Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 19 maart 2015, nr. 2015-0000162062, houdende regels over substantieel bezwarende functies (Regeling substantieel bezwarende functies)
In deze regeling wordt verstaan onder berekeningsgrondslag: de bezoldiging, bedoeld in het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, berekend over een kalendermaand, waarop betrokkene op de dag voorafgaand aan zijn ontslag aanspraak had of bij uitoefening van zijn functie zou hebben gehad.
2
Als betrokkene direct voorafgaand aan zijn ontslag buitengewoon verlof heeft genoten als bedoeld in artikel 49tt, achtste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, geldt als berekeningsgrondslag: de bezoldiging, bedoeld in het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, berekend over een kalendermaand, waarop betrokkene op de dag voorafgaand aan zijn buitengewoon verlof aanspraak had of bij uitoefening van zijn functie zou hebben gehad.
In zoverre de bezoldiging, als bedoeld in het eerste lid, niet in een vast bedrag per maand kan worden uitgedrukt, wordt voor dat deel van de bezoldiging gerekend met het bedrag dat betrokkene over de laatste twaalf volle kalendermaanden voorafgaand aan het ontslag of aan het buitengewoon verlof, bedoeld in het tweede lid, gemiddeld per maand is toegekend.
5
Bij ontslag voor een gedeelte van de arbeidsduur als bedoeld in artikel 94b, vierde lid, en artikel 94c, zesde lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, wordt de berekeningsgrondslag vermenigvuldigd met een breuk, waarvan de teller overeenkomt met het aantal uren waarvoor ontslag is verleend en de noemer met de voor de ambtenaar geldende arbeidsduur op de dag voorafgaand aan het deeltijdontslag.
6
De berekeningsgrondslag wordt aangepast overeenkomstig een algemene wijziging van het salaris, de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering van het burgerlijk rijkspersoneel, met ingang van de dag waarop de salariswijziging, respectievelijk de wijziging van de vakantie-uitkering of de eindejaarsuitkering van kracht wordt.
Indien aan betrokkene voor een percentage van de voor hem geldende arbeidsduur ontslag is verleend als bedoeld in artikel 94b, vierde lid, van het Algemeen rijksambtenarenreglement, wordt de uitkeringsduur, bedoeld in het eerste lid, nader vastgesteld door die uitkeringsduur te delen door het voornoemde percentage.
3
Bij ontslag voor de resterende arbeidsduur, bedoeld in artikel 94b, zesde lid, van het Algemeen rijksambtenarenreglement, wordt de duur van de uitkering nader vastgesteld door de alsdan resterende uitkeringsduur te vermenigvuldigen met het in het tweede lid genoemde percentage.
Overgangsmaatregel bij vervallen van de aanmerking als substantieel bezwarende functie
1
De duur van de uitkering voor de ambtenaar als bedoeld in artikel 94c, zevende lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement wordt berekend door het aantal jaren dat de ambtenaar aaneengesloten heeft doorgebracht in een FLO-functie of substantieel bezwarende functie te vermenigvuldigen met een maand. De uitkeringsduur bedraagt maximaal de uitkeringsduur genoemd in het eerste lid van artikel 4.
De uitkering van betrokkene die na zijn ontslag nog rechten heeft of krijgt uit hoofde van ziekte of arbeidsongeschiktheid in verband met de functie waaruit hij is ontslagen, wordt tot het einde van de periode waarover die rechten bestaan verminderd met het bedrag daarvan.
Artikel
9
Anticumulatie neveninkomsten
1
De uitkering wordt verminderd met de inkomsten die betrokkene geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen met ingang van of na de dag van het ontslag, voor zover de uitkering vermeerderd met de inkomsten de berekeningsgrondslag overschrijdt. De inkomsten worden met de uitkering verrekend over het jaar waarop deze inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben.
2
Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf ter hand genomen gedurende non-activiteit of verlof, in het jaar voorafgaand aan het ontslag ter zake waarvan de uitkering is toegekend.
3
Wanneer betrokkene enige arbeid of bedrijf ter hand heeft genomen vóór de dag van het ontslag, en na die dag uit die arbeid of dat bedrijf inkomsten of meer inkomsten gaat genieten, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, tenzij betrokkene aannemelijk maakt dat die inkomsten of vermeerdering van inkomsten of een gedeelte daarvan niet het gevolg zijn van een verhoogde werkzaamheid en geen verband houden met het ontslag.
