Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, de Minister van Veiligheid en Justitie en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 26 maart 2015, nummer 625779, tot besteding van de gelden uit het Europese Fonds voor asiel, migratie en integratie en het Fonds voor interne veiligheid (instrument voor financiële steun voor politiële samenwerking, voorkoming en bestrijding van criminaliteit, en crisisbeheersing en instrument voor financiële steun voor de buitengrenzen en visa) (Subsidieregeling AMIF en ISF 2014–2020)

Subsidieregeling AMIF en ISF 2014–2020

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, de Minister van Veiligheid en Justitie en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Besluit:

Artikel

1

Definities

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • actie: een door of onder verantwoordelijkheid van de voor het betrokken nationale programma verantwoordelijke instantie gekozen project of groep projecten, bedoeld in artikel 4, die bijdragen aan de verwezenlijking van de algemene of specifieke doelstellingen van de specifieke verordeningen;

  • brutoloon: bruto salaris, inclusief eindejaarsuitkering of een beloning in de vorm van een dertiende maand, zijnde een vast bedrag of vastgesteld percentage van het salaris, dat werknemers als extra loon ontvangen, voor zover dit is geregeld in de geldende collectieve arbeidsovereenkomst of arbeidsovereenkomst, exclusief vakantiegeld, exclusief vergoedingen, bijzondere beloningen, winst- of prestatieafhankelijke uitkeringen en aanvullende werkgeverslasten;

  • cofinanciering: deel van het financieringsplan dat niet door de Subsidieregeling AMIF en ISF 2014–2020 wordt gefinancierd;

  • deelnemers: personen uit de doelgroep die deelnemen aan de activiteiten uit het project van de subsidieaanvrager;

  • directe loonkosten: loonkosten van personeel, waarbij sprake is van direct aan deelnemers van het project bestede uren, dan wel loonkosten welke direct te relateren zijn aan de uitvoering van subsidiabele activiteiten als bedoeld in bijlagen A tot en met H;

  • Horizontale verordening: Verordening (EU) nr. 514/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot vaststelling van de algemene bepalingen inzake het Fonds voor asiel, migratie en integratie en inzake het instrument voor financiële steun voor politiële samenwerking, voorkoming en bestrijding van criminaliteit en crisisbeheersing (PbEU L 150/112);

  • indirecte kosten: kosten die, met inachtneming van de subsidiabiliteitsvereisten, bedoeld in artikel 17 van de Horizontale verordening, niet kunnen worden aangewezen als specifieke kosten van het project, en niet rechtstreeks verband houden met de uitvoering ervan;

  • minister: De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor zover het betreft subsidiëring van projecten inzake integratie en de Minister van Veiligheid en Justitie voor zover het overige te subsidiëren projecten betreft;

  • naaste verwanten: de echtgenoten of partners, alsmede elke persoon die rechtstreeks familiebanden in opgaande of neergaande lijn heeft met de onderdaan uit een derde land voor wie de integratiemaatregelen bedoeld zijn en die anders niet onder de werking van de Verordening AMIF zou vallen;

  • nationaal programma AMIF 2014–2020: het programma, bedoeld in artikel 19 van de Verordening AMIF;

  • nationaal programma ISF 2014–2020: het programma, bedoeld in artikel 7 van de Verordening ISF Politie en artikel 9 van de Verordening ISF Grenzen;

  • onderdaan van een derde land: eenieder die geen burger van de Europese Unie is in de zin van artikel 20, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;

  • project: het specifieke, praktische middel waarmee een subsidieontvanger een actie geheel of gedeeltelijk uitvoert;

  • projectperiode: periode tussen het tijdstip waarop activiteiten starten en worden beëindigd;

  • rechtstreekse subsidietoekenning: de verantwoordelijke instantie kan subsidies rechtstreeks toekennen indien er door de specifieke aard van het project of de deskundigheid dan wel administratieve bevoegdheid van de betrokken organen geen andere keus is;

  • subsidieaanvrager: de aanvrager van een subsidie op grond van deze regeling;

  • subsidieontvanger: de subsidieaanvrager aan wie krachtens deze regeling subsidie is verleend;

  • Verordening AMIF: Verordening (EU) Nr. 516/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot oprichting van het Fonds voor asiel, migratie en integratie (PbEU L 150/168);

