Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de Minister van Verkeer en Waterstaat en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 6 april 2010, nr. BJZ2010006068, Directie Bestuurlijke en Juridische Zaken, houdende bepalingen met betrekking tot het vaststellen van een monitoringsprogramma ter uitvoering van richtlijn nr. 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEU L 327) en de beschikking van de Europese Commissie van 30 oktober 2008 tot vaststelling van de indelingswaarden voor de monitoringssystemen van de lidstaten die het resultaat zijn van de intercalibratie, overeenkomstig richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad (PbEU L 332) (Regeling monitoring kaderrichtlijn water)
Regeling monitoring kaderrichtlijn water
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de Minister van Verkeer en Waterstaat en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
Gelet op:
richtlijn nr. 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEG L 327);
de beschikking van de Europese Commissie van 30 oktober 2008 tot vaststelling van de indelingswaarden voor de monitoringssystemen van de lidstaten die het resultaat zijn van de intercalibratie, overeenkomstig richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie (PbEU L 332), en
intercalibratiebeschikking: beschikking van de Europese Commissie van 30 oktober 2008 tot vaststelling van de indelingswaarden voor de monitoringssystemen van de lidstaten die het resultaat zijn van de intercalibratie, overeenkomstig richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad (PbEU L 332);
kwaliteitselement: kwaliteitselement dat is vermeld in bijlage V, paragraaf 1.1, bij de kaderrichtlijn water;
Stowa-rapport: het rapport Referenties en maatlatten voor natuurlijke watertypen voor de kaderrichtlijn water, STOWA 2007-32 en RWS-WD 2007 018 van de Stichting toegepast onderzoek waterbeheer, zoals gepubliceerd op: http://www.stowa.nl/.
Artikel
2
Voor de operationalisering van de algemene definities van de ecologische toestand, die in bijlage V, de tabellen 1.2.1 tot en met 1.2.4, van de kaderrichtlijn water zijn opgenomen, ten behoeve van de opstelling en uitvoering van het monitoringsprogramma wordt voor elk van de in Nederland voorkomende typen natuurlijke waterlichamen voor de in bijlage V, paragraaf 1.1, van de kaderrichtlijn water vermelde kwaliteitselementen, uitgezonderd het kwaliteitselement specifieke verontreinigende stoffen, het met inachtneming van de intercalibratiebeschikking opgestelde Stowa-rapport gehanteerd.
Artikel
3
In het monitoringsprogramma wordt ten behoeve van de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het besluit bepaald dat een oppervlaktewaterlichaam voor een kwaliteitselement voldoet aan de richtwaarde voor de goede ecologische toestand van het type natuurlijk oppervlaktewaterlichaam waartoe het waterlichaam behoort, indien het oppervlaktewaterlichaam blijkens de monitoringsresultaten:
voor het kwaliteitselement specifieke verontreinigende stoffen geen hogere concentratie van een in de bijlage bij deze regeling vermelde stof bevat dan de waarde die daarin voor de desbetreffende stof is vermeld, en voor de andere kwaliteitselementen voldoet aan alle waarden, die voor deze kwaliteitselementen voor het type natuurlijk oppervlaktewaterlichaam waarin het desbetreffende waterlichaam is ingedeeld, zijn opgenomen in het Stowa-rapport.
In het monitoringsprogramma wordt ten behoeve van de toepassing van artikel 6, tweede lid, van het besluit bepaald dat een sterk veranderd of kunstmatig oppervlaktewaterlichaam voor een kwaliteitselement voldoet aan het vereiste van een goed ecologisch potentieel, indien het oppervlaktewaterlichaam blijkens de monitoringsresultaten voldoet aan de specificaties die voor het kwaliteitselement zijn vastgesteld in:
het beheerplan voor de rijkswateren, indien het rijkswateren betreft;
het regionale waterplan, indien het regionale wateren betreft.
Voor de indeling van een oppervlaktewaterlichaam in een type natuurlijk oppervlaktewaterlichaam worden de karakteriseringen gehanteerd, die voor de onderscheiden typen natuurlijke oppervlaktewaterlichamen zijn opgenomen in het Stowa-rapport.
Artikel
4
In het monitoringsprogramma wordt ten behoeve van de indeling van een oppervlaktewaterlichaam of een grondwaterlichaam in een toestandsklasse van de chemische toestand uitgegaan van de laagste toestandsklasse waarin het waterlichaam blijkens de monitoringsresultaten voor een in bijlage I, onderscheidenlijk bijlage II, bij het besluit vermelde stof is ingedeeld.
In het monitoringsprogramma wordt ten behoeve van de indeling van een oppervlaktewaterlichaam in een toestandsklasse voor het kwaliteitselement specifieke verontreinigende stoffen uitgegaan van de laagste toestandsklasse waarin het waterlichaam blijkens de monitoringsresultaten voor een in de bijlage bij deze regeling vermelde stof is ingedeeld.
