Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 9 december 2014, nr. IENM/BSK-2014/260116, houdende vaststelling van regels tot vrijstelling van het Besluit luchtverkeer 2014 ter uitvoering van uitvoeringsverordening (EU) nr. 923/2012 van de Commissie van 26 september 2012 tot vaststelling van gemeenschappelijke luchtverkeersregels en operationele bepalingen betreffende luchtvaartnavigatiediensten en -procedures en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1035/2011 en Verordeningen (EG) nr. 1265/2007, (EG) nr. 1794/2006, (EG) nr. 730/2006, (EG) nr. 1033/2006 en (EU) nr. 255/2010 (Vrijstellingsregeling Besluit luchtverkeer 2014)

Vrijstellingsregeling Besluit luchtverkeer 2014

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu en de Minister van Defensie,

Besluiten:

Hoofdstuk

1

Algemene bepalingen

Artikel

1.1

Begripsomschrijving

In deze regeling wordt verstaan onder:

Hoofdstuk

2

Activiteiten van openbaar belang

Artikel

2.1

Minimumvlieghoogtes

Artikel

2.2

Zichtvliegvoorschriften

Artikel

2.3

Luchtvaartuiglichten

Ten aanzien van politievluchten en kustwachtvluchten gelden de volgende regels, indien door het doel van de vlucht niet kan worden voldaan aan het gestelde bij of krachtens paragraaf SERA.3215 van verordening (EU) nr. 923/2012:

  • a.

    de noodzaak van het uitvoeren van een vlucht met gedoofde lichten blijkt uit een dienstopdracht;

  • b.

    de vlucht wordt vooraf afgestemd met de betrokken luchtverkeersdienst of -diensten, die voorwaarden kan of kunnen stellen ten aanzien van te volgen procedures;

  • c.

    in het vliegplan wordt melding gemaakt van het voornemen om tijdens de vlucht of een deel daarvan de verplichte lichten niet te tonen;

  • d.

    het luchtvaartuig is uitgerust met een goed functionerend radar beantwoordingssysteem (SSR-transponder) met 4.096 codemogelijkheden in Mode A en automatische hoogterapportering in Mode C.

Artikel

2.4

Buitenlandse luchtvaartuigen

De artikelen 2.1 en 2.2 zijn van overeenkomstige toepassing op een politievlucht uitgevoerd door de bevoegde autoriteit van de Bondsrepubliek Duitsland met een luchtvaartuig als bedoeld in artikel 25, vierde lid, van het op 2 maart 2005 tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake de grensoverschrijdende politiële samenwerking en de samenwerking in strafrechtelijke aangelegenheden (Trb. 2005, 86).

Artikel

2.5

VFR-vlucht in luchtruimklasse A

Onverminderd paragraaf SERA.6001, onderdeel a, is het uitvoeren van een SAR-vlucht, politievlucht of kustwachtvlucht en de opleiding en training die nodig zijn voor de veilige uitvoering van een dergelijke vlucht, toegestaan in luchtruim met klasse A, indien wordt voldaan aan de volgende voorschriften:

  • a.

    de vlucht wordt uitgevoerd in overeenstemming met de eisen inzake vliegzicht in paragraaf SERA.5001 van verordening (EU) nr. 923/2012;

  • b.

    de vlucht wordt uitgevoerd als een gecontroleerde VFR-vlucht;

  • c.

    de gezagvoerder is te allen tijde in staat en bevoegd de vlucht onder instrumentvliegvoorschriften voort te zetten.

Artikel

2.6

Uitwerpen van voorwerpen en stoffen

Het uitwerpen van voorwerpen of stoffen uit het luchtvaartuig tijdens een SAR-vlucht, politievlucht of kustwachtvlucht en de opleiding en training die nodig zijn voor de veilige uitvoering van een dergelijke vlucht, is toegestaan, indien wordt voldaan aan de volgende voorschriften:

  • a.

    de vlieghoogte tijdens het uitwerpen van voorwerpen of stoffen bedraagt minimaal 30 meter (100 voet) en maximaal 90 meter (300 voet) boven het water of de grond, of zoveel lager, indien dit noodzakelijk is om voorwerpen of stoffen uit te werpen voor de uitvoering van de taken;

  • b.

    de gezagvoerder heeft tijdens het uitwerpen van voorwerpen of stoffen voortdurend zicht op het water of op de grond;

  • c.

    de gezagvoerder draagt ervoor zorg, dat overig luchtverkeer en personen geen hinder ondervinden van het uitwerpen van voorwerpen of stoffen, en zaken op het water of op de grond niet worden beschadigd.

Artikel

2.7

Transponder

Het uitvoeren van een politievlucht of kustwachtvlucht zonder geactiveerde Mode S SSR-transponder als bedoeld in paragraaf SERA.6005 van verordening (EU) nr. 923/2012 is toegestaan gedurende de periode waarin dit noodzakelijk is voor het doel van de vlucht, indien wordt voldaan aan de volgende voorschriften:

  • a.

    de noodzaak van het uitvoeren van de vlucht blijkt uit een dienstopdracht;

  • b.

    de vlucht is vooraf afgestemd met de betrokken luchtverkeersdienst of -diensten, die voorwaarden kan of kunnen stellen ten aanzien van te volgen procedures;

  • c.

    in het vliegplan is melding gedaan van het voornemen tijdens de vlucht, of een deel daarvan, de SSR-transponder uit te zetten;

  • d.

    de vlucht wordt uitgevoerd in overeenstemming met de eisen inzake vliegzicht in paragraaf SERA.5001 en paragraaf SERA.5005 van verordening (EU) nr. 923/2012;

  • e.

    voor het uitvoeren van de vlucht is een tweezijdige radioverbinding tot stand gebracht met de betrokken luchtverkeersdienst en wordt voortdurend op de aangewezen radiofrequentie geluisterd;

  • f.

    de luchtverkeersdienst kan te allen tijde de gezagvoerder opdragen de SSR-transponder te activeren, indien een veilige uitvoering van de vlucht dat vereist.