  • Verordening ISF Politie: Verordening (EU) Nr. 513/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot vaststelling, als onderdeel van het Fonds voor interne veiligheid, van het instrument voor financiële steun voor politiële samenwerking, voorkoming en bestrijding van criminaliteit, en crisisbeheer en tot intrekking van het Besluit nr. 2007/125/JBZ van de Raad (PbEU L 150/93);

  • Verordening ISF Grenzen: Verordening (EU) Nr. 515/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot vaststelling, als onderdeel van het Fonds voor interne veiligheid, van het instrument voor financiële steun voor de buitengrenzen en visa en tot intrekking van Beschikking nr. 574/2007/EG (PbEU L 150/143);

  • vreemdeling: ieder die de Nederlandse nationaliteit niet bezit en niet op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander moet worden behandeld.

Artikel

2

Inleidende bepaling

Artikel

3

Aanwijzing instanties

Artikel

4

Aard van de projecten

De minister kan met inachtneming van deze regeling en onder het voorbehoud, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Horizontale Verordening, subsidie verlenen ten behoeve van projecten zonder winstoogmerk op het gebied van:

  • a.

    het behouden en verbeteren van de kwaliteit van het opvang- en asielstelsel, nader uitgewerkt in bijlage A, behorende bij deze regeling;

  • b.

    de bevordering van de participatie in de samenleving van onderdanen van een niet-westers derde land en hun naaste verwanten, nader uitgewerkt in bijlage B, behorende bij deze regeling;

  • c.

    de bevordering van terugkeer van vreemdelingen die geen recht op verblijf in Nederland hebben, dan wel van vreemdelingen die nog in afwachting zijn van een beslissing op hun verzoek tot verblijf, dan wel van vreemdelingen met een tijdelijk verblijfsrecht, nader uitgewerkt in bijlage C, behorende bij deze regeling;

  • d.

    financieel rechercheren, nader uitgewerkt in bijlage D, behorende bij deze regeling;

  • e.

    het Europees opleidingsprogramma voor Rechtshandhaving, nader uitgewerkt in bijlage E, behorende bij deze regeling;

  • f.

    het verbeteren van slachtofferzorg, nader uitgewerkt in bijlage F, behorende bij deze regeling;

  • g.

    risico- en crisisbeheersing, nader uitgewerkt in bijlage G, behorende bij deze regeling;

  • h.

    management van de externe EU-grenzen, zowel op visa als op grenzen, nader uitgewerkt in bijlage H, behorende bij deze regeling;

  • i.

    twee of drie van de acties, bedoeld in de onderdelen a, b of c, met één centrale doelstelling gericht op de betreffende doelgroepen, bedoeld in bijlagen A, B of C.

Artikel

5

Aanvraagtijdvakken en subsidieplafond

De mogelijkheid tot het indienen van aanvragen om subsidie bestaat slechts gedurende door de minister vastgestelde aanvraagtijdvakken, gelegen in de jaren 2014 tot en met 2022. De minister maakt de aanvraagtijdvakken vooraf bekend in de Nederlandse Staatscourant, waarbij tevens het maximaal beschikbare bedrag per actie per aanvraagtijdvak wordt vastgesteld.

Artikel

6

Subsidieaanvrager

Artikel

7

De subsidieaanvraag

Artikel

8

Rangschikking

Artikel

9

Subsidieverlening

Artikel

10

Weigering van de subsidie

Een aanvraag tot verlening van subsidie kan in ieder geval door de minister geheel of gedeeltelijk worden afgewezen, indien:

  • a.

    de subsidieaanvraag niet voldoet aan de daaraan bij en krachtens deze regeling gestelde eisen;

  • b.

    de kosten van het project niet in een redelijke verhouding staan tot de daarvan te verwachten resultaten;

  • c.

    onvoldoende zekerheid bestaat over de financiering van de totale noodzakelijkerwijs ten behoeve van de voorbereiding en de uitvoering van het project te maken kosten;

  • d.

    onvoldoende zekerheid bestaat dat de administratie van de subsidieaanvrager zal voldoen aan de daaraan gestelde eisen;

  • e.

