Regeling van de Minister van Economische Zaken van 12 december 2012, nr. WJZ/12367047, houdende de openstelling van subsidieaanvragen en de vaststelling van subsidieplafonds (Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2013)
verordening (EG) nr. 1234/2007:verordening (EG) Nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (‘Integrale-GMO-verordening’) (PbEG L 299).
d.
Veenkoloniën: gebied bestaand uit de gemeenten Aa en Hunze, Borger-Odoorn, Emmen, Hoogezand-Sappemeer,Veendam, Pekela, Stadskanaal, Vlagtwedde, Bellingwedde.
samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen waarbij een meerderheid van de landbouwondernemingen buiten de Veenkoloniën gevestigd is;
b.
samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen waarbij een meerderheid van de landbouwondernemingen in de Veenkoloniën gevestigd is;
c.
samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen met agro-MKB-ondernemingen of kennisinstellingen, met dien verstande dat een samenwerkingsverband uit minimaal acht deelnemers bestaat.
2
Samenwerkingsverbanden als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, kunnen aanvragen als bedoeld in het eerste lid uitsluitend indienen voor projecten als bedoeld in artikel 2:11, tweede lid, onderdeel c, van de regeling.
3
Samenwerkingsverbanden als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, kunnen aanvragen als bedoeld in het eerste lid uitsluitend indienen voor projecten als bedoeld in artikel 2:11, tweede lid, onderdeel c, van de regeling die betrekking hebben op het verminderen van de uitstoot van ammoniak uit de landbouw door het treffen van stalmaatregelen, voer- en managementmaatregelen en maatregelen voor het uitrijden van dierlijke meststoffen die verder gaan dan hetgeen krachtens wettelijk voorschrift is voorgeschreven en die betrekking hebben op projecten met een duur van ten hoogste drie jaar.
4
Samenwerkingsverbanden als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, kunnen aanvragen als bedoeld in het eerste lid indienen in de periode van 1 maart 2013 tot en met 28 maart 2013.
5
Samenwerkingsverbanden als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, kunnen aanvragen als bedoeld in het eerste lid indienen in de periode van 15 augustus 2013 tot en met 16 september 2013.
6
In afwijking van artikel 1:14, eerste lid, van de regeling, kunnen samenwerkingsverbanden als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, aanvragen tot subsidievaststelling indienen tot en met 15 juli 2015.
Artikel
4
1
De subsidie bedraagt voor aanvragen van subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, 80% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 40.000.
2
De subsidie bedraagt voor aanvragen van subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, 80% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 55.000.
3
De subsidie bedraagt voor aanvragen van subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, 70% van de subsidiabele kosten, met dien verstande dat de subsidie ten minste € 100.000 en ten hoogste € 250.000 bedraagt.
De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, advies uit aan de Minister in de vorm van een rangschikking, waarbij aanvragen hoger zijn gerangschikt naarmate:
a.
het gekozen thema en de gekozen aanpak van het project inhoudelijk meer vernieuwend zijn;
b.
het project een meer duurzaam karakter heeft;
c.
de samenstelling van het samenwerkingsverband beter past bij het project;
d.
de kennis en ervaring effectiever worden verspreid.
2
In aanvulling op het eerste lid, rangschikt de beoordelingscommissie de aanvragen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, hoger naarmate het project beter aansluit bij de agenda’s van de topsectoren Agri & Food onderscheidenlijk Tuinbouw & Uitgangsmaterialen, en bij de thema’s en speerpunten van de initiatieven Duurzame zuivelketen, Verbond van Den Bosch en van de Uitvoeringsagenda duurzame veehouderij.
3
In aanvulling op het eerste lid rangschikt de beoordelingscommissie de aanvragen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, hoger naarmate het project beter aansluit bij het Innovatieprogramma Landbouw Veenkoloniën 2012–2020.
Het bedrijfsconsult, bedoeld in artikel 2:3, eerste lid, onderdeel a, van de regeling, leidt tot een voorstel met daarin concrete maatregelen of aan te brengen voorzieningen om de uitstoot van ammoniak bij het uitvoeren van de werkzaamheden te verminderen.
3
Het volgen van een opleiding, training of voorlichtingsbijeenkomst, bedoeld in artikel 2:3, onderdeel b, van de regeling, leidt tot kennis of aan te brengen voorzieningen om de uitstoot van ammoniak bij het uitvoeren van de werkzaamheden te verminderen.
4
De aanvragen, bedoeld in het eerste lid, kunnen worden ingediend in de periode van 30 september 2013 tot en met 11 oktober 2013.
Artikel
7b
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 7a, eerste lid, worden uitsluitend ingediend voor de in artikel 2:3, tweede lid, onderdelen a, b, c en g, van de regeling genoemde typen bedrijfsconsulten of de in het derde lid van dat artikel genoemde opleidingen, trainingen of voorlichtingsbijeenkomsten en uitsluitend voor zover deze activiteiten betrekking hebben op:
a.
de implementatie van de regelgeving voor het verminderen van de uitstoot van ammoniak;
b.
de aanpassingen in het bedrijfssysteem voor het verminderen van de uitstoot van ammoniak;
c.
de financieringsmogelijkheden voor investeringen voor het verminderen van de uitstoot van ammoniak;
d.
het verwerven van technische kennis en vaardigheden voor het verminderen van de uitstoot van ammoniak.
