, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, te verstrekken.

Artikel

2

Verplichting erkende subsidieaanvrager

Het Opleidings- en Ontwikkelingsfonds dat door de minister als subsidieaanvrager is erkend doet onverwijld mededeling aan de minister van omstandigheden, die van invloed kunnen zijn op de erkenning als subsidieaanvrager.

Artikel

3

Intrekking erkenning als subsidieaanvrager

De minister trekt de beschikking tot erkenning als subsidieaanvrager schriftelijk in, indien gebleken is dat het Opleidings- en Ontwikkelingsfonds niet langer aan een van de onderdelen van artikel 1, eerste lid, onder a tot en met f, voldoet.

Artikel

4

Erkenning als subsidieaanvrager op andere grondslag

Een erkenning als subsidieaanvrager die is verleend op grond van de Subsidieregeling ESF 2007–2013 wordt aangemerkt als een erkenning op grond van artikel 1 van deze Bijlage.

Bijlage

3

Procedure voor authentiek gewaarmerkte versies van originele bewijsstukken en digitale bewijsstukken

In het kader van de verantwoording op de einddeclaratie dient de begunstigde de kosten te onderbouwen met originele bewijsstukken. De Europese Verordening maakt het mogelijk gewaarmerkte kopieën of volledig digitale documenten te accepteren als bewijsstuk. Hiertoe moet door de lidstaat een waarmerkingsprocedure voor de vaststelling van de authenticiteit worden opgesteld (artikel 19 van Verordening (EG) 1828/2006). In deze bijlage worden de door Nederland vastgestelde procedures weergegeven.

De Europese Commissie accepteert op basis van bovengenoemd artikel tenminste de volgende documenten als bewijsstukken:

  • a.

    fotokopieën van originelen;

  • b.

    microfiches van originelen;

  • c.

    elektronische versies van originelen;

  • d.

    documenten die uitsluitend in elektronische versie bestaan, mits de gebruikte computersystemen voldoen aan aanvaarde beveiligingsnormen die waarborgen dat de bewaarde documenten voldoen aan de eraan te stellen wettelijke eisen en dat bij controles op deze documenten kan worden gesteund.

Hieronder vindt u de procedures om deze stukken te kunnen gebruiken als geaccepteerde bewijsstukken in het kader van de ESF-administratie.

Procedure voor het waarmerken van geconverteerde documenten (onderdelen a, b en c)

De Belastingdienst spreekt van conversie van gegevens op het moment dat gegevens vanaf de originele gegevensdrager worden overgezet naar een andere gegevensdrager. In de opsomming van de Europese Commissie (artikel 19 van Verordening (EG) 1828/2006) gaat het dan om de onderdelen a, b en c: fotokopieën van originelen, microfiches van originelen en elektronische versies van originelen.

U kunt deze geconverteerde gegevens onder voorwaarden gebruiken als bewijsstukken ter onderbouwing van de ESF-administratie. Als dit op de juiste wijze gebeurt, is het, in het kader van de ESF-verantwoording, niet meer noodzakelijk de bewijsstukken op de originele gegevensdrager te bewaren. Het geconverteerde bewijsstuk mag na conversie niet meer gewijzigd kunnen worden.

Voorwaarde hierbij is dat het document dat naar een nieuwe gegevensdrager is geconverteerd wordt gewaarmerkt door de subsidieaanvrager of door de eigenaar van het document. Dit om de authenticiteit van het geconverteerde document te waarborgen.

De waarmerkprocedure zorgt ervoor dat de geconverteerde documenten kunnen worden gebruikt in het kader van de ESF-verantwoording, als zijnde de originele bewijsstukken. Dit wordt als volgt bewerkstelligd.

  • 1.

    Waarmerking door de eigenaar van de originele bewijsstukken:

    De betrokken functionaris zet een waarmerk door (1.) een handtekening en (2.) de datum van waarmerking te zetten op het originele document of het geconverteerde document (het waarmerk moet in ieder geval zichtbaar zijn op het geconverteerde document). Daarbij wordt aangegeven dat het gaat om (3.) een kopie van het origineel ten behoevevan de ESF administratie, of wanneer het waarmerk op het origineel wordt geplaatst, dat het document is gewaarmerkt ten behoeve van de ESF-administratie.

