Regeling van De Nederlandsche Bank N.V. van 9 december 2013, houdende regels met betrekking tot de implementatie van specifieke bepalingen uit de richtlijn kapitaalvereisten en de uitvoering van specifieke bepalingen van de verordening kapitaalvereisten (Regeling specifieke bepalingen CRD IV en CRR)

Regeling specifieke bepalingen CRD IV en CRR

De Nederlandsche Bank N.V.,
Na overleg met de representatieve organisaties;
Gelet op Richtlijn nr. 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van richtlijn nr. 2002/87/EG en tot intrekking van de richtlijnen nr. 2006/48/EG en nr. 2006/49/EG (CRD IV; PbEU L 176), in het bijzonder de artikelen 128 en 141;
Gelet op Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (CRR; PbEU L 176), in het bijzonder de artikelen 26, 52, 63, 89, 115, 116, 148, 311, 400, 465, 467, 468, 473, 478, 479, 480, 481, 486 en 496;

Besluit:

Hoofdstuk

1

– Algemene bepalingen

Artikel

1:1

– definities

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    Wft: Wet op het financieel toezicht;

  • b.

    Besluit: Besluit prudentiële regels Wft;

  • c.

    DNB: de Nederlandsche Bank N.V.;

  • d.

    CRD IV: Richtlijn nr. 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van richtlijn nr. 2002/87/EG en tot intrekking van de richtlijnen nr. 2006/48/EG en nr. 2006/49/EG (PbEU L 176; richtlijn kapitaalvereisten of Capital Requirements Directive IV);

  • e.

    CRR: Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PbEU L 176; verordening kapitaalvereisten of Capital Requirements Regulation);

  • f.

    CET1 kapitaal: Common Equity Tier 1 capital of Tier 1-kernkapitaal, als bedoeld in artikel 50 van de CRR;

  • g.

    AT1 kapitaal: Additional Tier 1 capital of Aanvullend Tier 1-kapitaal, als bedoeld in artikel 61 van de CRR;

  • h.

    T2 kapitaal: Tier 2 capital of Tier 2-kapitaal, als bedoeld in artikel 71 van de CRR;

  • i.

    eigen vermogen: eigen vermogen of own funds, als bedoeld in artikel 72 van de CRR;

  • j.

    EBA: de Europese Bankenautoriteit (European Banking Authority);

  • k.

    technische reguleringsnormen of technische uitvoeringsnormen van de EBA: door de EBA ontwikkelde ontwerpen van technische reguleringsnormen (draft regulatory technical standards) of ontwerpen van technische uitvoeringsnormen (draft implementing technical standards), die door de Europese Commissie zijn bevestigd;

  • l.

    kredietinstelling: een kredietinstelling als bedoeld in artikel 4 van de CRR, dat wil zeggen een bank als bedoeld in artikel 1:1 van de Wft.;

  • m.

    instelling: een instelling of een onderneming waarop deze regeling op grond van artikel 1:3 van toepassing is.

Artikel

1:2

– nadere definities uit hoofde van artikel 89 CRR

[gereserveerd]

Artikel

1:3

– toepassingsbereik van deze regeling

Artikel

1:4

– toetsing AT1 en T2 instrumenten door DNB

Artikel

1:5

– toetsing CET1 instrumenten door DNB

Artikel

1:6

– melding van gebruik opties en discreties door instellingen

Artikel

1:7

– aanwijzing regionale en lokale overheden en publiekrechtelijke lichamen

Hoofdstuk

2

– Kapitaalbuffervereisten

Paragraaf

2.1

[gereserveerd]

Paragraaf

2.2

– Maximaal uitkeerbare bedrag (Maximum Distributable Amount – MDA)

Artikel

2:2:1

– berekening maximaal uitkeerbare bedrag (Maximum Distributable Amount – MDA)

Hoofdstuk

3

– Macroprudentiële maatregelen

Artikel

3:1

– macroprudentiële maatregelen

[gereserveerd]

