Besluit toelating en uitzetting BES

Hoofdstuk

1

Inleidende bepalingen

§

1

Definitiebepalingen

Artikel

1.1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Artikel

1.2

Artikel

1.3

Hoofdstuk

2

Visa als instrumenten van het toelatingsbeleid

§

1

Algemene bepalingen

Artikel

2.1

Bij een besluit betreffende de machtiging tot voorlopig verblijf is het belang van de internationale betrekkingen in ieder geval betrokken, indien de aanvraag tot het verlenen van de machtiging tot voorlopig verblijf is ingediend door of ten behoeve van een persoon:

  • a.

    aan wie krachtens verdrag of bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie reisbeperkingen zijn opgelegd;

  • b.

    die op een signaleringslijst van een van de landen of van de staten die Partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte staat ter fine van weigering van de toegang;

  • c.

    ter deelname aan in Nederland te voeren vredesbesprekingen;

  • d.

    die behoort tot de hoge bestuursfunctionarissen van een vreemde mogendheid;

  • e.

    met het oog op het functioneren van een in Nederland zetelende internationale instantie.

Artikel

2.2

De hoofden van de vertegenwoordigingen verstrekken periodiek ten minste de volgende gegevens aan Onze Minister:

  • a.

    de wijze van behandeling van aanvragen omtrent een machtiging tot voorlopig verblijf;

  • b.

    het aantal aanvragen, bedoeld onder a, alsmede de naar aanleiding daarvan genomen besluiten en de verblijfsdoelen waarop de aanvragen betrekking hebben;

  • c.

    het aantal en soort klachten betreffende de afdoening van de aanvragen, bedoeld onder a, alsmede de wijze van afdoening van de klachten;

  • d.

    de gerealiseerde behandeltermijnen en de werkvoorraden.

§

2

Procedurele bepalingen

Artikel

2.3

Artikel

2.4

Indien de vreemdeling, hangende de besluitvorming op een eerdere aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf als bedoeld in artikel 2d van de Wet, wijziging van het gevraagde verblijfsdoel wenst, dient hij een nieuwe aanvraag in.

Artikel

2.5

Artikel

2.6

De aanvraag, bedoeld in artikel 2d van de Wet, wordt getoetst aan het recht dat gold op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen, tenzij uit de Wet anders voortvloeit of het recht dat geldt op het tijdstip waarop de beschikking wordt gegeven, voor de vreemdeling gunstiger is.

Artikel

2.7

Een terugkeervisum wordt niet geweigerd op de in artikel 2i, eerste lid, onder a, van de Wet bedoelde grond aan:

  • a.

    de vreemdeling die naar het oordeel van Onze Minister heeft aangetoond dat hij voor zakelijke doeleinden moet reizen;

  • b.

    de hier te lande geboren vreemdeling, bedoeld in artikel 5.19, eerste lid, ten behoeve van wie een aanvraag is gedaan tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 6 van de Wet, in geval beide ouders van rechtswege of bij vergunning zijn toegelaten of als Nederlander in de openbare lichamen verblijven;

  • c.

    de vreemdeling die een positieve beslissing op zijn aanvraag tot het verlenen, het verlengen van de geldigheidsduur of het wijzigen van een verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd heeft ontvangen, maar nog in afwachting is van afgifte van het bijbehorende verblijfsdocument;

  • d.

    de vreemdeling die in afwachting is van de beslissing op een aanvraag tot het wijzigen of het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 6 van de Wet, en de aanvraag tijdig of naar het oordeel van Onze Minister binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 5.38, eerste lid, is ontvangen.

§

3

Verplichtingen in het kader van toezicht

Artikel

2.8

De vreemdeling of referent die, hangende de besluitvorming op de aanvraag, bedoeld in artikel 2d van de Wet, verandert van adres, woon- of verblijfplaats, meldt de verandering onmiddellijk bij de instantie waar de aanvraag is ingediend.