    onaannemelijk is dat de subsidieaanvrager de subsidiabele activiteiten in voldoende mate in kwalitatieve of kwantitatieve zin kan beïnvloeden of realiseren;

  • f.

    onaannemelijk is dat met de door de subsidieaanvrager toegepaste werkwijze de met de subsidie beoogde doelstelling wordt bereikt;

  • g.

    onaannemelijk is dat de voorgenomen subsidiabele activiteiten en subsidiabele kosten eenvoudig te verantwoorden en te controleren zijn;

  • h.

    de kosten reeds uit anderen hoofde worden gefinancierd ten laste van Europese subsidieprogramma’s;

  • i.

    dezelfde subsidiabele kosten reeds uit hoofde van nationale subsidieprogramma’s worden gefinancierd zodanig dat de totale financiering van de subsidiabele kosten meer dan 100% bedraagt;

  • j.

    onaannemelijk is dat subsidieaanvrager beschikt over operationele en financiële capaciteit voor de uitvoering van de voorgenomen activiteiten;

  • k.

    anderszins op grond van diens eerdere subsidieverleningen voor vergelijkbare activiteiten niet aannemelijk is dat de subsidieaanvrager de activiteiten goed zal uitvoeren en aan de subsidieverlening verbonden verplichtingen zal voldoen;

  • l.

    de subsidiabele kosten minder dan € 400.000 bedragen;

  • m.

    voor een subsidieaanvraag met betrekking tot een actie als bedoeld in artikel 4, onderdelen a tot en met c, op grond van artikel 8, eerste lid, minder dan 60 punten worden toegekend.

Artikel

11

Hoogte van de subsidie

Artikel

12

Subsidiabele kosten

Artikel

13

Niet subsidiabele kosten

Niet voor subsidiëring komen in aanmerking:

  • a.

    onredelijk of niet noodzakelijk gemaakte kosten voor uitvoering van het project of een onderdeel daarvan;

  • b.

    kosten van het project die qua prijsniveau niet in een redelijke verhouding staan tot de overeengekomen prestaties of hetgeen gebruikelijk is;

  • c.

    de aankoop van niet-bebouwde grond;

  • d.

    de aankoop van bebouwde grond, wanneer de grond noodzakelijk is voor de uitvoering van het project, wanneer dat bedrag meer dan 10% van de totale subsidiabele uitgaven van het betrokken project uitmaakt;

  • e.

    belasting over de toegevoegde waarde, behalve indien deze krachtens het nationale recht inzake belasting over de toegevoegde waarde niet terug vorderbaar is;

  • f.

    binnenlandse reiskosten en verblijfskosten;

  • g.

    fooien en geschenken;

  • h.

    representatiekosten en representatievergoedingen;

  • i.

    kosten van ontspanningsactiviteiten ten behoeve van personeelsleden van het project;

  • j.

    kapitaalopbrengsten, schulden en kosten van schulden, rente op schulden, commissies voor het wisselen van geld en wisselkoersverliezen, voorzieningen voor eventuele toekomstige verliezen of schulden, verschuldigde rente, dubieuze vorderingen, boetes, financiële sancties, gerechtskosten en buitensporige of roekeloze uitgaven;

  • k.

    verbruiksgoederen, benodigdheden en algemene diensten inclusief kosten voor telefoon en internet;

  • l.

    kosten gemaakt buiten de projectperiode, die benoemd is in de beschikking tot subsidieverlening, met uitzondering van de kosten voor de directe loonkosten projectcoördinatie en -administratie en de externe kosten projectcoördinatie en -administratie ten behoeve van het opstellen van de einddeclaratie tot aan het moment van indienen van het verzoek tot vaststelling;

  • m.

    bijdragen in natura, met uitzondering van de kosten, bedoeld in artikel 12, derde lid;

  • n.

    kosten die reeds uit anderen hoofde worden gefinancierd ten laste van Europese subsidieprogramma’s;

  • o.

    dezelfde kosten die reeds uit hoofde van nationale subsidieprogramma’s worden gefinancierd zodanig dat de totale financiering van de subsidiabele kosten meer dan 100% bedraagt.