Artikel
7c
Per landbouwonderneming of agro-MKB-onderneming kan per activiteit slechts één aanvraag tot subsidieverlening worden ingediend.
Artikel
7d
Er worden geen voorschotten verleend.
Artikel
7e
De subsidie bedraagt 50% van de totale kosten van het bedrijfsconsult, de opleiding, de training of de voorlichtingsbijeenkomst, met dien verstande dat de subsidie per dagdeel ten hoogste € 250 bedraagt en de subsidie in totaal ten hoogste € 1.500 bedraagt.
Artikel
7f
Het subsidieplafond bedraagt € 250.000.
Titel
2
Onderzoek en ontwikkeling (samenwerking bij innovatieprojecten)
Artikel
7g
1
In afwijking van artikel 2:27, eerste lid, van de regeling worden aanvragen tot het verlenen van een subsidie ingediend door een samenwerkingsverband van veehouderijen en agro-MKB-ondernemingen, die voor gezamenlijke rekening en risico een innovatieproject uitvoeren dat gericht is op het vaststellen van de vermindering van de uitstoot van ammoniak van nieuwe stalmaatregelen en nieuwe voer- en managementmaatregelen conform het protocol voor meting van ammoniakemissie uit huisvestingssystemen in de veehouderij 2013 van nieuwe stalsystemen of nieuwe voer- en managementmaatregelen.
2
De maatregelen voldoen aan de volgende voorwaarden:
a.
zij beschikken niet over een door het Rijk vastgestelde emissiefactor of reductiepercentage voor ammoniak op basis van metingen;
b.
de uitstoot van geur, fijn stof (PM10), zeer fijn stof (PM2,5), lachgas, methaan en de aspecten dierenwelzijn, diergezondheid en arbeidsomstandigheden verslechteren als gevolg van de maatregelen niet ten opzichte van overige huisvesting in de bijlage bij de Regeling ammoniak en veehouderij;
de voer- en managementmaatregelen verminderen de uitstoot van ammoniak met minimaal 10% ten opzichte van de emissiefactor voor overige huisvesting in de bijlage bij de Regeling ammoniak en veehouderij.
In afwijking van artikel 2:30 van de regeling wordt subsidie verstrekt voor de kosten die de aanvrager verschuldigd is aan de meetinstantie en de betrokken laboratoria.
2
Activiteiten die geheel of gedeeltelijk met andere rijksmiddelen zijn of worden gefinancierd komen niet voor subsidie in aanmerking.
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor de uitvoering van een innovatieproject als bedoeld in artikel 2:31, eerste lid, van de regeling worden ingediend in de periode van 16 september 2013 tot en met 15 oktober 2013.
Artikel
7l
Er worden geen voorschotten verleend.
Artikel
7m
Het subsidieplafond bedraagt:
a.
€ 500.000 voor innovatieprojecten met betrekking tot stalmaatregelen;
b.
€ 500.000 voor innovatieprojecten met betrekking tot voer- en managementmaatregelen.
samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen onderling of met agro-MKB-ondernemingen waarbij een meerderheid van de deelnemers buiten de Veenkoloniën gevestigd is;
b.
samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen onderling of met agro-MKB-ondernemingen waarbij een meerderheid van de deelnemers in de Veenkoloniën gevestigd is.
2
De aanvragen, bedoeld in het eerste lid, kunnen uitsluitend worden ingediend voor innovatieprojecten die passen binnen één of meer van de nieuwe uitdagingen: klimaatverandering, waterbeheer, hernieuwbare energie en biodiversiteit.
3
De aanvragen, bedoeld in het eerste lid, kunnen worden ingediend in de periode van 1 februari 2013 tot en met 28 februari 2013.
Per samenwerkingsverband kan slechts één aanvraag worden ingediend.
Artikel
10
De subsidie bedraagt voor aanvragen van subsidie als bedoeld in artikel 8, eerste lid, 35% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 500.000 voor het innovatieproject, met dien verstande dat voor kosten als bedoeld in artikel 2:35, eerste lid, onderdelen c en h, van de regeling de subsidie ten hoogste € 400.000 bedraagt.
De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 8, eerste lid, advies uit aan de Minister in de vorm van een rangschikking.
2
In aanvulling op artikel 2:33 van de regeling rangschikt de beoordelingscommissie de aanvragen, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, hoger naarmate het project waarop de aanvraag betrekking heeft beter aansluit bij het Innovatieprogramma Landbouw Veenkoloniën 2012–2020.
Titel
3
Bedrijfsmodernisering
§
1
Marktintroductie energie-innovaties
Artikel
13
1
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor een investering in energie-innovaties, niet zijnde aardwarmteprojecten, als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 2, punt A, onderdeel a, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen en samenwerkingsverbanden als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 2, punt B, van de regeling, met uitzondering van glastuinbouwondernemingen die voor dezelfde energie-innovatie op grond van artikel 2.3.2 van de Subsidieregeling Energie en Innovatie subsidie ontvangen.