Artikel

2.9

Artikel

2.10

De gegevens, bedoeld in artikel 22h, eerste lid, onder b, van de Wet, worden op verzoek dan wel uit eigen beweging verstrekt aan Onze Minister indien dit noodzakelijk is met het oog op:

  • a.

    het vaststellen van de identiteit van de vreemdeling voor wie de machtiging tot voorlopig verblijf of het terugkeervisum is bestemd;

  • b.

    verificatie van de door de vreemdeling voor wie de machtiging tot voorlopig verblijf of het terugkeervisum is bestemd verstrekte gegevens en documenten, bedoeld in artikel 2g, eerste lid, dan wel 2i, eerste lid, onder a, van de Wet;

  • c.

    verificatie van naderhand gebleken feiten of omstandigheden die tot de conclusie kunnen leiden dat verlening van de machtiging tot voorlopig verblijf of het terugkeervisum onjuist was; of

  • d.

    de beoordeling of aan de voorwaarden en beperkingen waaronder de machtiging tot voorlopig verblijf of het terugkeervisum is verleend, wordt voldaan.

Artikel

2.11

De medewerking, bedoeld in artikel 22h, eerste lid, onder c, van de Wet bestaat voor de toepassing van dit hoofdstuk uit:

  • a.

    het op vordering van Onze Minister beschikbaar stellen van een goedgelijkende pasfoto;

  • b.

    het zich laten fotograferen en het laten afnemen van vingerafdrukken, indien daartoe naar het oordeel van Onze Minister gegronde reden bestaat.

§

4

Overige bepalingen

Artikel

2.12

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de wijze van indiening en de behandeling van een aanvraag tot verlening of wijziging van een machtiging tot voorlopig verblijf dan wel een terugkeervisum, daaronder begrepen de wijze waarop beschikkingen, kennisgevingen, mededelingen of berichten ingevolge dit hoofdstuk aan de vreemdeling of de referent bekend worden gemaakt.

Hoofdstuk

3

Toegang

§

1

Algemeen

Artikel

3.1

Artikel

3.2

Artikel

3.3

Artikel

3.4

De ambtenaar belast met de grensbewaking vernietigt de op grond van artikel 3.3 verkregen passagiersgegevens binnen 24 uur na binnenkomst van de passagiers in de openbare lichamen, tenzij deze later nodig zijn voor de uitoefening van diens taken.

§

2

Document voor grensoverschrijding

Artikel

3.5

Artikel

3.6

Onverminderd de overige terzake bij of krachtens de Wet gestelde vereisten, wordt de toegang tot de openbare lichamen niet geweigerd op grond van artikel 2r, eerste lid, onder a, van de Wet, aan de Nederlander die niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding in geval die Nederlander houder is van een geldige sédula. In dat geval vindt de minimale controle, bedoeld in artikel 2s, van de Wet plaats op basis van de sédula en wordt de toegang niet geweigerd op grond van artikel 2r, eerste lid, onder c of d, van de Wet.

§

3

Openbare orde

Artikel

3.7

§

4

Middelen voor kosten van verblijf

Artikel

3.8

Artikel

3.9

§

5

Overige bepalingen

Artikel

3.10

Hoofdstuk

4

Toelating van rechtswege

Artikel

4.2

Artikel

4.3

Artikel 4.2, eerste lid, is mede van toepassing op bemanningsleden van schepen en luchtvaartuigen met dien verstande dat hun toelating tot verblijf vervalt op het tijdstip van vertrek van het schip of luchtvaartuig.

Artikel

4.4

Hoofdstuk

5

Toelating tot verblijf bij vergunning verleend

Afdeling

1

Indiening van de aanvraag en uitzetting

Artikel

5.1

Afdeling

2

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd

§

1

Verlening onder beperkingen en voorschriften

Artikel

5.2

Artikel

5.3

Artikel

5.4

Artikel

5.5

Artikel

5.6

Artikel

5.7

De waarborgsom wordt teruggegeven zo spoedig mogelijk nadat één van de in artikel 5.6, eerste lid, genoemde gronden zich voordoet.

