Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 16 april 2010, nr. WJZ/204802 (8258), houdende regels voor de subsidiëring van cultuuruitingen (Regeling op het specifiek cultuurbeleid)

Regeling op het specifiek cultuurbeleid

Hoofdstuk

1

Begripsbepalingen

Artikel

1.1

Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • instelling: privaatrechtelijke rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid;

  • minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

  • wet: Wet op het specifiek cultuurbeleid.

Hoofdstuk

2

Algemene bepalingen voor verstrekking van subsidies aan instellingen en fondsen op grond van de artikelen 4a en 4c van de wet

§

2.1

Algemeen

§

2.2

Subsidieaanvraag

Artikel

2.2

Aanvraagtermijnen

Om in aanmerking te komen voor subsidie, dient de instelling overeenkomstig de aanvraagtermijn in hoofdstuk 3 een subsidieaanvraag in.

Artikel

2.3

In te dienen documenten

De subsidieaanvraag gaat in ieder geval vergezeld van:

  • a.

    een activiteitenplan; en

  • b.

    een begroting.

Artikel

2.4

Activiteitenplan

Het activiteitenplan omvat een overzicht van de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd en de daarmee na te streven doelstellingen.

Artikel

2.5

Begroting

Artikel

2.6

Aanvullende bescheiden

Artikel

2.7

Melden gelijke subsidieaanvragen

Voor zover de aanvrager voor dezelfde begrote lasten tevens subsidie heeft aangevraagd bij een of meer andere bestuursorganen, maakt hij dat inzichtelijk in de aanvraag.

§

2.3

Subsidieverlening

Artikel

2.8

Beslistermijn

De minister beslist op de aanvraag voor subsidie binnen 40 weken na afloop van de periode waarin aanvragen kunnen worden ingediend en uiterlijk dertien weken voor de periode van vier kalenderjaren waarvoor subsidie wordt gevraagd.

Artikel

2.9

Weigeringsgronden

Artikel

2.10

Wijziging subsidiebedrag

Artikel

2.11

Voorschotten

§

2.4

Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel

2.12

Besteding van de subsidie

De subsidieontvanger zorgt ervoor dat de werkzaamheden op een zodanige manier worden uitgevoerd dat de subsidie op doelmatige wijze wordt gebruikt voor de doeleinden waarvoor deze wordt verleend.

Artikel

2.13

Te voeren administratie

Artikel

2.14

Meldingsplicht

Artikel

2.15

Periodieke verslaglegging

Artikel

2.15a

Besteding overschot ten behoeve van Erfgoedwettaak

Vervallen

Artikel

2.16

Reserveringen

Artikel

2.17

Vergoeding voor vermogensvorming

Artikel

2.18

Vergoeding derden

Artikel

2.19

Vergoeding van derden

De subsidieontvanger die aan derden goederen ter beschikking stelt of voor derden diensten verricht, brengt daarvoor een vergoeding in rekening die ten minste kostendekkend is, tenzij het derden betreft voor wie de gesubsidieerde activiteiten bestemd zijn.

Artikel

2.20

Onderzoeken

Artikel

2.21

Code

§

2.5

Subsidievaststelling

Artikel

2.22

Termijn aanvraag voor vaststelling

Artikel

2.23

Aanvraag voor vaststelling van subsidie

Artikel

2.24

Aanvraag voor vaststelling van subsidie onder € 125.000

Vervallen

Artikel

2.25

Activiteitenverslag

Vervallen

Artikel

2.26

Jaarrekening

Artikel

2.27

Accountantsverklaring en rapport van feitelijke bevindingen

Artikel

2.28

Modellen voor in te dienen documenten

De minister kan modellen vaststellen voor het bestuursverslag, de jaarrekening en het beknopte kwantitatieve activiteitenoverzicht. De modellen worden gepubliceerd op de website www.cultuursubsidie.nl.