Hoofdstuk

4

– Opties en descreties

Artikel

4:1

– berekening exposure op een CCP op grond van alternatieve formule

Indien een CCP is gestopt met het berekenen van de KCCP in de zin van artikel 308, derde lid, van de CRR, dan mogen instellingen de alternatieve formule uit artikel 310 van de CRR gebruiken om het vereiste eigen vermogen voor hun handelspositie op de CCP en de bijdrage aan het faillissementsfonds voor de CCP zoals omschreven in artikel 311, tweede lid, van de CRR te berekenen, mits aan de volgende vereisten is voldaan:

  • a.

    de CCP heeft conform artikel 311, eerste lid, onderdeel a, van de CRR aan de instelling gemeld dat de CCP gestopt is met het berekenen van de KCCP; en

  • b.

    naar het oordeel van DNB is voldaan aan de voorwaarden van artikel 311, tweede lid, van de CRR.

Artikel

4:2

– grote posities

Gelet op artikel 400, tweede lid, van de CRR zijn de volgende posities vrijgesteld van het vereiste uit artikel 395, eerste lid, van de CRR:

  • a.

    gedekte obligaties in de zin van artikel 129, eerste, derde en zesde lid, van de CRR tot een maximum van 100% van het in aanmerking komend kapitaal;

  • b.

    posities, waaronder deelnemingen of andere belangen, die een instelling heeft met betrekking tot haar moederonderneming, andere dochterondernemingen van de moederonderneming en haar eigen dochterondernemingen, voor zover:

    • deze groepsondernemingen opgenomen zijn in het toezicht op geconsolideerde basis waaraan de instelling zelf onderworpen is, overeenkomstig de CRR, de richtlijn financiële conglomeraten of overeenkomstig daaraan gelijkwaardige, in een derde land geldende prudentiële standaarden;

    • de instelling aan DNB heeft aangetoond dat zij in redelijkheid niet aan de limieten van de grote postenregeling voor de betreffende posities kan voldoen;

    • de instelling aan DNB heeft aangetoond dat de posities op haar groepsondernemingen passen binnen de beheerste en integere uitoefening van haar bedrijf en dat de instelling beschikt over solide risicomanagementprocedures aan de hand waarvan zij doorlopend nagaat en ervoor zorgt dat de grote posities op groepsondernemingen aansluiten op haar risicoprofiel; en

    • de instelling aan DNB heeft aangetoond dat de posities op groepsondernemingen passen binnen de gezonde balansverhoudingen van de instelling en de desbetreffende groepsondernemingen, zowel voor wat betreft de bruto- als netto omvang als voor wat betreft looptijden;

  • c.

    activa die vorderingen op, en andere posities, waaronder deelnemingen of andere belangen, met betrekking tot regionale of centrale kredietinstellingen vertegenwoordigen waarmee de kredietinstelling krachtens wettelijke of statutaire bepalingen in het kader van een netwerk is verbonden en die op grond van die bepalingen belast zijn met de verevening van onderlinge geldposities binnen het netwerk;

  • d.

    activa die vorderingen op centrale banken vertegenwoordigen in de vorm van bij deze centrale banken aan te houden voorgeschreven minimumreserves die in de nationale valuta luiden; en

  • e.

    50% van de documentaire kredieten met middelhoog tot laag risico buiten de balanstelling en van de niet-opgenomen kredietfaciliteiten buiten de balanstelling, bedoeld in bijlage 1 van de CRR, alsmede, met instemming van DNB, 80% van andere dan leninggaranties met een wettelijke of bestuursrechtelijke grondslag die voor de leden worden verstrekt door onderlinge garantiesystemen met de status van kredietinstelling.

Artikel

4:3

– interne modellen

Gelet op artikel 148, tweede lid, van de CRR hanteren de moederonderneming en dochterondernemingen van een instelling die een IRB model hanteert uiterlijk vanaf 1 januari 2017 voor alle posities een IRB model. DNB kan deze periode verkorten of verlengen, indien daartoe aanleiding bestaat op grond van de aard of de omvang van de betreffende instelling of van het aantal en de aard van de toe te passen ratingsystemen.

