Beleidsregel Ontheffingverlening exceptionele transporten RDW 2013

§

1

Algemeen

Artikel

1

Definities

Voor de toepassing van deze beleidsregel worden de begripsbepalingen van de Regeling voertuigen overgenomen.

Voorts wordt verstaan onder:

  • a.

    autonome beslisruimte: de actuele, door de wegbeheerder voor een weg of weggedeelte opgegeven afmetingen en massa's tot welke de RDW zonder toestemming als bedoeld in artikel 149b, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en artikel 4 van het Besluit ontheffingverlening exceptionele transporten ontheffing mag verlenen onder de daarbij van toepassing zijnde beperkingen en voorschriften

  • b.

    begeleidingsvoertuig: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder a, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer;

  • c.

    digitale wegenkaart: elektronische weergave van de actuele autonome beslisruimte voor langlopende basis ontheffingen die door de Dienst Wegverkeer ten behoeve van de ontheffing houders ter beschikking wordt gesteld;

  • d.

    dieplader: voertuig als bedoeld in artikel 1, onder d van de Beleidsregel ontheffing gerelateerde voertuigdocumenten;

  • e.

    gedwongen besturing: besturing waarbij de stuurkrachten worden geleverd door een Europese Ruimte afgegeven voertuig technisch document dat gelijkwaardig is, wordt verandering van richting van het trekkende voertuig en waarbij de beweging van de bestuurde wielen van het getrokken voertuig is gekoppeld aan de onderlinge hoek tussen de lengteas van het trekkende en die van het getrokken voertuig (Richtlijn 70/311/EEG);

  • f.

    hulpbesturing: inrichting waarmee de besturing van een getrokken voertuig anders dan door verdraaiing van het stuurwiel van het motorrijtuig met de hand kan worden beïnvloed;

  • g.

    hulpbestuurder: degene die de hulpbesturing bij de uitvoering van een exceptioneel transport bedient;

  • h.

    konvooi: een samenstel van exceptionele transporten dat als één geheel wordt begeleid door transportbegeleiders;

  • i.

    transportbegeleider: persoon als bedoeld in artikel 1, onder h, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer;

  • j.

    semidieplader: hoogte laadvlak in onbeladen toestand en rijpositie ≤1,10 meter boven wegdek;

  • k.

    TMM: toegestane maximummassa van een voertuig;

  • l.

    TMMS: toegestane maximummassa van een samenstel van voertuigen;

  • m.

    voertuigdocumenten: de documenten bedoeld in artikel 1, onder g en h van de Beleidsregel ontheffing gerelateerde voertuigdocumenten

  • n.

    zelfsturende besturing: besturing waarbij de stuurkrachten geleverd worden door een verandering van richting van het trekkende voertuig en waarbij de beweging van de bestuurde wielen van het getrokken voertuig is gekoppeld aan de hoek tussen de lengteas van het aanhangwagenchassis of de last die deze vervangt en de lengteas van het onderstel waaraan de as(sen) bevestigd is (zijn) (Richtlijn 70/311/EEG).

Artikel

3

Soorten ontheffingen

Ontheffingen worden onderscheiden in langlopende ontheffingen en incidentele ontheffingen.

Artikel

4

Langlopende ontheffing

Artikel

5

Incidentele ontheffing

Artikel

6

Ontheffingen voor lengte bij onbeladen voertuigen

Artikel

7

Ontheffingen voor lengte bij beladen voertuigen

Artikel

8

Ontheffingsdocument met bijlagen

§

2

Aanvragen ontheffingen

Artikel

9

Aanvraagformulier Ontheffing

Artikel

10

Wijze van indienen van de aanvraag

Indiening van aanvragen kan uitsluitend schriftelijk plaatsvinden.

Artikel

11

Intrekken van de aanvraag

Artikel

12

Duur van de behandeling van de ontheffingsaanvraag

Artikel

13

Beoordeling route aanvraag

Artikel

14

Beoordeling beperking rijtijden en voorschrift transportbegeleiding wegbeheerder Rijk

Artikel

15

Beoordeling beperking rijtijden en voorschrift transportbegeleiding overige wegbeheerders en wegbeheerder Rijk voor N-wegen

Artikel

16

Nadere gegevens ontheffingsaanvraag

§

3

Voorschriften verbonden aan ontheffingen

Artikel

17

Voorschriften verbonden aan de ontheffing

§

4

Slotbepalingen

Artikel

18

Overgangsbepaling

De voor inwerkingtreding van deze beleidsregel aangevraagde en verleende ontheffingen behouden hun geldigheid voor de geldigheidsduur van de desbetreffende ontheffing.

Artikel

20

Inwerkingtreding

Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 april 2013.

Artikel

21

Citeertitel

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel Ontheffingverlening exceptionele transporten RDW 2013.

Deze beleidsregel zal met bijlagen en de toelichting in de Staatcourant worden geplaatst.

De Directie van de RDW, J.G. Hakkenberg, Algemeen Directeur.