Artikel

14

Bevoorschotting

Artikel

15

Administratievoorschriften

Artikel

16

Beschikbaarheid van bescheiden

Artikel

17

Rapportageverplichtingen

Artikel

18

Einddeclaratie en subsidievaststelling

Artikel

19

Publiciteit

Artikel

20

Openbaar maken subsidiedossier

Artikel

21

Intrekking en terugvordering

Artikel

22

Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling AMIF en ISF 2014–2020.

Artikel

23

Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, met dien verstande dat voor subsidieaanvragen met betrekking tot een project op het gebied van een actie als bedoeld in artikel 4, onderdelen d tot en met h, deze regeling terugwerkt tot en met 1 januari 2015.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

‘s-Gravenhage
De Minister van Veiligheid en Justitie,G.A. van derSteur
De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,K.H.D.M.Dijkhoff
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,L.F.Asscher

Bijlage

A

, behorende bij artikel 4, onderdeel a

Specifieke bepalingen met betrekking tot de actie, genoemd in artikel 4, onderdeel a: het behoud en verbeteren van de kwaliteit van het opvang- en asielstelsel.

Artikel

A1

Subsidieaanvrager

De subsidie wordt aangevraagd door:

  • nationale, regionale of lokale overheidsorganisaties;

  • onderwijs- en onderzoeksinstellingen;

  • opleidingsorganisaties;

  • sociale partners;

  • internationale gouvernementele- en niet-gouvernementele organisaties;

  • niet-gouvernementele organisaties;

  • privaatrechtelijke ondernemingen;

  • publiekrechtelijke ondernemingen.

Artikel

A2

Aanvraagtijdvak

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van deze bijlage worden door de minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 12 mei 2015, 09.00 uur, tot en met 12 juni 2015, 17.00 uur.

Artikel

A3

Subsidieplafond

  • 1.

    Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel A2, € 14.800.000.

  • 2.

    Voor subsidies aan organisaties met een de jure monopoliepositie is van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, een bedrag gereserveerd van € 8.880.000.

Artikel

A4

Doel en doelgroepen

  • 1.

    Een project heeft tot doel het behouden en verbeteren van de kwaliteit van het opvang- en asielstelsel voor onderdanen van een derde land.

  • 2.

    De doelgroepen van de projecten zijn:

Artikel

A5

Subsidiabele activiteiten

  • 1.

    Projecten zijn uitsluitend gericht op een of meer van de volgende activiteiten:

    • a.

      Het opleiden van medewerkers die betrokken zijn bij het opvang- en asielstelsel;

    • b.

      Het creëren of uitbreiden van opvanglocaties en voorzieningen in de opvang, zodat deze (nog beter) geschikt zijn voor kwetsbare groepen;

    • c.

      Het aanpassen van de opvang en asielprocedure aan (inter)nationale vereisten;

    • d.

      Het inrichten van voldoende flexibele accommodatie voor alle doelgroepen met het oog op fluctuerende instroom;

    • e.

      Het onderzoeken van alternatieven voor vreemdelingenbewaring en het vaker toepassen van alternatieve toezichtsmaatregelen;

    • f.

      Onderzoeken, testen en implementeren van maatregelen gericht op het activeren van asielzoekers in de opvang en het verbeteren van de opvang- en asielprocedure;

    • g.

      Het verbeteren van het welbevinden van asielzoekers;

    • h.

      Nationale samenwerking binnen de vreemdelingenketen versterken, onder andere door het waar nodig aanpassen van IT-systemen om samenwerking te verbeteren;

    • i.

      Internationale samenwerking versterken en uitbouwen door uitwisselingsprogramma's, expertmeetings, workshops en seminars, gericht op het samenwerken en onderhouden en uitbouwen van netwerken op internationaal en in het bijzonder op Europees vlak.

  • 2.

    Projecten mogen niet strijdig zijn met het nationaal asiel- en opvangbeleid.

Artikel

A6

Aanvullende eisen aanvraag

  • 1.

    Projecten gericht op het opvangstelsel respectievelijk het asielstelsel, worden altijd uitgevoerd in samenwerking met of na afstemming met het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers respectievelijk de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Een bewijs hiervan wordt bijgevoegd bij de aanvraag.

  • 2.

    Projecten in de opvang richten zich bij voorkeur op alleenstaande minderjarige vreemdelingen, vreemdelingen met medische problematiek, alleenstaande vrouwen en kinderen.

  • 3.