2
De aanvragen kunnen worden ingediend in de periode van 1 mei 2013 tot en met 14 juni 2013.
Artikel
14
Per aanvrager kan slechts één aanvraag van subsidie als bedoeld in artikel 13, eerste lid, worden ingediend.
Artikel
15
De subsidie bedraagt voor aanvragen van subsidie als bedoeld in artikel 13, eerste lid, 40% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 1.500.000.
Artikel
16
Het subsidieplafond voor aanvragen van subsidie als bedoeld in artikel 13, eerste lid, bedraagt € 3.500.000.
Artikel
17
1
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor een investering in energie-innovaties, als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 2, punt A, onderdeel b, van de regeling, niet zijnde semi-gesloten teeltsystemen met een koelcapaciteit over het hele bedrijf gemeten van boven de 70 W/m2, kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen en samenwerkingsverbanden als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 2, punt B, van de regeling, met uitzondering van glastuinbouwondernemingen die voor dezelfde energie-innovatie op grond op grond van artikel 2.3.2 van de Subsidieregeling Energie en Innovatie worden gesubsidieerd.
2
De aanvragen kunnen worden ingediend in de periode van 1 mei 2013 tot en met 14 juni 2013.
Artikel
18
Per aanvrager kan slechts één aanvraag van subsidie als bedoeld in artikel 17, eerste lid, worden ingediend.
Artikel
19
De subsidie bedraagt voor aanvragen van subsidie als bedoeld in artikel 17, eerste lid, 40% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 1.500.000, met dien verstande dat de subsidiabele kosten worden gemaximeerd op € 100/m2 oppervlak voor het gesloten en bijbehorende open gedeelte of het totale oppervlak semi-gesloten kas.
Artikel
20
Het subsidieplafond voor aanvragen van subsidie als bedoeld in artikel 17, eerste lid, bedraagt € 5.500.000.
Artikel
21
In afwijking van artikel 13, eerste lid, en artikel 17, eerste lid, kunnen geen aanvragen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen of samenwerkingsverbanden daarvan, indien deze ondernemingen lid zijn van een erkende producentenorganisatie als bedoeld in artikel 122 van Verordening (EG) nr. 1234/2007, tenzij wordt aangetoond dat geen steun wordt ontvangen als bedoeld in artikel 103 ter of 103 quater van die verordening voor kosten die uit hoofde van bijlage 2, hoofdstuk 2, van de regeling kunnen worden gesubsidieerd.
Artikel
22
Indien subsidie wordt verleend aan een samenwerkingsverband van een of meer glastuinbouwondernemingen en een of meer andere landbouwondernemingen en het aandeel van de met de investering opgewekte energie dat door die landbouwonderneming of -ondernemingen aan de glastuinbouwonderneming of glastuinbouwondernemingen wordt geleverd minder is dan 100% van de energiecapaciteit die met gebruik van de investering kan worden opgewekt, wordt de overeenkomstig artikel 19 vastgestelde subsidie naar rato van dat aandeel verlaagd.
Artikel
23
De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 13, eerste lid, en 17, eerste lid, advies uit aan de Minister in de vorm van een rangschikking, waarbij de aanvragen hoger zijn gerangschikt naarmate de energie-innovatie naar het oordeel van de commissie:
a.
meer bijdraagt aan klimaatneutrale glastuinbouw door een zo laag mogelijk gebruik van primaire energie en een zo laag mogelijke CO2-uitstoot;
b.
meer teelttechnisch en economisch perspectief heeft en meer perspectief biedt voor toepassing door andere ondernemingen, of
c.
gericht is op teelttechnische of economische inpasbare systemen die een hoger niveau van doorontwikkeling vertegenwoordigen.
§
1a
Investeringen in technieken ter vermindering van de uitstoot van fijn stof
Artikel
23a
1
Aanvragen tot subsidieverlening voor een investering in een techniek ter vermindering van de uitstoot fijn stof eventueel in combinatie met een techniek ter vermindering van het aantal overschrijdingsdagen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 5, punt A, van de regeling kunnen worden ingediend door landbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 5, punt B, van de regeling.
2
Aanvragen kunnen worden ingediend in de periode van 1 april 2013 tot en met 15 mei 2013.
de inrichting, bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, gelegen is in een gebied, waarvoor een gebiedsgerichte aanpak wordt opgesteld in het kader van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (3 punten);
b.
de vermindering van de uitstoot van fijn stof hoger is (30% tot 50% emissiereductie: 1 punt; meer dan 50% emissiereductie: 2 punten);
c.
de aanvrager in het bezit is van de vereiste omgevingsvergunning dan wel deze vergunning heeft aangevraagd (1 punt).
2
In geval van overschrijding van het subsidieplafond, worden aanvragen tot subsidieverlening die op grond van het eerste lid gelijk zijn gewaardeerd, door loting gerangschikt.
3
Wijziging van de subsidieverlening die betrekking hebben op een techniek, bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 5, punt A, van de regeling, wordt uitsluitend toegestaan voor zover de waardering, bedoeld in het eerste lid, gelijk of hoger is.
De subsidie bedraagt 55% van de subsidiabele kosten.