    Op deze manier waarborgt de eigenaar van de bewijsstukken de authenticiteit van het geconverteerde document dat wordt gebruikt als verantwoording voor het ESF-project.

  • 2.

    Waarmerking door de aanvrager van de subsidie:

    Niet altijd is de eigenaar van de bewijsstukken ook de aanvrager van de subsidie. In die gevallen is het ook toegestaan dat de aanvrager de geconverteerde documenten waarmerkt (in de praktijk gaat het veelal om kopieën). De aanvrager borgt hierbij de authenticiteit van de geconverteerde bewijsstukken door onder andere een relatie te leggen met de overige bewijsstukken in het betreffende projectdossier. Bij een factuur bijvoorbeeld behoort ook een betaalbewijs, een bewijs van deelname of een bewijsstuk met betrekking tot de inkoopprocedure. De onderlinge relatie van deze documenten zorgt ervoor dat de authenticiteit van het geconverteerde document is gewaarborgd en dat hierop voor auditdoeleinden kan worden vertrouwd. Indien er voor de aanvrager voldoende waarborgen zijn over de authenticiteit van het geconverteerde bewijsstuk waarmerkt hij/zij dit document conform de handelswijze hierboven beschreven onder punt 1.

    Geconverteerde bewijsstukken die op de hierboven omschreven wijze zijn gewaarmerkt dienen als bewijsstukken voor de administratieve verantwoording in het kader van ESF. Voor de ESF-administratie hoeven de originele documenten dan niet te worden bewaard. De twee procedures die hierboven zijn omschreven kunnen binnen een project tegelijkertijd en door elkaar worden toegepast.

Procedure voor het bewaren van stukken die uitsluitend in elektronische versie bestaan (onderdeel d)

Indien een begunstigde gebruik maakt van elektronische documenten waarbij uitsluitend een elektronische versie bestaat dienen de geautomatiseerde systemen voorzien te zijn van beheers- en beveiligingsmaatregelen die de betrouwbaarheid, authenticiteit en integriteit van de elektronische gegevens waarborgen. Het is aan de begunstigde om dit aan te tonen. Hierbij kan worden aangesloten op de voorschriften die de Belastingdienst stelt aan digitale administraties. Voor een tweetal veel voorkomende situaties zijn de voorschriften hieronder uitgewerkt:

  • 1.

    Digitale urenadministratie:

    om aan de eisen van betrouwbaarheid, authenticiteit en integriteit van de elektronische gegevens te kunnen voldoen moet de begunstigde kunnen aantonen dat:

    • De functiescheiding binnen het systeem wordt gewaarborgd;

    • De tijdigheid binnen het systeem wordt gewaarborgd;

    • Vaststellingen na accorderen door de leidinggevende niet meer te wijzigen zijn.

    Het is aan de subsidieaanvrager om dit aan te tonen.

  • 2.

    Facturen die digitaal worden verzonden:

    om aan de eisen van betrouwbaarheid, authenticiteit en integriteit van de elektronische gegevens te kunnen voldoen kan de aanvrager via de onderlinge relatie met andere documenten (zoals onder andere een betaalbewijs) aantonen dat de voor de controle kan worden gesteund op de digitale factuur.

Voor welk soort bewijsstukken kunnen de in deze bijlage beschreven procedures worden toegepast?

De in deze bijlage omschreven procedures gelden voor bewijsstukken – zoals benoemd in artikel 16, lid 1 – die inzichtelijk moeten zijn in het kader van de ESF verantwoording.

Stukken die in origineel dan wel gewaarmerkt onderdeel moeten zijn van de ESF-projectadministratie, zijn bijvoorbeeld: facturen, betaalbewijzen, urenstaten en presentielijsten.

Voor stukken die niet in het bezit zijn van de uiteindelijk begunstigde partij of de aanvrager kunnen ook kopieën of digitale versies worden bewaard waarop geen waarmerking heeft plaatsgevonden.

Het gaat hier bijvoorbeeld om stukken die in het bezit zijn van de deelnemers aan projecten, zoals ID-bewijzen, loonstroken en behaalde diploma’s.