Artikel

2.30

Terugvordering

Vervallen

Hoofdstuk

3

Specifieke bepalingen voor verstrekking van subsidies aan instellingen op grond van artikel 4a van de wet voor de periode 2025–2028

Afdeling

3.1

Algemene bepalingen

Artikel

3.2

Definities

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • Brabantstad: gemeente Breda, gemeente ’s-Hertogenbosch, gemeente Eindhoven, gemeente Helmond of gemeente Tilburg, dan wel een randgemeente daarvan, voor zover in de provincie Noord-Brabant gelegen;

  • grote gemeente: gemeente Amsterdam, gemeente Rotterdam of gemeente Den Haag;

  • kernpunt: gemeente Groningen, gemeente Arnhem, gemeente Utrecht, gemeente Maastricht, gemeente Den Haag, gemeente Rotterdam, gemeente Amsterdam of Brabantstad;

  • ontwerp: architectuur, digitale cultuur of vormgeving;

  • ontwerpsector: sector die zich bezighoudt met ontwerp;

  • podium: voorziening in een gebouw die bestemd of geschikt is voor de presentatie van podiumkunsten;

  • regio Noord: provincies Groningen, Friesland en Drenthe;

  • regio Oost: provincies Overijssel en Gelderland;

  • regio Midden: provincies Flevoland en Utrecht;

  • regio Zuid: provincies Zeeland, Noord-Brabant en Limburg;

  • sectorcollectie: voor het cultuurbestel relevante verzameling of archieven, niet zijnde museale cultuurgoederen van de Staat of andere cultuurgoederen als bedoeld in artikel 2.8 van de Erfgoedwet;

  • standplaats: gemeente waar de instelling haar huisvesting heeft en in de lokale culturele infrastructuur is ingebed.

Artikel

3.3

In te dienen documenten subsidieaanvraag

In aanvulling op artikel 2.3 gaat de subsidieaanvraag vergezeld van:

  • a.

    een verklaring waaruit blijkt dat de instelling de Fair Practice Code, de Governance Code Cultuur, alsmede de Code Diversiteit en Inclusie onderschrijft;

  • b.

    een verklaring waaruit blijkt dat de instelling zich met ingang van 1 januari 2025 zal aansluiten bij de bestaande collectieve afspraken over honorering binnen haar sector, dan wel, indien er in haar sector geen bestaande afspraken over honorering zijn, een verklaring waaruit blijkt welke honoreringsrichtlijn de instelling met ingang van 1 januari 2025 zal volgen; en

  • c.

    een verklaring waaruit blijkt dat de instelling zich aansluit bij de sociale dialoog tussen werkgevers of opdrachtgevers en werknemers of opdrachtnemers.

Artikel

3.4

Nadere eisen activiteitenplan

In aanvulling op artikel 2.4 bevat het activiteitenplan een omschrijving waaruit blijkt:

  • a.

    op welke wijze de instelling de Code Diversiteit en Inclusie, de Fair Practice Code en de Governance Code Cultuur naleeft; en

  • b.

    welke doelstellingen de instelling heeft om de implementatie van de Code Diversiteit en Inclusie, de Fair Practice Code en de Governance Code Cultuur binnen haar organisatie gedurende de subsidieperiode voort te zetten en welke stappen de instelling wil gaan zetten om deze doelstellingen te bereiken.

Artikel

3.5

Indieningstermijn aanvraag

Artikel

3.6

Wijze van indiening

Artikel

3.7

Wijze verdeling beschikbare middelen

Artikel

3.8

Weigeringsgronden en intrekkingsgrond

Artikel

3.9

Algemene beoordelingscriteria

Artikel

3.10

Nadere afwegingaspecten

Artikel

3.11

Afwijking in verband met geografische spreiding

Afdeling

3.2

Podiumkunsten

§

3.2.1

Theater

Artikel

3.12

Theater

Artikel

3.13

Subsidieplafonds

§

3.2.2

Dans

Artikel

3.14

Dans

Artikel

3.15

Subsidieplafonds

Voor subsidieverstrekking op grond van artikel 3.14 zijn jaarlijks ten hoogste de volgende bedragen beschikbaar:

§

3.2.3

Muziek en muziektheater

§

3.2.3.1

Symfonieorkesten en muziekensembles

Artikel

3.16

Symfonieorkesten

Artikel

3.17

Symfonieorkest met begeleidingsactiviteiten primair voor opera

De minister kan subsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteiten het begeleiden van operaproducties en het verzorgen van symfonisch aanbod, indien de instelling:

  • a.

    voldoet aan artikel 3.16, eerste lid, onderdelen a en d;

  • b.

    in aanvulling op haar activiteiten een relevante seizoensprogrammering aanbiedt van symfonische concerten in het verzorgingsgebied van de gemeente Haarlem; en

  • c.

    ten minste zes maal per jaar om niet beschikbaar is voor de begeleiding van een productie van een instelling die een subsidie ontvangt op grond van artikel 3.22.

Artikel

3.18

Symfonieorkest met begeleidingsactiviteiten voor dans

De minister kan subsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit het begeleiden van dansproducties, indien de instelling:

voor zover de begeleiding in de basisbezetting van haar orkest om niet plaatsvindt, en niet meer dan een redelijke prijs in rekening wordt gebracht voor de kosten die verband houden met een aanvullende bezetting bij repertoire waarbij een basisbezetting naar algemeen gangbare artistieke maatstaven niet volstaat.

Artikel

3.19

Symfonieorkest met aanbod van pop- en jazzmuziek

De minister kan subsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit het verzorgen van pop- en jazzaanbod in een symfonische bezetting, indien de instelling voldoet aan artikel 3.16, eerste lid, onderdelen a en d.

Artikel

3.20

Muziekensembles en koren

Artikel

3.21

Subsidieplafonds

§

3.2.3.2

Opera

Artikel

3.22

Grootschalig opera-aanbod

De minister kan subsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling die haar standplaats in een kernpunt heeft en met als kernactiviteit het verzorgen van grootschalig opera-aanbod, indien de instelling:

  • a.

    een breed repertoire aanbiedt;

  • b.

    zich richt op een groot landelijk publieksbereik;

  • c.

    een beleid voert dat, in samenwerking met de instellingen, bedoeld in artikel 3.23, en bij voorkeur in samenwerking met derden talentontwikkeling bevordert en coördinerende activiteiten op dit gebied uitvoert; en

  • d.

    zich internationaal onderscheidt door een excellent uitvoeringsniveau.

Artikel

3.23

Overig opera-aanbod

Artikel

3.24

Subsidieplafonds opera

Voor subsidieverstrekking op grond van de artikelen 3.22 en 3.23 zijn jaarlijks ten hoogste de volgende bedragen beschikbaar:

§

3.2.4

Festivals

Artikel

3.25

Festivals

Artikel

3.26

Subsidieplafond

Voor subsidieverstrekking op grond van artikel 3.25 is jaarlijks in totaal ten hoogste € 9.054.400 beschikbaar.

§

3.2.5

Jeugdpodiumkunsten

Artikel

3.27

Jeugdpodiumkunsten

Artikel

3.28

Subsidieplafond

Voor subsidieverstrekking op grond van artikel 3.27 is jaarlijks in totaal ten hoogste € 14.231.700 beschikbaar.

Afdeling

3.3

Regionale musea en sectorcollecties

Artikel

3.29

Regionale musea

Artikel

3.30

Beheer, behoud en ontsluiting sectorcollecties podiumkunsten en vormgeving

De minister kan subsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling ten behoeve van het beheer, behoud en de ontsluiting van sectorcollecties op het terrein van de podiumkunsten en de vormgeving, indien:

  • a.

    de minister daarvoor in het verleden subsidie heeft verstrekt;

  • b.

    nadien voor een vergelijkbaar doeleinde niet door andere bestuursorganen financiële middelen beschikbaar zijn gesteld; en

  • c.

    voor zover het gaat om digitale collecties, deze duurzaam verbonden en toegankelijk worden gemaakt volgens de uitgangspunten van de Nationale Strategie Digitaal Erfgoed.