2
Ingeval de activiteit waar de aanvragen, bedoeld in artikel 23a, eerste lid, betrekking op hebben tevens uit andere hoofde of anderszins op grond van de regeling wordt gesubsidieerd, wordt bij de vaststelling het subsidiebedrag zodanig verminderd dat het totaal van alle subsidies voor die activiteit niet hoger is dan 60% van de subsidiabele kosten.
Per landbouwonderneming, bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 7, punt B, van de regeling wordt maximaal één aanvraag per categorie ingediend met betrekking tot één of meerdere apparaten, installatie of machines, bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 7, punt A, van de regeling.
3
Geen subsidie wordt verstrekt aan een landbouwonderneming aan welke subsidie is verstrekt:
De subsidie per categorie bedraagt ten minste € 5.000 en ten hoogste € 50.000.
3
In afwijking van het tweede lid bedraagt een subsidie voor categorie 7, eerste lid, ten hoogste:
€ 187.500 voor onderdeel d;
€ 125.000 voor onderdeel e;
€ 150.000 voor onderdeel f;
€ 225.000 voor onderdeel h.
Artikel
23l
1
Het subsidieplafond voor investeringen in apparatuur, installaties of machines als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 7, punt A, van de regeling bedraagt voor de categorieën 1 tot en met 5 € 2.225.000 per categorie.
Duurzame stallen en houderijsystemen rond Natura 2000-gebieden
Artikel
23m
1
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor een investering in een integraal duurzame stal of houderijsysteem als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 4, punt A, van de regeling worden ingediend door landbouwondernemingen die werkzaam zijn in de:
a.
melkveehouderij;
b.
vleesveehouderij;
c.
schapenhouderij;
d.
geitenhouderij;
e.
varkenshouderij;
f.
kalverenhouderij;
g.
pluimveehouderij, inclusief eenden- en kalkoenenhouderij of
De landbouwondernemingen, bedoeld in het eerste lid, zijn ten hoogste 3.000 meter verwijderd van een gebied als beschreven in bijlage 2 bij dit besluit.
4
De investering in een integraal duurzame stal of houderijsysteem als bedoeld in het eerste lid leidt tot een emissiewaarde van ten hoogste 75% ten opzichte van:
De aanvragen kunnen worden ingediend in de periode van 15 augustus 2013 tot en met 30 september 2013.
Artikel
23n
1
De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 23m, eerste lid, advies uit aan de Minister in de vorm van een rangschikking.
indien de integraal duurzame stal of het houderijsysteem waarin wordt geïnvesteerd in de beginfase van marktintroductie verkeert;
b.
naarmate de investering in de integraal duurzame stal of het houderijsysteem meer economisch of technisch perspectief heeft;
c.
naarmate er voor de investering in de integraal duurzame stal of het houderijsysteem een betere verhouding tussen de prijs en de kwaliteit bestaat, gezien het aangevraagde subsidiebedrag en de verbetering van het dierenwelzijn;
d.
naarmate er voor de investering in de integraal duurzame stal of het houderijsysteem een betere verhouding tussen de prijs en de kwaliteit bestaat, gezien het aangevraagde subsidiebedrag en de verbetering van het milieu, de diergezondheid of de arbeidsomstandigheden;
e.
naarmate de vermindering van de uitstoot van ammoniak hoger is;
f.
naarmate de landbouwonderneming al dan niet in het bezit is van de in voorkomend geval noodzakelijke vergunningen voor de uitvoering van het investeringsplan dan wel deze vergunningen heeft aangevraagd op het moment van de aanvraag tot subsidieverlening.
3
Aanvragen tot subsidieverlening die op grond van het tweede lid inhoudelijk gelijk zijn gewaardeerd en waarvoor geen subsidie kan worden verleend in verband met overschrijding van het subsidieplafond, worden door loting gerangschikt.
Artikel
23o
De subsidie bedraagt 40% van de subsidiabele kosten, met dien verstande dat de subsidie ten hoogste € 250.000 bedraagt.
Artikel
23p
1
Het subsidieplafond bedraagt € 8.000.000.
2
In aanvulling op het subsidieplafond, bedoeld in het eerste lid, geldt een subsidieplafond van € 198.550 voor aanvragers die gevestigd zijn in de provincie Gelderland.
De extra kosten, bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 4, punt C, van de regeling, betreffen de kosten die worden gemaakt naast de norminvesteringen met betrekking tot dierenwelzijn en, voor zover van toepassing, met betrekking tot milieu of diergezondheid, in een gangbare stal als bedoeld in de kwantitatieve informatie veehouderij.
§
1d
Investeringen in het afdekken van buitenuitlopen voor pluimvee
Artikel
23s
1
Aanvragen tot subsidieverlening voor een investering in het afdekken van buitenuitlopen op pluimveebedrijven als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 8, punt A, van de regeling kunnen worden ingediend door landbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 8, punt B, van de regeling.
2
De aanvragen kunnen worden ingediend in de periode van 15 juli 2013 tot en met 14 oktober 2013.
3
Per onderneming kan slechts één aanvraag tot subsidieverlening worden ingediend.
Artikel
23t
Er worden geen voorschotten verleend.