Bijlage

4

Subsidieplafonds coördinerende gemeenten

Emmen

Drenthe

960.000

Leeuwarden

Friesland

1.470.000

Groningen

Groningen

1.490.000

Doetinchem

Achterhoek

570.000

Arnhem

Gelderland-Midden/Arnhem

1.150.000

Nijmegen

Gelderland-Zuid/Nijmegen

680.000

Zwolle

Noord-Overijssel

860.000

Tiel

Rivierenland

490.000

Apeldoorn

Stedendriehoek

1.100.000

Enschede

Twente

1.360.000

Venlo

Noord- en Midden Limburg

970.000

’s-Hertogenbosch

’s-Hertogenbosch

1.280.000

Tilburg

Tilburg

910.000

Heerlen

Zuid-Limburg

1.530.000

Eindhoven

Zuid-Oost Brabant

1.460.000

Amsterdam

Groot Amsterdam

2.280.000

Alkmaar

Noord-Kennemerland (+ West Friesland)

1.280.000

Zaanstad

Zaanstreek / Waterland

590.000

Haarlem

Zuid-Kennemerland

720.000

Almere

Flevoland

1.190.000

Hilversum

Gooi- en Vechtstreek

440.000

Den Haag

Haaglanden

2.000.000

Leiden

Holland-Rijnland

1.090.000

Gouda

Midden-Holland

520.000

Utrecht

Utrecht-Midden

1.680.000

Amersfoort

Utrecht-Oost

740.000

Dordrecht

Drechtsteden

910.000

Goes

Noord-Midden Zeeland / Zeeuws-Vlaanderen

700.000

Rotterdam

Rijnmond

3.290.000

Breda

West-Brabant

1.290.000

35.000.000

Bijlage

5

behorend bij artikel J5, derde lid, van de Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 24 augustus 2009, nr. R&P/RA/2009/17756, tot de besteding van gelden uit het Europees Sociaal Fonds 2007–2013 (Subsidieregeling ESF 2007–2013 (herzien))

1. Groningen

Groningen

€ 4.332.811

2. Friesland

Leeuwarden

€ 3.128.400

3. Drenthe

Emmen

€ 1.415.448

4. Noord-Holland Noord

Alkmaar

€ 1.669.122

5. Zaanstreek/Waterland

Zaanstad

€ 937.500

6. Flevoland

Almere

€ 2.360.685

7. IJsselvechtstreek

Zwolle

€ 1.073.722

8. Kennemerland (Zuid)

Haarlem

€ 1.218.549

9. Amsterdam (Groot)

Amsterdam

€ 5.993.016

10. Gooi- en Vechtstreek

Hilversum

€ 685.200

11. Stedenvierkant

Apeldoorn

€ 1.923.900

12. Twente

Enschede

€ 2.502.066

13. Holland (Rijnland)

Leiden

€ 1.350.000

14. Utrecht (Oost)

Amersfoort

€ 749.250

15. Haaglanden

Den Haag

€ 3.691.650

16. Holland (Midden)

Gouda

€ 630.000

17. Utrecht (Midden)

Utrecht

€ 2.592.198

18. Gelderland (Midden)

Arnhem

€ 1.312.104

19. Achterhoek

Doetinchem

€ 1.067.286

20. Rijnmond

Rotterdam

€ 4.717.741

21. Drechtsteden

Dordrecht

€ 746.616

22. Rivierenland

Tiel

€ 630.000

23. Gelderland (Zuid)

Nijmegen

€ 1.615.068

24. Brabant (Noord-Oost)

‘s-Hertogenbosch

€ 1.889.859

25. Zeeland

Goes

€ 2.101.947

26. Brabant (West)

Breda

€ 2.008.800

27. Brabant (Midden)

Tilburg

€ 1.694.280

28. Limburg (Noord)

Venlo

€ 447.336

29. Brabant (Zuid-Oost)

Eindhoven

€ 1.547.239

30. Limburg (Zuid)

Heerlen

€ 2.758.500

31. Zuid-Holland (Centraal)

Zoetermeer

€ 1.158.784

32. Food Valley

Ede

€ 460.278

33. Gorinchem

Gorinchem

€ 350.400

34. Helmond-De Peel

Helmond

€ 832.500

Totaal

€ 61.592.255