In het monitoringsprogramma worden ten behoeve van de indeling van een natuurlijk oppervlaktewaterlichaam in een toestandsklasse van de ecologische toestand de grenzen tussen de in artikel 16, vijfde lid, onderdeel a, 2°, van het besluit onderscheiden toestandsklassen vastgesteld in overeenstemming met het Stowa-rapport.
In het monitoringsprogramma wordt bepaald dat de indeling van een sterk veranderd of kunstmatig oppervlaktewaterlichaam in een toestandsklasse van het ecologisch potentieel plaatsvindt met toepassing van de ‘Handreiking MEP/GEP, handreiking voor vaststellen van status, ecologische doelstellingen en bijpassende maatregelenpakketten voor niet-natuurlijke wateren’ van de Projectgroep Implementatie Handreiking, Ministerie van Verkeer en Waterstaat, van november 2005. Hierbij wordt uitgegaan van het goede ecologisch potentieel dat voor het waterlichaam is vastgesteld in:
voor rijkswateren: het beheerplan voor de rijkswateren;
Tabel Indicatoren voor de goede ecologische kwaliteit van oppervlaktewaterlichamen (specifieke verontreinigende stoffen)
1.
Deze bijlage heeft betrekking op de monitoring van de kwaliteitselementen van de ecologische toestand, onderscheidenlijk het ecologische potentieel, die in bijlage V, paragraaf 1.1, bij de kaderrichtlijn water zijn opgenomen als ‘specifieke synthetische verontreinigende stoffen’ en ‘specifieke niet-synthetische verontreinigende stoffen’.
De in de tabel opgenomen concentratiewaarden voor specifieke verontreinigende stoffen zijn vastgesteld overeenkomstig de procedure, die is beschreven in bijlage V, paragraaf 1.2.6, bij de kaderrichtlijn water, met dien verstande dat bij de toepassing van deze procedure tevens rekening is gehouden met de toxiciteit van chemische stoffen voor mensen en dieren via het aquatische milieu en de lijst van stoffen die is opgenomen in bijlage VIII bij de kaderrichtlijn water.
De indeling van een oppervlaktewaterlichaam in een van de toestandsklassen waarin de ecologische toestand, onderscheidenlijk het ecologisch potentieel, is onderverdeeld vindt plaats overeenkomstig het monitoringsprogramma, aan de hand van de omschrijvingen die zijn opgenomen in bijlage V, paragraaf 1.2, de tabellen 1.2.1 tot en met 1.2.5, bij de kaderrichtlijn water.
Tabel 1 Indicatoren voor de goede ecologische kwaliteit oppervlaktewaterlichamen (stoffen)
2
2-amino-4-chloorfenol
95-85-2
10
4
Arseen (en anorganische verbindingen daarvan)
7440-38-2
32
5
Azinfos-ethyl
2642-71-9
0,0011
0,00011
0,011
0,0011
6
Azinfos-methyl
86-50-0
0,0065
0,0013
0,014
0,0028
8
Benzidine
92-87-5
0,6**
9
Benzylchloride (alfa-chloortolueen)
100-44-7
310
10
Benzylideenchloride (alfa,alfa-dichloortolueen)
98-87-3
4,6**
11
Bifenyl
92-52-4
1,5**
14
Chlooralhydraat
302-17-0
500**
15
Chloordaan
57-74-9
0,002
16
Chloorazijnzuur
79-11-8
0,58
0,058
0,58
0,058
17
2-chlooraniline
95-51-2
0,2
0,032
10
1,0
18
3-chlooraniline
108-42-9
0,41
0,065
4,6
0,46
19
4-chlooraniline
106-47-8
0,22
0,057
1,2
0,12
20
Chloorbenzeen
108-90-7
690
21
1-Chloor-2,4-dinitrobenzeen
97-00-7
0,54**
22
2-Chloorethanol
107-07-3
155**
24
4-Chloor-3-methylfenol
59-50-7
6,4
0,64
64
6,4
25
1-Chloornaftaleen
90-13-1
0,77*
26
Chloornaftalenen (technisch mengsel)
0,77*,1
27
4-Chloor-2-nitroaniline
89-63-4
3
28
1-Chloor-2-nitrobenzeen
88-73-3
29*
29
1-Chloor-3-nitrobenzeen
121-73-3
0,55*
30
1-Chloor-4-nitrobenzeen
100-00-5
19*
31
4-Chloor-2-nitrotolueen
89-59-8
4*
32
Chloornitrotoluenen (andere dan 4-Chloor-2-nitrotolueen)
16*1
33
2-Chloorfenol
95-57-8
35
3,5
110
11
34
3-Chloorfenol
108-43-0
4
0,4
400
40
35
4-Chloorfenol
106-48-9
16
3,2
89
18
36
Chloropreen (2-Chloor-1,3-butadieen)
126-99-8
19
1,9
n.a.
n.a.