Artikel

3.31

Netwerk- of platformfunctie sectorcollecties podiumkunsten

De minister kan subsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling waarvan de activiteiten zijn gericht op het vervullen van twee netwerk- of platformfuncties voor sectorcollecties op het terrein van theater en dans onderscheidenlijk muziek, waarbij:

  • a.

    bewustwording, deskundigheidsbevordering en kennisdeling over behoud en beheer, ontsluiting en netwerkvorming worden gestimuleerd;

  • b.

    de sectorcollecties in samenwerking met een instelling als bedoeld in artikel 3.51 duurzaam digitaal verbonden en toegankelijk worden gemaakt volgens de uitgangspunten van de Nationale Strategie Digitaal Erfgoed; en

  • c.

    de activiteiten van de instelling afgestemd worden met die van relevante partijen, waaronder de instelling die subsidie ontvangt op grond van artikel 3.51 van deze regeling.

Artikel

3.32

Subsidieplafonds

Voor subsidieverstrekking op grond van de artikelen 3.29 tot en met 3.31 zijn jaarlijks ten hoogste de volgende bedragen beschikbaar:

  • a.

    voor een instelling als bedoeld in artikel 3.29: € 298.100;

  • b.

    voor een instelling als bedoeld in artikel 3.30: € 596.100;

  • c.

    voor een instelling als bedoeld in artikel 3.31: € 1.192.200.

Afdeling

3.4

Beeldende kunst

Artikel

3.33

Presentatie-instellingen

Artikel

3.34

Postacademische instellingen

Artikel

3.35

Subsidieplafonds

Voor subsidieverstrekking op grond van de artikelen 3.33 en 3.34 zijn jaarlijks ten hoogste de volgende bedragen beschikbaar:

  • a.

    voor instellingen als bedoeld in artikel 3.33: in totaal € 4.784.100; en

  • b.

    voor instellingen als bedoeld in artikel 3.34: in totaal € 7.009.800 en per deelnemer ten hoogste € 66.760.

Afdeling

3.5

Film

Artikel

3.36

Festivals

Artikel

3.37

Ondersteunende instelling

De minister kan subsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit het verrichten van ondersteunende activiteiten op het terrein van de film, indien de activiteiten van de instelling gericht zijn op:

  • a.

    het in samenwerking met relevante partners ontwikkelen en delen van kennis op het gebied van filmeducatie en mediawijsheid alsmede het verzorgen van een landelijke coördinatie en afstemming op deze terreinen;

  • b.

    de internationale samenwerking en versterking van de internationale positie van de Nederlandse film en de Nederlandse filmsector, een en ander in:

    • 1°.

      samenwerking met stichting Nederlands Fonds voor de Film, door gezamenlijke beleidsvorming, uitvoering en verantwoording; en

    • 2°.

      afstemming met overige relevante partijen in de filmsector.

Artikel

3.38

Subsidieplafonds

Afdeling

3.6

Letteren

Artikel

3.39

Ondersteunende instellingen

Artikel

3.40

Festival

De minister kan subsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit de presentatie van actueel of vernieuwend aanbod in internationale context primair op het terrein van de letteren, indien de activiteiten van de instelling:

  • a.

    er mede op gericht zijn een platform te bieden voor internationale uitwisseling tussen vakgenoten; en

  • b.

    jaarlijks of tweejaarlijks gedurende een in de tijd beperkte periode plaatsvinden.