Artikel

5.8

§

2

Gezinshereniging en gezinsvorming

Artikel

5.9

Artikel

5.10

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 5.9, eerste lid, wordt verleend aan:

  • a.

    de vreemdeling van 21 jaar of ouder die met de hoofdpersoon een naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig huwelijk of een naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig geregistreerd partnerschap is aangegaan;

  • b.

    de vreemdeling van 21 jaar of ouder, die met de hoofdpersoon een duurzame en exclusieve relatie onderhoudt, waarin de partners:

    • 1°.

      niet tot elkaar in een zodanig nauwe relatie staan dat die naar Nederlands recht een huwelijksbeletsel zou vormen, en

    • 2°.

      ongehuwd zijn en geen in Nederland geregistreerd partnerschap zijn aangegaan, tenzij het huwelijk door wettelijke beletselen, waarop geen invloed kan worden uitgeoefend, niet is ontbonden; of

  • c.

    het minderjarige biologische of juridische kind van de hoofdpersoon, dat naar het oordeel van Onze Minister feitelijk behoort en reeds in het land van herkomst feitelijk behoorde tot het gezin van die hoofdpersoon en dat onder het rechtmatige gezag van die hoofdpersoon staat.

Artikel

5.11

De verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 5.9, eerste lid, wordt verleend aan het in artikel 5.10 bedoelde gezinslid van:

  • a.

    een Nederlander van 21 jaar of ouder, of

  • b.

    een vreemdeling van 21 jaar of ouder met toelating bij vergunning verleend, die niet-tijdelijk is als bedoeld in artikel 5.3.

Artikel

5.12

Zolang de vreemdeling of de hoofdpersoon met meer dan één andere persoon tegelijkertijd door een huwelijk of een partnerschap is verbonden, wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 5.9, eerste lid, slechts verleend aan één echtgenoot, geregistreerd partner of partner tegelijkertijd, alsmede aan de uit die vreemdeling geboren minderjarige kinderen.

Artikel

5.13

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 5.9, eerste lid, wordt verleend, indien de vreemdeling en de hoofdpersoon samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren.

Artikel

5.14

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 5.9, eerste lid, wordt verleend, indien de vreemdeling beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is aangevraagd of behoort tot één van de in artikel 9, derde lid, van de Wet of in artikel 5.30, tweede lid, bedoelde categorieën.

Artikel

5.15

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 5.9, eerste lid, wordt verleend, indien de vreemdeling beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, dan wel naar het oordeel van Onze Minister heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld.

Artikel

5.16

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 5.9, eerste lid, wordt verleend, indien de vreemdeling geen gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid.

Artikel

5.17

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 5.9, eerste lid, wordt verleend, indien de vreemdeling bereid is een onderzoek naar of behandeling van tuberculose te ondergaan en daaraan mee te werken, dan wel de nationaliteit bezit van een van de bij ministeriële regeling vast te stellen landen.

Artikel

5.18

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 5.9, eerste lid, wordt verleend, indien de hoofdpersoon:

  • a.

    duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan als bedoeld in artikel 5.33, en

  • b.

    een garantstelling heeft ondertekend, voorzover de vreemdeling als partner van die persoon wil verblijven.

Artikel

5.19

§

3

Arbeid in loondienst

Artikel

5.20

Artikel

5.21

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt niet verleend onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid als zelfstandige of in loondienst, indien die arbeid geheel of gedeeltelijk bestaat uit het verrichten van seksuele handelingen met derden of het verlenen van seksuele diensten aan derden.