Artikel
23u
De subsidie bedraagt 35% van de subsidiabele kosten, met dien verstande dat de subsidiabele kosten ten minste € 3.000 bedragen en de subsidie ten hoogste € 100.000 bedraagt.
Artikel
23v
Het subsidieplafond voor subsidies voor investeringen als bedoeld in artikel 23s bedraagt: € 1.000.000.
§
2
Jonge landbouwers
Artikel
24
1
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 2:42, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 oktober 2013 tot en met 13 december 2013.
2
Een jonge landbouwer kan slechts één aanvraag indienen.
Artikel
25
Aanvragen tot subsidievaststelling kunnen worden ingediend tot en met 1 juli 2015.
Artikel
26
Er worden geen voorschotten verleend.
Artikel
27
Het subsidieplafond bedraagt € 5.300.000.
Artikel
28
1
De subsidiabele kosten bedragen niet meer dan € 80.000.
2
De subsidie bedraagt 25% van de subsidiabele kosten en ten minste € 5000 en ten hoogste € 20.000.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 3:34 van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 2 januari 2013 tot en met 31 december 2013.
Artikel
32
Het subsidieplafond bedraagt ten aanzien van aanvragen door:
a.
de IVN Vereniging voor natuur- en milieueducatie: € 1.487.788,70;
b.
Stichting Samenwerkingsverband Nationale Parken: € 250.000;
c.
Stichting Nationale Landschappen: € 50.000.
Titel
2
Behoud zeldzame landbouwhuisdierenrassen
Artikel
33
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 3:61 van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 2 januari 2013 tot en met 28 februari 2013.
Artikel
34
Het subsidieplafond bedraagt € 160.000.
Titel
3
Versterking natuur- en bosbeheer bij bos- en landgoedeigenaren
Artikel
34a
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 3:51, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend voor activiteiten als bedoeld in artikel 3:51, tweede lid, onderdeel a, van de regeling in de periode van 1 april 2013 tot en met 15 mei 2013.
Artikel
34b
Het subsidieplafond bedraagt € 75.000.
Titel
4
Biodiversiteit en bedrijfsleven
Artikel
34c
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 3:67 van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 juli 2013 tot en met 3 september 2013, 12.00 uur.
Artikel
34d
1
Het subsidieplafond voor projecten a bedraagt € 2.400.000.
2
Het subsidieplafond voor projecten b bedraagt € 1.600.000.
Titel
5
Groen en Doen: vrijwilligersprojecten op het gebied van natuur- en landschapsbeheer
Artikel
34e
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor de uitvoering van een project als bedoeld in artikel 3:79 van de Regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 oktober 2013 tot en met 15 november 2013.
Artikel
34f
Het subsidieplafond bedraagt € 750.000.
Hoofdstuk
3a
Visserij
Titel
1
Collectieve acties aanlandplicht
Artikel
34e*
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor de uitvoering van een project als bedoeld in artikel 4:26a, eerste lid, van de regeling, kunnen worden ingediend in de periode van 1 oktober 2013 tot en met 2 december 2013.
Artikel
34f*
Het subsidieplafond bedraagt € 4.500.000.
Artikel
34g
Een aanvraag tot voorschotverlening gaat vergezeld van een liquiditeitsoverzicht of een overzicht van gemaakte en betaalde kosten.
Geen subsidie wordt verstrekt voor activiteiten waarvan de subsidiabele kosten in totaal minder bedragen dan € 100.000.
Artikel
34k
Artikel 1:2, tweede lid, van de regeling is niet van toepassing op aanvragen als bedoeld in artikel 34j met dien verstande dat de activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend niet zijn aangevangen voor 1 januari 2007.
Artikel
34l
Een aanvraag tot voorschotverlening gaat vergezeld van een liquiditeitsoverzicht of een overzicht van de gemaakte en betaalde kosten.
de subsidieplafonds, bedoeld in artikel 11, eerste en tweede lid, met het bedrag overgebleven door het niet bereiken van een van deze subsidieplafonds;
c.
de subsidieplafonds, bedoeld in artikelen 16 en 20 met het bedrag overgebleven door het niet bereiken van een van deze subsidieplafonds;
d.
de subsidieplafonds, bedoeld in onderdeel c, en in artikel 23l, derde lid, met het bedrag overgebleven door het niet bereiken van een van deze subsidieplafonds;
e.
de subsidieplafonds, bedoeld in artikel 23l, met het bedrag overgebleven door het niet bereiken van een van deze subsidieplafonds;
f.
de subsidieplafonds, bedoeld in artikel 7m, met het bedrag overgebleven door het niet bereiken van een van deze subsidieplafonds.
Artikel
36
Als beoordelingscommissie bedoeld in de artikelen 6, 12 en 23 wordt ingesteld de beoordelingscommissie concurrerende landbouw.
De verlening en vaststelling van een subsidie die is aangevraagd onder het Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2012 wordt afgehandeld op grond van het recht zoals dat gold voorafgaand aan de intrekking van dat besluit.
Artikel
40
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2013.
Artikel
41
Dit besluit wordt aangehaald als: Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2013.
Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Marktintroductie energie-innovaties: beperking van co2-emmissie door toepassing van een semi-gesloten kas
Bedrijfsnaam:
Eigenaar/indiener:
Bedrijfsadres:
Postcode/plaats:
Bedrijfswebsite:
Correspondentieadres:
Postcode/plaats:
Telefoonnummer:
E-mailadres:
Aanvraagnummer:
De berekeningen zijn gemaakt op grond van de door de aanvrager ingevulde karakteristieken met betrekking tot het verwarmings- en koelingsysteem, de installaties die in kas en ketelhuis worden voorzien en het door de tuinder gewenste kasklimaat.
Als rekenmodel wordt gebruik gemaakt van programmatuur die in het kader van het project Synergie is ontwikkeld ten behoeve van de technische, energetische en economische beoordeling van gesloten kasconcepten. Dit rekenmodel is gebouwd en wordt onderhouden door de Business Unit Glas van Wageningen UR.
Het model rekent op uurbasis de warmte- en koudebehoefte van de door de aanvrager beschreven kasconfiguratie in een gemiddeld Nederlands jaar. Vanuit deze gegevens wordt voor elk uur uitgerekend welke gas-, elektriciteits-, CO2-behoefte en laagwaardig warmtegebruik of -overschot voor deze kas verwacht mag worden.
Deze berekening wordt gemaakt voor de geconditioneerde kas en voor een relevante referentie.
•
De vergelijking van de berekende CO2-emissie voor het hierbij ingediende geconditioneerde kasconcept met de referentie leidt tot de conclusie dat de verwachte CO2-emissiereductie bedraagt.
Deel
1
Kasklimaatwensen en kasuitrusting
In de tuinbouw staat de klimatiseringsinstallatie ten dienste van het gewas om een zo gunstig mogelijk kasklimaat te realiseren. Er blijft evenwel, zelfs in geconditioneerde kassen, altijd een spanningsveld tussen het klimaat waarbij het gewas het beste zou groeien en de kosten de gepaard gaan met het realiseren van dat klimaat. Zo wordt in de gangbare tuinbouw weliswaar bij hoge instraling een hoge CO2-concentratie gewenst, maar de dosering wordt toch begrensd om de CO2-gift in overeenstemming te houden met de hoeveelheid warmte die bij de productie van rookgassen vrijkomt. Ook wordt geaccepteerd dat, omwille van een gunstig gascontract, op heel koude dagen de gewenste etmaaltemperatuur niet gerealiseerd wordt. Het model houdt met al deze zaken rekening (middels de begrenzingen van het klimatiseringssysteem (zie deel 2).
De kasklimaatinstellingen die in dit deel moeten worden ingevuld moeten dan ook worden opgevat op dezelfde manier als waarop de instellingen van de kasklimaatcomputer worden gebruikt.
Er staan twee kolommen met invoergegevens en indien de geconditioneerde kas niet de gehele unit beslaat maar slechts een fractie dan komt er nog een derde kolom die aangeeft hoe het klimaat in het niet-geconditioneerde deel gewenst wordt.
In de eerste kolom staan de instellingen die voor de geconditioneerde kas gaan gelden.
De tweede kolom wordt gebruikt om de referentiesituatie te beschrijven. Veel getallen zullen gelijk zijn, maar wellicht wordt in de geconditioneerde kas de temperatuur waarboven gekoeld wordt wat hoger gekozen dan u in de referentie zou hebben gedaan. Ook het gebruik van minimumbuis zal in de geconditioneerde kas vaak minder zijn.
De derde kolom verschijnt in afhankelijkheid van de gesloten kasfractie. De teelt-instellingen in de derde kolom zullen veel gelijkenis vertonen met de instellingen van de tweede kolom.
•
Elk veld heeft een uitleg, die naar voren komt als de muis erop wordt gelegd. Achterin dit document staan alle toelichtingen bij elkaar geplaatst.
1
Gesloten kas fractie
%
50
n.v.t.
50
2
Gewas (kies: groente, potplant of snijbloem)
groente
groente
groente
3
Kasdek (kies: enkelglas, dubbel of triple)
enkelglas
enkelglas
enkelglas
4
Stooktemperatuur dag
°C
18
18
18
5
Stooktemperatuur nacht
°C
17
17
17
6
Koel- of ventilatietemperatuur
°C
27
27
27
7
Pband ventilatie/koeling
°C
2
2
2
8
Maximale ventilatie met buitenlucht
m3/(m2 hr)
0
n.v.t.
n.v.t.
9
Toegestane RV in de kas
%
85
85
85
10
Deksproeiers (kies ja of nee)
nee
nee
nee
11
Minimumbuistemperatuur
°C
40
40
40
12
VO van het minimumbuisnet
m2 buis/m2
0,2
0,2
0,2
13
Streefwaarde CO2
ppm
900
900
900
14
Maximale doseercapaciteit
kg/(ha hr)
120
180
180
15
Stralingscrit. voor schaduwscherm
W/m2
1000
1000
1000
16
Schaduwfactor schaduwscherm
%
30
30
30
17
Buitentemp sluiten energiescherm
°C
12
12
12
18
Besparingspercentage v.h. scherm
%
45
45
45
19
Belichtingsintensiteit
Wel/m2
0
0
0
20
Belichtingsschema (kies schema 1, 2 of 3)
2
2
2
Belichtingsschema’s
Op deze pagina treft u drie belichtingsschema’s die u kunt gebruiken om de door u gebruikte wijze van belichting vast te leggen. U kunt voor verschillende kasafdelingen verschillende schema’s gebruiken (dus voor de geconditioneerde kasafdeling een ander schema dan voor de referentie of voor de niet-geconditioneerde delen van het nieuw te bouwen of te vernieuwen kascomplex), maar u kunt ook voor alle afdelingen hetzelfde schema gebruiken.