    Projecten dragen bij voorkeur bij aan het draagvlak voor asielopvang.

Artikel

A7

Specifieke eisen aan het project

  • 1.

    Een project komt uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien:

    • a.

      het project past binnen het doel, omschreven in artikel A4;

    • b.

      het project een duur van ten hoogste 36 maanden heeft, gerekend vanaf de datum van ontvangst van de volledige aanvraag tot maximaal een maand na de datum van de beschikking tot subsidieverlening.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, kan door de minister in de beschikking tot subsidieverlening een andere startdatum van het project worden vermeld.

  • 3.

    In afwijking van artikel 10, aanhef en onder l, kan de minister de aanvraag tot verlening van subsidie toewijzen indien de aanvraag betrekking heeft op een samengesteld project op grond van twee of meer van de acties, bedoeld in artikel 4, aanhef en onder a, b en c, waarvan de subsidiabele kosten gezamenlijk € 400.000 of meer bedragen.

Bijlage

B

, behorende bij artikel 4, onderdeel b

Specifieke bepalingen met betrekking tot de actie, genoemd in artikel 4, onderdeel b: de bevordering van de participatie in de samenleving van onderdanen van een niet-westers derde land en hun naaste verwanten.

Artikel

B1

Subsidieaanvrager

De subsidie wordt aangevraagd door:

  • nationale, regionale of lokale overheidsorganisaties;

  • onderwijs- en onderzoeksinstellingen;

  • opleidingsorganisaties;

  • sociale partners;

  • internationale gouvernementele- en niet-gouvernementele organisaties;

  • niet-gouvernementele organisaties;

  • privaatrechtelijke ondernemingen;

  • publiekrechtelijke ondernemingen.

Artikel

B2

Aanvraagtijdvak

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van deze bijlage worden door de minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 12 mei 2015, 09.00 uur, tot en met 12 juni 2015, 17.00 uur.

Artikel

B3

Subsidieplafond

Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel B2, € 8.800.000.

Artikel

B4

Doel en doelgroep

  • 1.

    Een project heeft tot doel de bevordering van de participatie in de samenleving van onderdanen van een niet-westers derde land en hun naaste verwanten.

  • 2.

    De doelgroep van een project zijn onderdanen van een niet-westers derde land met rechtmatig verblijf:

  • 3.

    Als niet-westers derde land als bedoeld in het eerste lid worden beschouwd alle landen, met uitzondering van de landen behorend tot de Europese Unie of de Europese Economische Ruimte, Australië, Canada, Japan, Monaco, Nieuw-Zeeland, Vaticaanstad, Verenigde Staten van Amerika, Zuid-Korea en Zwitserland.

Artikel

B5

Subsidiabele activiteiten:

  • 1.

    Projecten zijn uitsluitend gericht op een of meer van de volgende activiteiten:

    • a.

      het bevorderen van de oriëntatie op Nederland;

    • b.

      het bevorderen van de participatie op de arbeidsmarkt en toegeleiding naar de arbeidsmarkt;

    • c.

      het bevorderen van de beheersing van de Nederlandse taal;

    • d.

      het bevorderen van de maatschappelijke participatie.

  • 2.

    Activiteiten die rechtstreeks worden uitgevoerd in het kader van inburgering op grond van de Wet inburgering, de Vreemdelingenwet 2000 of de Rijkswet op het Nederlanderschap komen niet voor subsidie in aanmerking.

  • 3.

    Projecten mogen niet strijdig zijn met het nationaal integratiebeleid.

Artikel

B6

Aanvullende eisen aanvraag

In aanvulling op artikel 7 bevat de projectbeschrijving:

  • a.

    een beschrijving van de wijze waarop de doelgroep, bedoeld in artikel B4, wordt geactiveerd, en

  • b.

    een beschrijving van de partijen met wie wordt samengewerkt om het project te realiseren of met wie de aanvraag wordt ingediend. Een bewijs hiervan wordt bij de subsidieaanvraag gevoegd.

Artikel

B7

Specifieke eisen aan het project

  • 1.