§

4

Voortgezet verblijf

Artikel

5.22

Artikel

5.23

Artikel

5.24

In andere gevallen dan genoemd in de artikelen 5.22 en 5.23 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf worden verleend aan de vreemdeling die toelating van rechtswege toegekend of bij vergunning verleend heeft gehad en van wie naar het oordeel van Onze Minister wegens bijzondere individuele omstandigheden niet gevergd kan worden dat hij de openbare lichamen verlaat.

§

5

Geldigheidsduur

Artikel

5.25

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend voor ten hoogste één jaar en kan telkens met ten hoogste één jaar worden verlengd.

Artikel

5.26

In afwijking van artikel 5.25 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking, verband houdend met gezinshereniging als minderjarige, worden verleend voor de duur van ten hoogste:

  • a.

    vijf jaren, indien de ouder bij wie de vreemdeling wil verblijven voor onbepaalde tijd of als Nederlander is toegelaten;

  • b.

    de duur van de toelating van de ouder bij wie de vreemdeling wil verblijven, indien die duur meer dan een jaar doch minder dan vijf jaren bedraagt.

Artikel

5.27

In afwijking van artikel 5.25 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst worden verleend en kan de geldigheidsduur worden verlengd voor de duur waarvoor de tewerkstellingsvergunning ten behoeve van die arbeid is verleend of verlengd.

Artikel

5.28

In afwijking van artikel 5.25 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf worden verleend voor de duur van vijf jaren.

Artikel

5.29

§

6

De afwijzing van de aanvraag

Artikel

5.30

Artikel

5.31

Een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt niet op grond van artikel 9, eerste lid, onder b, van de Wet afgewezen, met het oog op het algemeen belang om de enkele reden dat de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, indien de vreemdeling naar het oordeel van Onze Minister heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld.

Artikel

5.32

Artikel

5.34

Artikel

5.35

§

7

Verlenging

Artikel

5.36

Artikel

5.37

Een aanvraag tot het wijzigen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt beoordeeld als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, met dien verstande dat de artikelen 5.30 en 5.35 niet van toepassing zijn, indien de aanvraag tijdig is ingediend.

Artikel

5.38

Artikel

5.39

De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt niet op grond van artikel 14, onder c, van de Wet afgewezen, in geval hij slechts niet of niet langer beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding indien de vreemdeling naar het oordeel van Onze Minister heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld.

Artikel

5.40

De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt niet op grond van artikel 14, onder c, van de Wet afgewezen om reden dat de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden die tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid, indien er sedert de verlening, verlenging of wijziging van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd een periode van twaalf jaren is verstreken.

Artikel

5.41

De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt niet op grond van artikel 14, onder d, van de Wet afgewezen, indien de vreemdeling en degene bij wie hij als gezinslid verblijft gezamenlijk zelfstandig en duurzaam beschikken over een bruto-inkomen als bedoeld in artikel 5.33.

Artikel

5.42

De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend onder een beperking verband houdend met de vervolging van mensenhandel, wordt niet op grond van artikel 14, onder e, van de Wet afgewezen, om de enkele reden dat een beslissing tot niet vervolging of niet verdere vervolging van de verdachte is genomen, indien de vreemdeling tegen die beslissing schriftelijk beklag heeft gedaan bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba en op dat beklag nog niet is beslist.

Artikel

5.43

De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, verleend onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst, wordt niet op grond van artikel 14, onder c, d of e, van de Wet afgewezen op de grond dat de vreemdeling voor een periode van korter dan één jaar beschikt over arbeid in loondienst waarmee voldoende zelfstandige middelen van bestaan worden verworven. In dat geval wordt de geldigheidsduur verlengd met een periode gelijk aan de periode waarin de vreemdeling beschikt over de arbeid.

§

8

Intrekking

Artikel

5.44

Afdeling

3

De verblijfsgunning voor onbepaalde tijd

§

1

Verlening

Artikel

5.45

§

2

Intrekking

Afdeling

4

Procedurele bepalingen

Artikel

5.47

Artikel

5.48

Artikel

5.49

Artikel

5.50

Artikel

5.51

De aanvraag wordt getoetst aan het recht dat gold op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen, tenzij uit de Wet anders voortvloeit of het recht dat geldt op het tijdstip waarop de beschikking wordt gegeven, voor de vreemdeling gunstiger is.