De drie getoonde schema’s zijn voorzien van default instellingen. U kunt ze evenwel naar eigen inzicht aanpassen.
•
[Schema 1] Dit schema wordt gebruikt als u in deel 1 van het formulier belichtingsschema 1 kiest
1
DagnrStartBel
280
(→ dit is 6 oktober)
2
DagnrStopBel
80
(→ dit is 20 maart en betekent 165 dg belichting)
3
IglobBelUit
150
W/m2 globale straling buiten de kas
4
SavondsUit
20
uur
(belichting is 2 uur uit)
5
SavondsAan
22
uur
•
[Schema 2] Dit schema wordt gebruikt als u in deel 1 van het formulier belichtingsschema 2 kiest
1
DagnrStartBel
260
(→ dit is 16 september)
2
DagnrStopBel
91
(→dit is 31 maart en betekent 196 dg belichting)
3
IglobBelUit
150
W/m2 globale straling buiten de kas
4
SavondsUit
22
uur
(belichting is 4 uur uit)
5
SavondsAan
2
uur
•
[Schema 3] Dit schema wordt gebruikt als u in deel 1 van het formulier belichtingsschema 3 kiest
1
DagnrStartBel
330
(→ dit is 25 november)
2
DagnrStopBel
300
(→ dit is 26 oktober en betekent 335 dg belichting)
3
IglobBelUit
150
W/m2 globale straling buiten de kas
4
SavondsUit
20
uur
(belichting is 4 uur uit)
5
SavondsAan
24
uur
Deel
2
Ketelhuis
Met de installatie van een semi-gesloten kas zal een nieuw ketelhuis worden neergezet of het bestaande ketelhuis worden gerenoveerd. Er zal waarschijnlijk een warmtepomp, een aquifer en een etmaalbuffer voor laagwaardige warmte/kou worden geplaatst en er wordt waarschijnlijk een WK geplaatst. Ook is het denkbaar dat de nieuwe of vernieuwde kas wordt voorzien van additionele CO2-voorziening in de vorm van zuivere- of OCAP-CO2.
In dit deel kunt u de eigenschappen van het nieuwe ketelhuis vastleggen.
Indien het ontwerp om een systeem gaat waarbij de semi-gesloten kas een fractie is van het totale kasoppervlak dat door het nieuw (ingerichte) ketelhuis wordt verwarmd, dan gaat het rekenprogramma er van uit dat de in de zomer verzamelde warmte in de winter zowel op het geconditioneerde deel als op het niet geconditioneerde deel wordt gebruikt (zoals bijvoorbeeld bij Themato).
Als u in het vorige deel hebt aangegeven dat de geconditioneerde kasfractie 100% is, dan betekent dit dat de nieuwe of vernieuwde ketelhuisconfiguratie die hier in deel 2 wordt beschreven uitsluitend wordt ingezet voor (de) geconditioneerde afdeling(en).
•
Teneinde de gerealiseerde CO2-emissiebeperking te kunnen berekenen dient u ook het referentie-ketelhuis te beschrijven.
Nieuw of vernieuwd ketelhuis
1
Kasoppervlak
1
ha
Geconditioneerd oppervlak
0,5
ha
Niet geconditioneerd opp. 0,5 ha
2
Buffercapaciteit
200
m3
200
m3/ha
3
Thermisch warmtepompvermogen
700
kW th
700
kW/ha
4
Efficientie v.d. warmtepomp
45
%
5
Capaciteit aquifer
200
m3/uur
400
m3/ha gecond. kas per uur
6
Temp verlies scheidingswisselaar
1
°C
7
Bufferinhoud koudebuffer
1500
m3
3000
m3/ha gecond. kas
8
Koude bron laden op
8
°C
9
WK-vermogen
60
kW el.
60
kW/ha
10
elektrisch WK-rendement
42
%
11
thermisch WK-rendement
55
%
12
WK inzetten tijdens piek-uren (ja/nee)
ja
13
Zomerse WK-warmte oversch. in aquif.
nee
Referentie ketelhuis
14
Kasoppervlak
1
ha
15
Buffercapaciteit
100
m3
100
m3/ha
16
WK-vermogen
0
kW el.
0
kW/ha
17
elektrisch WK-rendement
42
%
18
thermisch WK-rendement
55
%
19
WK inzetten tijdens piek-uren (ja/nee)
nee
Deel
3
Koel- en verwarmkarakteristieken
In de geconditioneerde kasafdeling zijn luchtbehandelingunits geplaatst. Tijdens gebruik van deze units leveren ze een bepaalde koelcapaciteit. Deze is vooral afhankelijk van het temperatuurverschil tussen ingaand water en ingaande lucht en van de hoeveelheid lucht die er doorheen wordt geblazen.