Hoofdstuk

5

– Overgamgsbepalingen en transitie volgend uit de CRR

Artikel

5:1

– vaststelling percentages artikel 465 CRR met betrekking tot het vereiste eigen vermogen

Artikel

5:2

– vaststelling percentages artikel 467 CRR met betrekking tot de ongerealiseerde verliezen

Gelet op artikel 467, derde lid, van de CRR worden de percentages waarvoor de ongerealiseerde verliezen gerelateerd aan activa of passiva die worden gewaardeerd op de reële waarde kunnen worden toegepast, als volgt vastgesteld:

  • a.

    voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014, 20%;

  • b.

    voor de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015, 40%;

  • c.

    voor de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016, 60%;

  • d.

    voor de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017, 80%;

  • e.

    voor de periode vanaf 1 januari 2018, 100%.

Artikel

5:3

– vaststelling percentages artikel 468 CRR met betrekking tot ongerealiseerde winsten

Gelet op artikel 468, eerste lid, van de CRR worden de percentages waarvoor de ongerealiseerde winsten gerelateerd aan activa of passiva die worden gewaardeerd op de reële waarde kunnen worden toegepast, als volgt vastgesteld:

  • a.

    voor de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015, 60%;

  • b.

    voor de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016, 40%;

  • c.

    voor de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017, 20%;

  • d.

    voor de periode vanaf 1 januari 2018, 0%.

Artikel

5:4

– toestaan gebruik berekening van artikel 473 CRR met betrekking tot het gebruik van IAS

Indien een instelling voldoet aan de vereisten van artikel 473, eerste lid, van de CRR, is het deze instelling toegestaan om voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2018 de berekening als bedoeld in artikel 473, tweede en derde lid, van de CRR toe te passen.

Artikel

5:5

– vaststelling percentages artikel 478 CRR met betrekking tot de aftrek van CET1 kapitaal, AT1 kapitaal en T2 kapitaal

Artikel

5:6

– vaststelling percentages artikel 479 CRR met betrekking tot minderheidsbelangen

Gelet op artikel 479, vierde lid, van de CRR worden de percentages als volgt vastgesteld:

  • a.

    voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014, 80%;

  • b.

    voor de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015, 60%;

  • c.

    voor de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016, 40%;

  • d.

    voor de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017, 20%;

  • e.

    voor de periode vanaf 1 januari 2018, 0%.

Artikel

5:7

– vaststelling factor artikel 480 CRR met betrekking tot minderheidsbelangen

Gelet op artikel 480, derde lid, van de CRR wordt de factor als volgt vastgesteld: voor de periode vanaf 1 januari 2014, 1.

Artikel

5:8

– vaststelling percentages artikel 481 CRR met betrekking tot additionele aftrekposten

Gelet op artikel 481, vijfde lid, van de CRR worden de percentages uit het derde en vierde lid van dat artikel als volgt vastgesteld: voor de periode vanaf 1 januari 2014, 0%.

Artikel

5:9

– vaststelling percentages artikel 486 CRR met betrekking tot limieten aan transitiebepalingen

Gelet op artikel 486, zesde lid, van de CRR worden de percentages, als volgt vastgesteld:

  • a.

    voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014, 80%;

  • b.

    voor de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015, 70%;

  • c.

    voor de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016, 60%;

  • d.

    voor de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017, 50%;

  • e.

    voor de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018, 40%;

  • f.

    voor de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019, 30%;

  • g.

    voor de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020, 20%;

  • h.

    voor de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021, 10%;

  • i.

    voor de periode vanaf 1 januari 2022, 0%.

Artikel

5:10

– ontheffing voor Fonds Communs de Créances of gelijkwaardige instrumenten

De in artikel 129, eerste lid, onderdelen d en e, van de CRR vermelde limiet van 10% geldt tot en met 31 december 2017 niet voor preferente aandelen die zijn uitgegeven door Franse ‘Fonds Communs de Créances’ of door securitisatie-instellingen die gelijkwaardig zijn aan Franse ‘Fonds Communs de Créances’, mits wordt voldaan aan elk van de voorwaarden, bedoeld in artikel 496, eerste lid, van de CRR.

Hoofdstuk

6

Slotbepalingen

Artikel

6:1

– intrekking van toezichthouderregelingen van DNB

De volgende regelingen van DNB worden ingetrokken:

Artikel

6:2

– citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling specifieke bepalingen CRD IV en CRR.

Artikel

6:3

– inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2014.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Amsterdam
De Nederlandsche Bank N.V. J. Sijbrand, directeur.