Artikel

5.52

Hoofdstuk

6

Grensbewaking, toezicht en uitvoering

Afdeling

1

Grensbewaking

§

1

Voorzieningen in het belang van de grensbewaking

Artikel

6.1

Artikel

6.2

§

2

Algemene verplichtingen in het kader van de grensbewaking

Artikel

6.3

Artikel

6.4

Een ieder die zich op of nabij een plaats bevindt waar een grensdoorlaatpost is gevestigd, houdt zich aan de aldaar door de ambtenaren, belast met de grensbewaking, in het kader van de uitoefening van hun taak gegeven aanwijzingen.

Artikel

6.5

De Nederlander die de openbare lichamen in- of uitreist, toont en overhandigt, desgevorderd, aan een ambtenaar, belast met de grensbewaking, het in zijn bezit zijnde reis- of identiteitspapier of maakt zo nodig op andere wijze zijn Nederlanderschap aannemelijk.

§

3

Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst over zee

Artikel

6.6

De gezagvoerder van een schip verleent, desgevorderd, de medewerking aan een ambtenaar, belast met de grensbewaking, welke nodig is om deze ambtenaar in staat te stellen de door hem uit te oefenen grenscontrole uit te voeren. Deze medewerking bestaat uit:

  • a.

    het op een daartoe gegeven teken zodanig vaart verminderen en het zodanig op of bijdraaien van zijn schip, dat een dienstvaartuig behoorlijk langszij kan komen;

  • b.

    het toelaten van ambtenaren, belast met de grensbewaking, aan boord van zijn schip;

  • c.

    het op vordering van een ambtenaar, belast met de grensbewaking, tot stilstand brengen of aanleggen van zijn schip.

Artikel

6.7

De gezagvoerders van andere schepen dan zeeschepen geven eigener beweging aan een ambtenaar, belast met de grensbewaking, kennis van de aanwezigheid in hun vaartuig van vreemdelingen ten aanzien van wie zij weten of redelijkerwijs kunnen vermoeden dat zij niet voldoen aan de bij of krachtens de Wet vastgestelde verplichtingen waaraan personen bij grensoverschrijding zijn onderworpen.

Artikel

6.8

Artikel

6.9

Artikel

6.10

De artikelen 6.8 en 6.9 gelden niet voor gezagvoerders van zeeschepen die, zonder ligplaats in een haven in te nemen, door de Nederlandse territoriale zee varen.

§

4

Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst door de lucht

Artikel

6.11

Artikel

6.12

De vordering aan de gezagvoerder van een luchtvaartuig, bedoeld in artikel 22e, tweede lid, van de Wet, wordt gedaan door tussenkomst van de luchtverkeersleiding.

Afdeling

2

Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren

Artikel

6.13

De korpschef en de Commandant van de Koninklijke marechaussee verstrekken periodiek ten minste de volgende gegevens aan Onze Minister:

  • a.

    gegevens over de toegangsweigering;

  • b.

    gegevens over de controle op de zorgplicht van vervoerders;

  • c.

    gegevens over de uitvoering van het toezicht op vreemdelingen, en

  • d.

    gegevens over de uitzetting van vreemdelingen.

Artikel

6.14

Artikel

6.15

Artikel

6.16

Indien de Commandant van de Koninklijke marechaussee of de korpschef zijn bevoegdheid, bedoeld in artikel 22d, vierde lid, van de Wet mandateert doet hij dat aan een ambtenaar, belast met het toezicht op vreemdelingen, die tevens hulpofficier van justitie is.