    Een project komt uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien:

    • a.

      het project past binnen het doel, omschreven in artikel B4;

    • b.

      het project een duur van ten hoogste 36 maanden heeft, gerekend vanaf de datum van ontvangst van de volledige aanvraag tot maximaal een maand na de datum van de beschikking tot subsidieverlening;

    • c.

      de minimale omvang van de subsidiabele kosten in afwijking van artikel 10, onderdeel l, € 200.000 bedraagt.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, kan door de minister in de beschikking tot subsidieverlening een andere startdatum van het project worden vermeld.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid, onderdeel c, en van artikel 10, aanhef en onder l, kan de minister de aanvraag tot verlening van subsidie toewijzen indien de aanvraag betrekking heeft op een samengesteld project op grond van twee of drie van de acties, bedoeld in artikel 4, aanhef en onderdelen a, b en c, waarvan de subsidiabele kosten gezamenlijk € 400.000 of meer bedragen.

Bijlage

C

, behorende bij artikel 4, onderdeel c

Specifieke bepalingen met betrekking tot de actie, genoemd in artikel 4, onderdeel c: de bevordering van terugkeer van vreemdelingen die geen recht op verblijf in Nederland hebben dan wel van vreemdelingen die nog in afwachting zijn van een beslissing op hun verzoek tot verblijf, dan wel van vreemdelingen met een tijdelijk verblijfsrecht.

Artikel

C1

Subsidieaanvrager

De subsidie wordt aangevraagd door:

  • nationale, regionale of lokale overheidsorganisaties;

  • onderwijs- en onderzoeksinstellingen;

  • opleidingsorganisaties;

  • sociale partners;

  • internationale gouvernementele- en niet-gouvernementele organisaties;

  • niet-gouvernementele organisaties;

  • privaatrechtelijke ondernemingen;

  • publiekrechtelijke ondernemingen.

Artikel

C2

Aanvraagtijdvak

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van deze bijlage worden door de minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 12 mei 2015, 09.00 uur, tot en met 12 juni 2015, 17.00 uur.

Artikel

C3

Subsidieplafond

  • 1.

    Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel C2, € 16.400.000.

  • 2.

    Voor subsidies aan organisaties met een de jure monopoliepositie is van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, een bedrag gereserveerd van € 8.200.000.

Artikel

C4

Doel en doelgroepen

  • 1.

    Een project heeft tot doel de terugkeer van onderdanen uit derde landen naar hun land van herkomst te vergemakkelijken en te stimuleren.

  • 2.

    Indien de projecten zich richten op de activiteiten, bedoeld in artikel C5, eerste lid, onder a, b en c, dient de doelgroep primair te bestaan uit:

    • a.

      onderdanen van derde landen die nog geen definitieve negatieve beslissing hebben ontvangen met betrekking tot hun verzoek om in een lidstaat te mogen verblijven, hun verzoek om een verblijfsvergunning en/of hun verzoek om internationale bescherming te genieten, en die ervoor kunnen kiezen gebruik te maken van de mogelijkheid om vrijwillig terug te keren; of

    • b.

      onderdanen van derde landen die in een lidstaat een verblijfsrecht, verblijfsvergunning hebben en/of internationale bescherming genieten in de zin van Richtlijn 2011/95/EU, of tijdelijke bescherming genieten in de zin van Richtlijn 2001/55/EG, en die ervoor hebben gekozen gebruik te maken van de mogelijkheid om vrijwillig terug te keren; of

    • c.

      onderdanen van derde landen die zich op het grondgebied van een lidstaat bevinden en niet of niet langer voldoen aan de voorwaarden voor toegang en/of verblijf in een lidstaat, onder meer de onderdanen van derde landen voor wie de verwijdering overeenkomstig artikel 9 en artikel 14, eerste lid, van de Richtlijn 2008/115/EG, is uitgesteld.

Artikel

C5

Subsidiabele activiteiten

  • 1.