Daarnaast speelt ook de luchtvochtigheid een rol. (Deze kan worden verhoogd door gebruik te maken van een fogging installatie (afhankelijk van de instelling in deel 1)).
Bij het gebruik van de installatie koelsysteem wordt er elektriciteit gebruikt. Vooral voor het circuleren van de lucht, maar ook voor het verpompen van water.
Het elektriciteitsverbruik per eenheid koelvermogen, maar ook het waterdebiet en de opwarming van het water is door dit alles sterk afhankelijk van de gekozen luchtbehandelingunits, het aantal dat daarvan gebruikt wordt en de kasklimaatcondities waaronder gekoeld wordt.
Het is niet waarschijnlijk dat de luchtbehandelingskast-leverancier de prestatie van de koelunit onder al die variabele omstandigheden voorhanden heeft. Laat staan dat die dan ook nog gedocumenteerd zouden zijn.
Omdat de kwaliteit van de koelunits echter een duidelijke invloed heeft op het energiebesparingresultaat van semi-gesloten kassen is het noodzakelijk om toch over zo'n prestatie karakterisering te beschikken.
•
In dit deel wordt vanuit een bench-mark punt (dat bij voorkeur zo dicht mogelijk ligt bij de werkingscondities die representatief zijn voor het gebruik in uw situatie) een karakterisering van het koelsysteem gemaakt die toegesneden is op uw kasklimaatwensen en die het deellastgedrag in beeld brengt. Er worden grafieken gemaakt van het elektriciteitsverbruik als functie van het koelvermogen, het waterdebiet door de koelers en de temperatuur waarmee het water uit de koelers zal komen. Tevens wordt op grond van de koeleigenschappen een karakterisering gemaakt voor het gedrag van deze units bij gebruik voor verwarming.
Hiernaast ziet u een invulveld waarin u specificaties van de gebruikte koelunits kunt aangeven. Vanuit deze specificaties maakt het programma relaties voor het elektriciteitsverbruik tijdens het koelen. Hierbij zijn vanuit de benchmark gegevens, rekening houdend met de achterliggende fysische processen (convectie en condensatie), extrapolaties gemaakt.
Benchmark punten v.d. Koelunit
0
1
Koelvermogen[kW]
20
kW
0
2
Watertemp in [°C]
12
°C
17
0
3
Watertemp uit [°C]
22
°C
0
0
4
Luchttemperatuur in [°C]
26
°C
21
0
5
Luchttemperatuur uit [°C]
16
°C
0
0
6
Koelvermogen geldt bij een RV van
85
%
0
7
Maximaal luchtdebiet [m3/uur]
2000
m3/uur
0
8
Electr.gebr.vent bij max luchtdeb.
0,3
kW
0
9
Waterzijdige drukval
1,2
bar
0
Vanuit de benchmark punten kan worden berekend dat de ontvochtigingscapaciteit 19,6 liter/uur is.
Dit betekent een latente warmteafvoer van 13,3 kW. De voelbare warmteoverdracht is dus 6,67 kW.
Er worden (vraag 10) 60 van deze units op de gekoelde afdeling van 0,5 ha geplaatst ( 83 m2 per unit).
•
De voelbare warmteoverdrachtscoëfficiënt blijkt 1,67 kW per °C verschil tussen gemiddelde water- en luchttemperatuur.
Verwarmen
Het programma gaat ervan uit dat de luchtbehandelingkasten ook voor verwarmen worden gebruikt.
Op grond van de warmte-overdrachtgegevens in de koelmodus wordt voor de verwarming verondersteld dat de units 0,045 W ventilatorenergie gebruiken per overgedragen W verwarmingsvermogen.
Dit komt neer op een COP-verwarming van 22,2 (dit is exclusief het verbruik van de warmtepomp).
De combinatie van benchmark-punten en kasklimaat in de geconditioneerde afdeling levert de volgende karakteristieken van de koeler:
Hieruit worden de onderstaande tabellen afgeleid waarmee het simulatiemodel zal rekenen.
–1,00
0,00
0,00
0,20
0,10
1,36
32,57
2,42
0,15
1,67
48,86
3,06
0,20
1,92
65,14
3,52
0,25
2,15
81,43
3,87
0,30
2,36
97,71
4,14
0,35
2,55
114,00
4,36
0,40
2,72
130,29
4,53
0,45
2,89
146,57
4,67
0,50
3,04
162,86
4,77
0,55
3,19
179,14
4,85
0,60
3,33
195,43
4,91
0,65
3,47
211,71
4,95
0,70
3,60
228,00
4,97
0,75
3,60
244,29
4,98
0,80
3,60
260,57
4,98
0,85
3,60
276,86
4,96
0,90
3,60
293,14
4,93
0,95
3,60
309,43
4,90
1,00
3,60
325,71
4,85
100,00
3,60
800,00
19,90
•
Gemiddeld is het uittredend 4,46 °C lager dan de intredende lucht. Voor de pompen wordt met een drukval van 0,69667 bar/(m3/uur) gewerkt.
Deel
4
Overzicht van de resultaten
•
Hier ziet u de resultaten m.b.t. de teelt en de resultaten qua energieverbruik en CO2-emissie.