37
3-Chloorpropeen (allylchloride)
107-05-1
0,34
0,034
3,4
0,34
38
2-Chloortolueen
95-49-8
310
39
3-Chloortolueen
108-41-8
310
40
4-Chloortolueen
106-43-4
310
41
2-Chloor-p-toluïdine
615-65-6
36*
42
Chloortoluïdinen (andere dan 2-Chloor-p-toluïdine)
* de weergegeven kwaliteitseis geldt voor de stof in opgeloste vorm
** De richtwaarden in de kolommen 5 en 6 zijn waarden uitgedrukt als jaargemiddelde (JG-MKN). Tenzij anders is aangegeven, zijn zij van toepassing op de totale concentratie van alle isomeren. Bij de toepassing van de richtwaarden geldt dat voor elk representatief monitoringspunt voor het waterlichaam het rekenkundig gemiddelde van de op verschillende tijdstippen in de loop van het jaar gemeten concentraties niet boven de aangegeven waarde ligt. De berekening van het rekenkundig gemiddelde en de te gebruiken analysemethode geschieden in overeenstemming met het bepaalde krachtens artikel 20 van de kaderrichtlijn water, met inbegrip van de wijze waarop een MKN wordt toegepast indien geen passende analysemethode bestaat die voldoet aan de minimale prestatiekenmerken. De waarden in de kolommen 7 en 8 zijn uitgedrukt als maximaal aanvaardbare concentratie (MAC-MKN). Bij de toepassing van deze waarden geldt dat voor elk representatief monitoringspunt voor het waterlichaam geen enkele gemeten concentratie op enig representatief monitoringspunt in dit water boven de norm ligt. De MKN worden, met uitzondering van de waarden voor metalen uitgedrukt als totale concentratie in het volledige watermonster. Voor metalen hebben de MKN betrekking op de opgeloste concentratie. Dit is de opgeloste fase van een watermonster die wordt verkregen door filtratie over een filter van 0,45 µm of een gelijkwaardige voorbehandeling.
1 Waarde geldt voor individuele stoffen uit de groep.
2 Waarde geldt voor zoete oppervlaktewateren.
3 Waarde geldt voor zoute oppervlaktewateren.
4 Voor de eisen die zijn opgenomen in de kolommen 5 t/m 8 kan in het monitoringsprogramma worden bepaald dat bij toetsing van de resultaten van de monitoring aan de richtwaarden een correctie kan worden toegepast, waarbij rekening wordt gehouden met:
a) natuurlijke achtergrondconcentraties voor metalen en hun verbindingen, indien deze de naleving van de MKN beletten; en
b) de hardheid, de pH of andere waterkwaliteitsparameters die de biologische beschikbaarheid van metalen beïnvloeden.
5 Waarden geldt voor de som van genoemde verbindingen.
6 Bij de waarde dient de lokale achtergrondconcentratie te worden opgeteld.
7 De getalswaarden voor de totale concentratie in water gelden voor een zwevende stof concentratie van 30 mg/l. Zie voor de methode van standaardisatie bijlage 9 en bijlage 8 van het CIW-rapport ‘Normen voor het waterbeheer’ van mei 2000.
8 De getalswaarden voor de totale concentratie in water zijn gebaseerd op een standaard samenstelling van zwevende stof van 20% organische stof en 40% lutum.
9 In het monitoringsprogramma kan worden bepaald dat met het oog op het toezicht op de naleving van de waarde oppervlaktewater totaal voor een stof bij de monitoring wordt uitgegaan van de waarde voor de concentratie van die stof in zwevend stof, die overeenkomt met het maximaal toelaatbaar risico (MTR), waarmee hetzelfde niveau van bescherming wordt geboden dat is beoogd met de waarde oppervlaktewater totaal. Dit is toegestaan in situaties waarin de monitoring van de totale concentratie van die stof in oppervlaktewater onvoldoende waarborgen biedt dat betrouwbare en nauwkeurige informatie wordt verkregen die bruikaar is voor het toezicht op de naleving van de waarde en de monitoring van concentraties van de stof in zwevend stof betrouwbaarder of nauwkeuriger informatie oplevert.
10 Deze eis betreft een waarde voor zwevend stof. De getalswaarde voor zwevend stof is gebaseerd op een standaard samenstelling van zwevend stof van 20% organische stof en 40% lutum. In het monitoringsprogramma kan worden bepaald dat met het oog op het toezicht op de naleving van de waarde zwevend stof voor PCB’s bij de monitoring wordt uitgegaan van een waarde oppervlaktewater totaal, waarmee hetzelfde niveau van bescherming wordt geboden dat is beoogd met de waarde zwevend stof. Dit is toegestaan indien voldoende waarborgen bestaan dat met de monitoring betrouwbare en nauwkeurige informatie wordt verkregen die bruikaar is voor het toezicht op de naleving van de waarde.
11 Deze eis is uitgedrukt in mg N (NH4-N + NH3-N)/l, en geldt bij een pH van 7,7 en een temperatuur van 15° C. In het monitoringsprogramma wordt bepaald dat bij toetsing van de resultaten van de monitoring aan de richtwaarden een correctie wordt toegepast, waarbij rekening wordt gehouden met de actuele pH en temperatuur.