    Projecten zijn uitsluitend gericht op een of meer van de onderstaande activiteiten:

    • a.

      het bieden van directe ondersteuning aan de migrant bij terugkeer door het wegnemen van (praktische) belemmeringen;

    • b.

      het bieden van directe ondersteuning in Nederland aan de migrant bij de herintegratie in het land van herkomst;

    • c.

      het bieden van directe ondersteuning in het land van herkomst aan de migrant bij de herintegratie in het land van herkomst;

    • d.

      het versterken van de samenwerking met autoriteiten van de landen van herkomst;

    • e.

      het versterken van de samenwerking met en tussen organisaties in Nederland die betrokken zijn bij terugkeer;

    • f.

      het versterken van de samenwerking met andere Europese (lid)staten;

    • g.

      het verbeteren van de communicatie van de migrant door de inzet van tolk- en vertaaldiensten;

    • h.

      het versterken van de logistiek van het terugkeerproces door inzet van transportmiddelen;

    • i.

      het opleiden van personeel van organisaties die betrokken zijn bij de terugkeer;

    • j.

      het alternatieven voor vreemdelingenbewaring en het vaker toepassen van alternatieve toezichtsmaatregelen;

    • k.

      het bevorderen van het welbevinden van afgewezen asielzoekers.

  • 2.

    Projecten mogen niet strijdig zijn met het nationaal terugkeerbeleid en richten zich bij voorkeur op de prioriteitslanden voor terugkeer.

Artikel

C6

Aanvullende eisen aanvraag

1. Projecten worden altijd uitgevoerd in samenwerking met of na afstemming met de Dienst Terugkeer en Vertrek. Over de voortgang van de ondersteuningstrajecten wordt op zaaks niveau informatie uitgewisseld met de Dienst Terugkeer en Vertrek. Een bewijs van de afspraken met de Dienst Terugkeer en Vertrek wordt bijgevoegd bij de aanvraag.

Artikel

C7

Specifieke eisen aan het project

  • 1.

    Een project komt uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien:

    • a.

      het project past binnen het doel, omschreven in artikel C4;

    • b.

      het project een duur van ten hoogste 36 maanden heeft, gerekend vanaf de datum van ontvangst van de volledige aanvraag tot maximaal een maand na de datum van de beschikking tot subsidieverlening.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, kan door de minister in de beschikking tot subsidieverlening een andere startdatum van het project worden vermeld.

  • 3.

    In afwijking van artikel 10, aanhef en onder l, kan de minister de aanvraag tot verlening van subsidie toewijzen indien de aanvraag betrekking heeft op een samengesteld project op grond van twee of meer van de acties, bedoeld in artikel 4, aanhef en onder a, b en c, waarvan de subsidiabele kosten gezamenlijk € 400.000 of meer bedragen.

  • 4.

    Voor projecten of samengestelde projecten die zich richten op de activiteiten, bedoeld in artikel C5, eerste lid, onder a, b en c, zijn de volgende maximale bedragen die rechtstreeks ten goede komen aan de terugkeerder, subsidiabel:

    • a.

      bij ondersteuning in natura € 1.500 per volwassene en € 2.500 per minderjarig kind;

    • b.

      bij financiële ondersteuning € 1.750 per volwassene en alleenstaande minderjarige vreemdeling en € 880 per minderjarig kind.

Artikel

C8

Hoogte van de subsidie

  • 1.

    Voor projecten of samengestelde projecten die zich richten op de activiteiten, bedoeld in artikel C5, eerste lid, onder a, b en c, kan maximaal 50% financiering worden aangevraagd. Indien projecten zich richten op een van deze activiteiten geldt dit percentage voor de gehele aanvraag.

  • 2.

    Indien de subsidieaanvrager bij zijn subsidieaanvraag voor een project of projecten als bedoeld in het eerste lid, een schriftelijke toezegging heeft gedaan dan wel uit de einddeclaratie blijkt dat hij meer dan 50% van de subsidiabele kosten voor eigen rekening neemt, dan wel meer dan 50% van de subsidiabele kosten uit een andere financieringsbron wordt bekostigd, wordt het bedrag van de subsidie verlaagd met het meerdere.

Bijlage

D

, behorende bij artikel 4, onderdeel d

Specifieke bepalingen met betrekking tot subsidieaanvragen voor actie D als bedoeld in artikel 4, onderdeel d: financieel rechercheren.

Artikel

D1

Subsidieaanvrager

De subsidie wordt aangevraagd door het directoraat-generaal Rechtshandhaving en Rechtspleging of het directoraat-generaal Politie van het Ministerie van Veiligheid en Justitie.

Artikel

D2

Aanvraagtijdvak

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van deze bijlage worden door de minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 12 mei 2015, 09.00 uur, tot en met 29 december 2017, 17.00 uur.