Artikel

6.17

Artikel

6.18

Artikel

6.19

Artikel

6.20

Artikel

6.21

De ambtenaren belast met de grensbewaking, stellen in het reis- of identiteitspapier van de vreemdeling die toegang tot de openbare lichamen heeft en die de openbare lichamen langs een doorlaatpost in- of uitreist een aantekening als bedoeld in artikel 6.20, eerste lid, onder a en h, waaruit blijkt langs welke doorlaatpost en op welke datum de in- of uitreis heeft plaatsgevonden.

Artikel

6.22

De ambtenaren belast met de grensbewaking, stellen in het reis- of identiteitspapier van een vreemdeling een aantekening als bedoeld in artikel 6.20, eerste lid, onder d, inhoudende dat de vreemdeling zich binnen drie dagen bij de korpschef, onder vermelding van de plaats, moet melden, indien daartoe naar het oordeel van de ambtenaar belast met de grensbewaking in het belang van het toezicht op vreemdelingen gegronde reden bestaat.

Artikel

6.23

Artikel

6.24

Artikel

6.25

Artikel

6.26

Artikel

6.27

Artikel

6.28

Artikel

6.29

Artikel

6.30

Artikel

6.31

Artikel

6.32

Bij ministeriële regeling kunnen modellen van de aantekeningen, bedoeld in deze afdeling, worden vastgesteld.

Afdeling

3

Verplichtingen in het kader van toezicht

§

1

Kennisgeving van verandering van woon- of verblijfplaats en vertrek

Artikel

6.33

§

2

Het verstrekken van gegevens

Artikel

6.34

Artikel

6.35

De vreemdeling die zich in de openbare lichamen bevindt en niet van rechtswege of bij vergunning is toegelaten en aan wie het niet is toegestaan de beslissing omtrent een verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd in de openbare lichamen af te wachten, doet onmiddellijk van zijn aanwezigheid in persoon mededeling aan de korpschef.

Artikel

6.36

Personen die nachtverblijf verschaffen aan een vreemdeling, van wie zij weten of redelijkerwijs kunnen vermoeden dat het deze vreemdeling geen toelating tot verblijf heeft in de openbare lichamen, doen daarvan onmiddellijk mededeling aan de korpschef.

Artikel

6.37

Werkgevers, van wie bij Onze Minister bekend is dat zij een vreemdeling in dienst hebben gehad die geen toelating tot verblijf in de openbare lichamen had of aan wie het niet was toegestaan arbeid te verrichten, verstrekken aan Onze Minister, op diens vordering, onmiddellijk de gegevens omtrent de vreemdeling die bij hen tewerkgesteld wordt, in dienst is of in dienst is geweest. Onze Minister kan een termijn stellen waarbinnen de gegevens worden verstrekt.

Artikel

6.38

Artikel

6.39

De vreemdeling die van rechtswege of bij vergunning verleend is toegelaten en wiens verblijf van rechtswege is vervallen of die niet langer voldoet aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is verleend, deelt dit onmiddellijk mee aan de korpschef.

Artikel

6.40

De vreemdeling die van rechtswege of bij vergunning verleend is toegelaten als bedoeld in de artikelen 3 of 6 van de Wet en wiens document, waaruit dat blijkt, vermist wordt, verloren is gegaan of ondeugdelijk is geworden voor identificatie, doet daarvan onmiddellijk in persoon aangifte bij de korpschef.

§

3

Medewerking aan vastleggen van gegevens met het oog op identificatie

Artikel

6.41

De medewerking van de vreemdeling, bedoeld in artikel 22h, eerste lid, onderdeel c, van de Wet, bestaat uit:

  • a.

    het op vordering van een ambtenaar belast met de grensbewaking of een ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen, beschikbaar stellen van een goedgelijkende pasfoto, en

  • b.

    het zich laten fotograferen en het laten afnemen van vingerafdrukken, indien daartoe naar het oordeel van de ambtenaar, belast met de grensbewaking of een ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen, gegronde reden bestaat.