Artikel

3.41

Subsidieplafonds

Voor subsidieverstrekking op grond van de artikelen 3.39 en 3.40 zijn jaarlijks ten hoogste de volgende bedragen beschikbaar:

Afdeling

3.7

Ontwerp

Artikel

3.42

Ondersteunende instelling

De minister kan subsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit het verrichten van ondersteunende activiteiten op het terrein van ontwerp, indien de activiteiten van de instelling gericht zijn op:

  • a.

    het in samenwerking met de ontwerpsector en andere relevante partijen bevorderen van culturele, maatschappelijke en economische meerwaarde van de ontwerpsector;

  • b.

    het signaleren en agenderen van ontwikkelingen in de verschillende disciplines binnen de ontwerpsector, zowel binnen de daartoe behorende disciplines als discipline-overstijgend, en het verspreiden van kennis hierover, zowel binnen als buiten de ontwerpsector;

  • c.

    de internationale samenwerking en versterking van de internationale positie van het Nederlands ontwerp en de Nederlandse ontwerpsector, een en ander in:

    • 1°.

      samenwerking met stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie, door gezamenlijke beleidsvorming, uitvoering en verantwoording; en

    • 2°.

      afstemming met overige relevante partijen in de ontwerpsector;

  • d.

    de invulling en organisatie van de architectuurbiënnale van Venetië en andere voorkomende statelijke manifestaties op het terrein van de ontwerpsector; en

  • e.

    het vervullen van een netwerk- of platformfunctie voor sectorcollecties op het terrein van digitale cultuur en vormgeving, waarbij:

    • 1°.

      bewustwording, deskundigheidsbevordering en kennisdeling over behoud en beheer, ontsluiting en netwerkvorming worden gestimuleerd;

    • 2°.

      de sectorcollecties duurzaam digitaal verbonden en toegankelijk worden gemaakt volgens de uitgangspunten van de Nationale Strategie Digitaal Erfgoed; en

    • 3°.

      de activiteiten van de instelling afgestemd worden met die van relevante partijen, waaronder de instelling die subsidie ontvangt op grond van artikel 3.51.

Artikel

3.43

Future lab design en technologie

Artikel

3.44

Festival design

De minister kan subsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit de presentatie van actueel of vernieuwend aanbod in internationale context specifiek op het terrein van design, indien de activiteiten van de instelling:

  • a.

    er mede op gericht zijn een platform te bieden voor internationale uitwisseling tussen vakgenoten; en

  • b.

    jaarlijks of tweejaarlijks gedurende een in de tijd beperkte periode plaatsvinden.

Artikel

3.45

Festivals ontwerp, beeldende kunst of cross-over

Artikel

3.46

Subsidieplafonds

Voor subsidieverstrekking op grond van de artikelen 3.42 tot en met 3.45 zijn jaarlijks ten hoogste de volgende bedragen beschikbaar:

  • a.

    voor een instelling als bedoeld in artikel 3.42: € 1.937.300;

  • b.

    voor instellingen als bedoeld in artikel 3.43: in totaal € 1.779.900;

  • c.

    voor een instelling als bedoeld in artikel 3.44: € 1.241.100; en

  • d.

    voor instellingen als bedoeld in artikel 3.45: in totaal € 1.737.500, met een minimum van € 376.700 per instelling en een maximum van € 1.004.500 per instelling.

Afdeling

3.8

Ontwikkelfunctie

Artikel

3.47

Ontwikkelinstellingen

Artikel

3.48

Subsidieplafond

Voor subsidieverstrekking op grond van artikel 3.47 is jaarlijks in totaal ten hoogste € 11.100.300 beschikbaar, met een minimum van € 366.600 per instelling en een maximum van € 977.800 per instelling.

Afdeling

3.9

Bovensectorale ondersteunende instellingen

Artikel

3.49

Cultuureducatie en cultuurparticipatie

De minister kan subsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit het verrichten van ondersteunende activiteiten op het terrein van cultuureducatie en cultuurparticipatie, indien de activiteiten van de instelling gericht zijn op:

  • a.

    deskundigheidsbevordering in cultuureducatie en cultuurparticipatie;

  • b.

    landelijke informatie- en netwerkfunctie voor zowel cultuureducatie als cultuurparticipatie;

  • c.

    onderzoek en monitoring voor zowel cultuureducatie als cultuurparticipatie; en

  • d.

    de bevordering van een goede toepassing en het beheer van de Code Diversiteit en Inclusie.