Artikel
10
Verstrekken van inlichtingen
1
Betrokkene is verplicht van het ter hand nemen van enige arbeid of bedrijf terstond mededeling te doen aan de door de Minister voor Wonen en Rijksdienst aangewezen instantie onder opgave, voor zover mogelijk, van de inkomsten die hij uit die werkzaamheden zal genieten.
2
Zijn de inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf niet vooraf op te geven, dan doet betrokkene tijdig vóór het verstrijken van elke uitkeringstermijn opgave van de inkomsten, die hij sinds het ter hand nemen van de werkzaamheden of sinds de vorige opgave heeft genoten.
3
Brengt de aard van de werkzaamheden of van de inkomsten mee, dat de inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt op de uitkering een vermindering toegepast van een voorlopig vastgesteld bedrag onder voorbehoud van verrekening aan het einde van de bedoelde termijn.
4
Betrokkene wordt door het aanvaarden van de uitkering geacht erin toe te stemmen dat allen die daarvoor naar het oordeel van de Minister voor Wonen en Rijksdienst in aanmerking komen, omtrent zijn omstandigheden alle inlichtingen geven, welke voor de uitvoering van deze regeling noodzakelijk zijn.
5
Indien betrokkene de gegevens, die noodzakelijk zijn voor de vaststelling of de vermindering van de uitkering niet, niet volledig of onjuist verstrekt, kan de uitkering zolang dit het geval is, niet of slechts gedeeltelijk worden uitbetaald.
Artikel
11
Einde van het recht op uitkering
Het recht op uitkering eindigt in ieder geval:
1.
met ingang van de dag waarop betrokkene de pensioengerechtigde leeftijd bereikt;
2.
met ingang van de dag volgende op die waarop betrokkene is overleden.
Artikel
12
Overlijdensuitkering
1
Na het overlijden van betrokkene aan wie een uitkering is toegekend, wordt aan de nabestaande, van wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde, een overlijdensuitkering uitgekeerd gelijk aan de berekeningsgrondslag over een tijdvak van drie maanden.
2
Indien op de uitkering een vermindering werd toegepast krachtens de artikelen 8 of 9 is de in het eerste lid bedoelde overlijdensuitkering gelijk aan het bedrag van de uitkering die betrokkene ontving over de periode van drie maanden voorafgaand aan de dag van het overlijden.
3
Bij ontstentenis van een nabestaande, van wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde, geschiedt de uitkering, bedoeld in het eerste lid, ten behoeve van de minderjarige kinderen. Onder kinderen wordt in dit artikel mede verstaan natuurlijke kinderen en kinderen waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering aan degenen die geheel of grotendeels afhankelijk waren van de uitkering van betrokkene.
4
Laat de overledene geen betrekkingen als bedoeld in het eerste en derde lid na, dan kan de overlijdensuitkering geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien zijn nalatenschap voor de betaling van die kosten ontoereikend is.
Aan betrokkene, bedoeld in het tweede lid, van wie de uitkering na 30 september 2014 wordt beëindigd, wordt de compensatie, bedoeld in het tweede lid, uitbetaald bij ontslag.
4
Aan betrokkene, bedoeld in het tweede lid, van wie de uitkering voor 1 oktober 2014 is beëindigd, wordt de compensatie, bedoeld in het tweede lid, op aanvraag verstrekt, indien de aanvraag voor 1 oktober 2015 is ingediend.
bij het Ministerie van Financiën bij de Eenheid Belastingsdienst/ Economische Controledienst (vervallen per 1 juli 2003)
a.
rechercheur/opsporingsambtenaar, belast met hetzelfde complex van werkzaamheden die tot 1 september 1999 voorkwam bij de voormalige hoofdafdeling Internationaal Economische Recherche van de Economische Controledienst bij het Ministerie van Economische Zaken;
b.
rechercheur belast met hetzelfde complex van werkzaamheden in verband met de controles op de naleving van de Wet Assurantiebemiddelingsbedrijf, die tot 1 september 1999 voorkwam bij de voormalige afdeling Rechercheteam van de hoofdafdeling Economische Ordeningsrecherche van de Economische Controledienst bij het Ministerie van Economische Zaken.
2.
bij het Ministerie van Economische Zaken, bij de afdeling Toezicht van het Agentschap Telecom (vervallen per 27 april 2012):
–
medewerker handhaving opsporing/zeevaart/landmobiel en binnenvaart;