Bijlage

A

bij artikel 17, eerste en tweede lid

Algemene voorschriften

Artikel

1

Voertuigdocumenten

  • 1.

    De voor het voertuig of de voertuigen ten behoeve van het exceptionele transport afgegeven en voor de ontheffing vereiste voertuigdocumenten moeten bij gebruik van de ontheffing aanwezig zijn.

    Deze documenten moeten bij de ontheffing getoond kunnen worden.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid mag de actuele geldende digitale wegenkaart van de langlopende basisontheffing aanwezig zijn op een elektronische gegevensdrager.

Artikel

2

Passagemogelijkheden

  • 1.

    Voor gebruik van de ontheffing moet de aanvrager zich vooraf overtuigen van de mogelijkheid van transport over de te berijden wegen.

  • 2.

    Indien wegmeubilair moet worden verwijderd en teruggeplaatst ten behoeve van de uitvoering van het transport, moet vroegtijdig voor het gebruik van de ontheffing contact worden opgenomen met de wegbeheerder.

Artikel

3

Buitengewone omstandigheden

  • 1.

    Van de ontheffing mag geen gebruik worden gemaakt bij gladheid van het wegdek en bij weersomstandigheden die het zicht beperken tot minder dan 200 m, en

  • 2.

    Indien zich dergelijke omstandigheden voordoen moet zo spoedig mogelijk het gebruik van de ontheffing worden beëindigd.

Artikel

4

Plaats op de rijbaan

  • 1.

    Bij de uitvoering van het exceptionele transport op dubbelbaans wegen mag uitsluitend gebruik worden gemaakt van de rechterrijstrook, tenzij in de ontheffing anders bepaald.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid mag op aanwijzing van de politie, transportbegeleider of verkeersregelaar bij incidentele ontheffingen worden afgeweken van het bepaalde in artikel 3, eerste lid en artikel 43 RVV 1990.

Artikel

5

Aanmelden bij wegbeheerder

Indien als voorschrift aanmelding bij de wegbeheerder aan de ontheffing is verbonden, moet tijdig vóór het feitelijk gebruik van de ontheffing de wegbeheerder of wegbeheerders hierover worden geïnformeerd op de in de ontheffing voorgeschreven wijze.

Artikel

6

Konvooien

  • 1.

    Indien aan de ontheffing het voorschrift transportbegeleiding is verbonden, mag het exceptionele transport tot een konvooi worden samengesteld, indien:

    • a.

      dit plaatsvindt op autosnelwegen, en

    • b.

      het konvooi uit ten hoogste twee exceptionele transporten bestaat.

  • 2.

    Indien de som van de netto lengtes van de afzonderlijke exceptionele transporten, inclusief de lading niet meer bedraagt dan 50 meter wordt als voorschrift aan de ontheffing verbonden dat het konvooi door ten minste één (1) transportbegeleider moet worden begeleid.

  • 3.

    Indien de som van de netto lengtes van de afzonderlijke transporten, inclusief de lading niet meer bedraagt dan 120 meter wordt als voorschrift aan de ontheffing verbonden dat het konvooi door ten minste drie transportbegeleiders moet worden begeleid.

Artikel

7

Markering

  • 1.

    Bij een exceptioneel transport met in de breedte of in de lengte uitstekende lading, moet deze van een markering zijn voorzien overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 130 tot en met 133 van Bijlage VIII, van de Regeling voertuigen.

  • 2.

    Bij een exceptioneel transport met een breedte van meer dan 3,00 meter moet een deugdelijk geel en werkend zwaai- flits- of knipperlicht aanwezig zijn.

  • 3.

    Bij een lengte van het exceptioneel transport van meer dan 27,00 meter moet aan de achterzijde van het transport een geel bord zijn aangebracht, waarop in zwarte tekens goed leesbaar moet zijn vermeld: ‘LET OP’, met daarachter vermeld de totale transportlengte in meters.

  • 4.

    Bij een exceptioneel transport met een totale lengte of voertuiglengte groter dan 22,00 meter moet een retro reflecterende lijnmarkering op de zijkant van het voertuig aanwezig zijn, waarvan:

    • a.

      het toegepaste materiaal voldoet aan ECE-Reglement nr. 104 klasse C,

    • b.

      het goedkeuringsmerk aanwezig is, waarbij ieder afzonderlijk deel van het markeringsmateriaal voorzien is van dit goedkeuringsmerk, en

    • c.

      de lijnmarkering op de volgende wijze dient te zijn geïnstalleerd:

      • 1.

        de markering mag ononderbroken of onderbroken zijn aangebracht; in geval van onderbroken markering mag de afstand tussen de afzonderlijke delen niet groter zijn dan 50% van de lengte van het kortste deel;

      • 2.

        de lijnmarkering dient parallel of zo veel mogelijk parallel aan het wegdek te zijn aangebracht en over ten minste 80% van de totale lengte van de voertuigcombinatie, gerekend vanaf de achterkant van de stuurcabine;

      • 3.

        de lijnmarkering dient op een hoogte van minimaal 250 millimeter en maximaal 1500 millimeter boven het wegdek te zijn aangebracht, dan wel, indien dit in verband met de constructie van het voertuig niet anders mogelijk is, maximaal 2100 millimeter boven het wegdek te zijn aangebracht, ten minste indien ingevolge artikel 32 en 33 van het RVV 1990 de voorgeschreven verlichting moet worden gevoerd.