Hoofdstuk

3

Zichtvliegvoorschriften

Artikel

3.1

Vrije ballonnen

Het uitvoeren van een vlucht met een vrije ballon buiten de daglichtperiode is toegestaan met inachtneming van de volgende voorschriften:

  • a.

    de gezagvoerder is in het bezit van een geldig bewijs van bevoegdheid als ballonvaarder en heeft als gezagvoerder ten minste 100 uur aan ballonvaarten uitgevoerd;

  • b.

    de vlucht wordt uitgevoerd zonder passagiers, tenzij er binnen één uur voor het begin van de daglichtperiode wordt gestart;

  • c.

    de minimum vlieghoogte bedraagt 600 meter (2000 voet) boven gemiddeld zeeniveau;

  • d.

    de vlucht wordt niet uitgevoerd in de Amsterdam CTA's, de Schiphol CTR, de Schiphol TMA's, de Rotterdam CTR en de Rotterdam TMA 1, bedoeld in de Regeling luchtverkeersdienstverlening;

  • e.

    tijdens de vlucht zijn de volgende, naar behorende functionerende, instrumenten, luchtvaartradiocommunicatie- en identificatieapparatuur aan boord:

    • 1°.

      een drukhoogtemeter,

    • 2°.

      een stijgsnelheidsmeter,

    • 3°.

      een magnetisch kompas,

    • 4°.

      twee VHF-zendontvanginstallaties waarmee voortdurend een tweezijdige radioverbinding kan worden onderhouden met de betrokken luchtverkeersleidingsdiensten op de frequenties zoals gepubliceerd in de luchtvaartgids,

    • 5°.

      een SSR-transponder met de Mode S wordt gebruikt, ongeacht de classificatie van het luchtruim of de vlieghoogte,

    • 6°.

      noodverlichting in de vorm van zaklantaarns;

  • f.

    ten minste twee uren vóór de aanvang van de vlucht wordt een vliegplan voorgelegd aan de supervisor van AOCS Nieuw Milligen, bedoeld in artikel 1 van de Regeling luchtverkeersdienstverlening onder opgave van:

    • 1°.

      het registratiekenmerk van de vrije ballon,

    • 2°.

      de plaats van vertrek,

    • 3°.

      de verwachte tijd van opstijging, en

    • 4°.

      de maximum vlieghoogte;

  • g.

    ongeacht de plaats van opstijging wordt een vliegplan voor de vlucht met de vrije ballon ten minste twaalf uren voor de verwachte tijd van opstijging ingediend;

  • h.

    de voorbereiding van de vlucht met een vrije ballon is zodanig dat:

    • 1°.

      gelet op de hoeveelheid brandstof tot minimaal één uur na aanvang van de daglichtperiode kan worden gevlogen,

    • 2°.

      rekening houdend met een ruime wijziging van de windrichting en snelheid van de wind, er geen luchtverkeerleidingsgebieden zullen worden binnen gevlogen die niet zijn vermeld in het vliegplan,

  • i.

    het landen vindt uitsluitend plaats binnen de daglichtperiode;

Artikel

3.2

Vluchtuitvoeringen buiten de daglichtperiode

Artikel

3.3

Spuit en sproeivluchten

Het uitvoeren van een vlucht waarbij stoffen ter bevordering of ter bescherming van het milieu dan wel de land-, tuin- of bosbouw, te bestemder plaatse worden uitgeworpen is toegestaan gedurende de vijftien minuten voor de aanvang en vijftien minuten na het einde van de daglichtperiode.

Hoofdstuk

4

Minimumvlieghoogte

Artikel

4.1

Luchtwerk

Artikel

4.2

Luchtvaartvertoningen

De minimumvlieghoogtes voor VFR-verkeer, bedoeld in paragraaf SERA.5005 van verordening (EU) nr. 923/2012, zijn niet van toepassing op een vlucht die onderdeel is van een luchtvaartvertoning waarvoor krachtens artikel 17 van de Luchtvaartwet een vergunning is verleend, met dien verstande dat niet mag worden gevlogen onder de vlieghoogte die is opgenomen in een vertoninglicentie als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel s, van de Regeling luchtvaartvertoningen.

Artikel

4.3

Spuit- en sproeivluchten

Bij het toepassen van de uitzondering op de minimum vlieghoogtes voor de in artikel 19, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit luchtverkeer 2014 genoemde vluchten worden de volgende regels in acht genomen:

  • a.

    vluchten zijn niet toegestaan boven wegen, tram-, spoor- en waterwegen, voor zover er verkeer is op deze wegen;

  • b.

    vluchten zijn niet toegestaan boven terreinen grenzend aan de onder a. genoemde wegen, voor zover er verkeer is op deze wegen en de koers van het luchtvaartuig de rijrichting van het verkeer kruist of wanneer door de heersende windrichting de in artikel 19, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit luchtverkeer 2014 bedoelde stoffen in de richting van het verkeer worden verplaatst;

  • c.

    vluchten zijn niet toegestaan boven en onder hoogspanningslijnen en binnen een gebied van vijftien meter ter weerszijden van deze hoogspanningslijnen.

Artikel

4.4

Oefennaderingen

Artikel

4.5

Schermzweeftoestellen, zeil- en zweefvliegtuigen

Hoofdstuk

5

Slotbepalingen

Artikel

5.2

Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel

5.3

Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Vrijstellingsregeling Besluit luchtverkeer 2014.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,W.J.Mansveld
De Minister van Defensie,J.A.Hennis-Plasschaert