§

4

Medisch onderzoek

Artikel

6.42

§

5

Aanmelding na binnenkomst in de openbare lichamen

Artikel

6.43

Artikel

6.44

Artikel

6.45

De vreemdeling die houder is van een visum of een document voor grensoverschrijding waarin door de daartoe bevoegde autoriteit een aantekening is gesteld omtrent aanmelding in de openbare lichamen, meldt zich binnen drie dagen na binnenkomst in de openbare lichamen in persoon aan bij de korpschef.

Artikel

6.46

De vreemdeling die naar de openbare lichamen is gekomen om als zeeman werk te zoeken aan boord van een zeeschip, meldt zich binnen drie dagen na binnenkomst in de openbare lichamen in persoon aan bij de korpschef.

§

6

Periodieke aanmelding

Artikel

6.47

§

7

Documenten

Artikel

6.48

Hoofdstuk

7

Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen

§

1

Vrijheidsbeperkende maatregelen

Artikel

7.1

De maatregel van beperking van vrijheid van beweging, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Wet kan bestaan uit:

  • a.

    een verplichting zich bij verblijf in de openbare lichamen in een bepaald gedeelte van een openbaar lichaam te bevinden, of

  • b.

    een verplichting zich te houden aan een verbod om zich in een bepaald gedeelte of bepaalde gedeelten van een of meer openbare lichamen te bevinden.

§

2

Vrijheidsontnemende maatregelen

Artikel

7.2

Artikel

7.3

Artikel

7.4

Artikel

7.5

Artikel

7.6

Overeenkomstig door Onze Minister te geven algemene en bijzondere aanwijzingen stelt de korpschef Onze Minister tijdig vóór het verstrijken van de in artikel 22l, eerste lid, van de Wet genoemde termijn in kennis van de bewaring.

Artikel

7.7

Hoofdstuk

8

Vertrek, uitzetting en ongewenstverklaring

Afdeling

1

Uitzetting

Artikel

8.1

Onze Minister is bevoegd om, bij de uitoefening van zijn bevoegdheid tot uitzetting als bedoeld in artikel 16b van de Wet, alle daartoe benodigde handelingen te verrichten.

Afdeling

2

Verhaal kosten van uitzetting

Artikel

8.2

Onze Minister is bevoegd de kosten van uitzetting, bedoeld in artikel 22, tweede lid, van de Wet te verhalen op de vreemdeling, de reder of de luchtvaartmaatschappij.

Artikel

8.3

Artikel

8.4

Afdeling

3

Ongewenstverklaring

Artikel

8.5

Artikel

8.6

In zeer uitzonderlijke en dringende gevallen kan Onze Minister de ongewenstverklaring tijdelijk opheffen. Aan de tijdelijke opheffing worden voorwaarden gesteld omtrent de plaats van binnenkomst en de duur van het verblijf in de openbare lichamen.

Hoofdstuk

9

Algemene bepalingen

Afdeling

1

Gegevensverstrekkingen

Artikel

9.1

Artikel

9.2

Afdeling

2

Afwijking op grond van verdragen

Artikel

9.3

Onze Minister kan regels stellen over de rechten die vreemdelingen ontlenen aan de volgende verdragen:

  • a.

    het Vluchtelingenverdrag (Trb. 1954, 88);

  • b.

    het Verdrag betreffende de status van staatlozen (Trb. 1955, 42);

  • c.

    het Nederlands-Amerikaans Vriendschapsverdrag (Trb. 1956, 40);

  • d.

    de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname inzake het verblijf en de vestiging van wederzijde onderdanen (1975) (Trb. 1975, 133);

  • e.

    de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname inzake de binnenkomst en het verblijf van wederzijdse onderdanen met bijlage en protocol inzake verkregen rechten (1981) (Trb. 1981, 35).

Hoofdstuk

10

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel

10.1

Artikel

10.2

Artikel

10.3

Artikel

10.4

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit toelating en uitzetting BES.