Artikel

8

Hulpbesturing

Indien in het voertuig hulpbesturing aanwezig is, geldt ten aanzien van het gebruik van de hulpbesturing dat:

  • a.

    de hulpbesturing op het getrokken voertuig uitsluitend mag worden gebruikt bij stapvoets rijden;

  • b.

    de hulpbesturing volledig buiten gebruik moet zijn gesteld bij een snelheid groter dan 20 km/h;

  • c.

    indien hinder of gevaar voor het overige verkeer kan ontstaan de hulpbesturing onder toezicht van een gecertificeerde transportbegeleider-verkeersregelaar moet plaatsvinden;

  • d.

    bij een transportlengte groter dan 30,00 meter er telefonisch of radiocontact tussen de bestuurder en de hulpbestuurder moet zijn;

  • e.

    na gebruik het voertuig goed in het spoor moet lopen van het trekkende motorrijtuig.

Artikel

9

Bijplaatsen lading

Het bijplaatsen van lading is toegestaan, indien deze lading:

  • 1.

    de plaatsing van de ondeelbare lading in de meest gunstige positie niet nadelig beïnvloedt, en de afmetingen van het exceptioneel transport niet beïnvloed;

  • 2.

    bij TMM(S) ≤ wettelijk maximum door het bijplaatsen van lading de geldende wettelijke maxima ten aanzien van laadvermogen en maximum massa niet wordt overschreden;

  • 3.

    bij TMM(S) > wettelijk maximum maximaal 10% van de massa van de totale lading bestaat uit toebehoren van de ondeelbare lading.

Artikel

10

Modulaire voertuigen

Indien het een ontheffing voor modulaire voertuigen betreft geldt dat:

  • 1.

    het modulair samengestelde voertuig het kenteken van het voor het achterste asstel afgegeven kenteken moet voeren;

  • 2.

    op het modulair samengestelde voertuig met opgegeven voertuigdocument de bepalingen van afdeling 12 en 18 van hoofdstuk 5 van de Regeling voertuigen van overeenkomstige toepassing zijn.

Artikel

11

Dollycombinatie

  • 1.

    Indien de uitvoering van het exceptioneel transport plaatsvindt met een dollycombinatie, waarbij een deel van de in lengte ondeelbare lading wordt gedragen door de dolly en de koppeling tussen het trekkende motorrijtuig dan wel de voertuigcombinatie en de dolly wordt gevormd door de lading, geldt het volgende:

    • a.

      de bevestiging van de lading is zodanig dat alle rij- en remkrachten in alle richtingen kunnen worden opgevangen; het uit elkaar geraken van de voertuigcombinatie wordt voorkomen en er geen gevaar bestaat dat de lading van het voertuig valt;

    • b.

      tussen voertuigen die door de lading met elkaar zijn verbonden moet een extra verbinding aanwezig zijn die een kracht kan opnemen van ten minste 0,6 x de beladen massa van de dolly;

    • c.

      de dolly loopt goed in het spoor van het trekkende motorrijtuig;

  • 2.

    Bij dollycombinaties geldt, onverminderd het bepaalde in artikel 7 van deze bijlage, dat het gedeelte tussen de beide schamels voorzien is van markeringsbanden, die voorzien zijn van naar buiten gerichte zijmarkering afwisselend in de kleuren rood/ambergeel of rood/wit.

Artikel

12

Afmetingen voertuig in onbeladen toestand

Het voertuig of samenstel van voertuigen moet bij gebruik in onbeladen toestand altijd tot de kleinst mogelijke afmetingen zijn teruggebracht.

Artikel

13

Vervangend voertuig of samenstel van voertuigen

Indien een ander, vervangend, voertuig of samenstel van voertuigen dan in de ontheffing is vermeld bij de uitvoering van het exceptioneel transport wordt gebruikt, geldt onverminderd het bepaalde in artikel 1 van deze bijlage, het volgende:

  • 1.

    Het kentekenbewijs van het vervangende voertuig is tenaamgesteld op de transporteur aan wie de ontheffing is verleend.

  • 2.

    Het aantal voertuigen of samenstellen van voertuigen zoals vermeld in de ontheffing wordt niet overschreden.

  • 3.

    De voor de vervangende voertuigen afgegeven voertuig technische documenten moeten in het voertuig aanwezig zijn indien:

    • a.

      de TMM of TMMS meer bedraagt dan het geldende wettelijke maximum voor het in de ontheffing opgenomen voertuig of samenstel van voertuigen, of

    • b.

      de lengte van het exceptionele transport meer dan 22,00 meter bedraagt, of

    • c.

      de aslasten hoger zijn dan het maximum volgens de Regeling voertuigen.