Artikel

3.50

Internationaal cultuurbeleid

De minister kan subsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit coördinatie van de uitvoering van het internationaal cultuurbeleid en het stimuleren van de uitwisseling van kennis en ervaring op het gebied van erfgoed tussen organisaties en landen, indien de activiteiten van de instelling gericht zijn op:

  • a.

    de coördinatie bij de uitvoering van het internationale cultuurbeleid vanuit een sectoroverstijgende rol;

  • b.

    het stimuleren van de mobiliteit van kunstenaars en instellingen; en

  • c.

    voorlichting over en ondersteuning bij subsidieprogramma's van de Europese Unie.

Artikel

3.51

Digitale transformatie

De minister kan subsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit het ontwikkelen en verspreiden van kennis en het bevorderen van deskundigheid op het gebied van digitale transformatie in de culturele en creatieve sector, indien:

  • a.

    de activiteiten van de instelling:

    • 1°.

      gericht zijn op het vervullen van een landelijke kennis- en deskundigheidsfunctie voor digitale transformatie in de culturele en creatieve sector, waaronder voor het gebruik van digitale technologie en datagedreven werken;

    • 2°.

      als doel hebben om de maatschappelijke impact van cultuur te vergroten; en

    • 3°.

      gericht zijn op het bevorderen van samenwerking tussen culturele instellingen en sectoren.

  • b.

    de instelling zijn activiteiten afstemt met relevante partijen.

Artikel

3.52

Onderzoek en statistiek

De minister kan subsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit het verzamelen en verspreiden van kennis en informatie over het culturele leven in beleid en praktijk, indien de activiteiten van de instelling gericht zijn op:

  • a.

    het bevorderen, coördineren en uitvoeren van onderzoek over de productie, distributie en afname van kunst en cultuur en over het nationale en internationale kunst- en cultuurbeleid, onder meer door:

    • 1°.

      het bieden van één centrale plek voor cijfers en andere informatie over het culturele leven;

    • 2°.

      het maken van een periodieke monitor cultuur;

    • 3°.

      het coördineren van dataverzameling; en

    • 4°.

      het opstellen van een periodieke onderzoekagenda cultuur; en

  • b.

    het bevorderen en faciliteren van meningsvorming over de productie, distributie en afname van kunst en cultuur en over het nationale en internationale kunst- en cultuurbeleid.

Artikel

3.53

Ondernemerschap en financiering

De minister kan subsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit het onafhankelijk informeren en adviseren van ondernemers en organisaties in de culturele en creatieve sector over ondernemerschap en financiering, indien de activiteiten van de instelling gericht zijn op:

  • a.

    het vervullen van een landelijke informatie-, kennis- en netwerkfunctie over ondernemerschap en financiering in de culturele en creatieve sector;

  • b.

    kennisontwikkeling, innovatie en het stimuleren van het gebruik van verschillende financieringsinstrumenten en verdienmodellen in de culturele en creatieve sector; en

  • c.

    de bevordering van een goede toepassing en het beheer van de Governance Code Cultuur.

Artikel

3.54

Arbeidsmarkt

De minister kan subsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit het verbeteren van de arbeidsmarkt in de culturele en creatieve sector, indien de activiteiten van de instelling gericht zijn op:

  • a.

    het vervullen van een onafhankelijke coördinatie-, informatie- en kennisfunctie, en het bieden van een platform voor de sociale dialoog; en

  • b.

    het analyseren van behoeftes in het culturele en creatieve veld, alsmede het coördineren en uitvoeren van projecten en programma’s ten behoeve van het duurzaam versterken van de arbeidsmarkt en de positie en inkomenspositie van werkenden die daarin actief zijn.

Artikel

3.55

Subsidieplafonds

Voor subsidieverstrekking op grond van de artikelen 3.49 tot en met 3.54 zijn jaarlijks ten hoogste de volgende bedragen beschikbaar:

  • a.

    voor een instelling als bedoeld in artikel 3.49: € 6.083.800;

  • b.

    voor een instelling als bedoeld in artikel 3.50: € 1.173.100;

  • c.

    voor een instelling als bedoeld in artikel 3.51: € 3.694.700;

  • d.

    voor een instelling als bedoeld in artikel 3.52: € 1.770.400;

  • e.

    voor een instelling als bedoeld in artikel 3.53: € 2.008.900; en

  • f.

    voor een instelling als bedoeld in artikel 3.54: € 1.279.000.

Afdeling

3.10

Debat en reflectie

Artikel

3.56

Debat en reflectie

De minister kan subsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit het faciliteren van vrije gedachtenuitwisseling in een nationale en internationale context op het gebied van kunst, cultuur en politiek, onder meer door het organiseren van debatten en lezingen.

Artikel

3.57

Subsidieplafond

Voor subsidieverstrekking op grond van artikel 3.56 is jaarlijks ten hoogste een bedrag van € 298.700 beschikbaar.

Hoofdstuk

4

Specifieke bepalingen voor verstrekking van subsidies aan fondsen op grond van artikel 4c van de wet

§

4.1

Reikwijdte

Artikel

4.1

Reikwijdte

De artikelen van dit hoofdstuk zijn uitsluitend van toepassing op de verstrekking van subsidies als bedoeld in artikel 4c van de wet.

§

4.2

In te dienen documenten

Artikel

4.2

Indiening van de begroting

§

4.3

Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel

4.3

Bestemmingsfonds OCW

Hoofdstuk

5

Algemene bepalingen voor verstrekking van projectsubsidies

§

5.1

Algemeen

§

5.2

Subsidie op aanvraag en ambtshalve

Artikel

5.2

Subsidieverstrekking

Artikel

5.3

In te dienen documenten

§

5.3

Subsidieverlening

Artikel

5.4

Beslistermijn en de beschikking

Artikel

5.5

Weigeringsgronden

Artikel 2.9 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel

5.6

Voorschotten en betaling

§

5.4

Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel

5.8

Publicaties en auteursrecht

Artikel

5.9

Verplichtingen bij subsidies van minder dan € 25.000

§

5.5

Subsidievaststelling

Artikel

5.10

Aanvraag

Artikel

5.11

In te dienen bescheiden

Artikel

5.12

Financieel verslag

Artikel

5.13

Vaststelling

Hoofdstuk

6

Overgangs- en slotbepalingen

§

6.1

Algemeen

Artikel

6.1

Hardheidsclausule

De minister kan, gelet op het belang dat deze regeling beoogt te beschermen, artikelen of onderdelen daarvan buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover strikte toepassing leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel

6.2

Indieningstermijn verantwoordingsbescheiden over 2017

Vervallen

§

6.2

Overgangsbepalingen

Artikel

6.2a

Overgangsrecht vierjaarlijkse instellingssubsidies onder € 125.000

Vervallen

§

6.3

Wijziging van andere regelingen

§

6.4

Slotbepalingen

Artikel

6.11

Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2010, met uitzondering van artikel 6.5, onderdeel C, dat in werking treedt met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin de regeling wordt geplaatst.

Artikel

6.12

Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling op het specifiek cultuurbeleid.

Deze regeling zal met de bijlagen en toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, J.M. vanBijsterveldt-Vliegenthart

Bijlage

Ia

, als bedoeld in artikel 2.28 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid

Vervallen

Bijlage

Ib

, als bedoeld in artikel 4.4 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid

Vervallen

Bijlage

IIa

, als bedoeld in artikel 2.27, derde lid, van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid

Vervallen

Bijlage

IIb

, als bedoeld in artikel 2.27, derde lid, van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid

Vervallen