Artikel

D3

Subsidieplafond

Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel D2, bedraagt € 9.921.161,50.

Artikel

D4

Subsidiabele activiteiten

Projecten zijn uitsluitend gericht op activiteiten die zien op:

  • a.

    het ontwikkelen, implementeren en operationaliseren van een verwijzingsportaal bankrekeningen, met als doel:

    • 1°.

      een tijdige, volledige en effectieve opsporing van identificerende bankgegevens van een verdachte;

    • 2°.

      de levering van historische gegevens door commerciële banken in een direct bruikbare digitale vorm voor de opsporing;

    • 3°.

      de ontwikkeling, implementatie en operationalisering van een analyse-instrument voor een snellere, slimmere en meer efficiënte verwerking en analyse van financiële opsporingsgegevens, door middel van een ICT-voorziening.

  • b.

    de ondersteuning van het EU-voorzitterschap van Nederland in 2016, of

  • c.

    de ontwikkeling van financieel rechercheren of op de operationele toepassing ervan.

Artikel

D5

Specifieke eisen aan het project

  • 1.

    Een project komt uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien:

    • a.

      de duur van het project maximaal 60 maanden is;

    • b.

      de minimale omvang van de subsidiabele kosten € 400.000 bedraagt, met uitzondering van een project dat is gericht op de activiteiten, bedoeld in artikel D4, onderdeel b en c.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, kan door de minister in de beschikking tot subsidieverlening de duur van het project worden verlengd.

  • 3.

    In plaats van de datum van ontvangst van de volledige aanvraag kan door de minister in de beschikking tot subsidieverlening een andere startdatum van het project worden vermeld.

Artikel

D6

Hoogte van de subsidie

  • 1.

    In afwijking van artikel 11, eerste lid, bedraagt de subsidie maximaal 90% van de subsidiabele kosten, doch ten hoogste het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde maximumbedrag.

  • 2.

    Indien de subsidieaanvrager bij zijn subsidieaanvraag een schriftelijke toezegging heeft gedaan dan wel uit de einddeclaratie blijkt dat hij meer dan 10% van de subsidiabele kosten voor eigen rekening neemt, dan wel meer dan 10% van de subsidiabele kosten uit een andere financieringsbron wordt bekostigd, wordt het bedrag van de subsidie verlaagd met het meerdere.

Bijlage

E

, behorende bij artikel 4, onderdeel e

Specifieke bepalingen met betrekking tot subsidieaanvragen in het kader van actie E, als bedoeld in artikel 4, onderdeel e: het Europees opleidingsprogramma voor Rechtshandhaving.

Artikel

E1

Subsidieaanvrager

De subsidie wordt aangevraagd door het Landelijk selectie- en opleidingsinstituut politie, als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs.

Artikel

E2

Aanvraagtijdvak

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van deze bijlage worden door de minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 12 mei 2015, 09.00 uur, tot en met 29 december 2017, 17.00 uur.

Artikel

E3

Subsidieplafond

Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel E2 bedraagt € 1.984.161,50.

Artikel

E4

Doelgroepen

Een project is gericht op de volgende doelgroepen:

  • a.

    rechtshandhavers, waaronder politieambtenaren, douanemedewerkers en leden van de Koninklijke marechaussee in het kader van niveau 1 van het Europees opleidingsprogramma voor Rechtshandhaving;

  • b.

    rechtshandhavers betrokken bij bilaterale en regionale samenwerking in het kader van niveau 2 van het Europees opleidingsprogramma voor Rechtshandhaving.

Artikel

E5

Subsidiabele activiteiten

Een project is uitsluitend gericht op het implementeren van niveau 1 of 2 van het Europees opleidingsprogramma voor Rechtshandhaving, waaronder het ontwikkelen van een e-learning module ter implementatie van niveau 1 van het Europees opleidingsprogramma voor Rechtshandhaving

Artikel

E6

specifieke eisen aan het project

  • 1.

    Een project komt uitsluitend voor subsidie in aanmerking, indien de duur van het project maximaal 60 maanden is.

  • 2.

    In plaats van de datum van ontvangst van de volledige aanvraag kan door de minister in de beschikking tot subsidieverlening een andere startdatum van het project worden vermeld.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid kan door de minister in de beschikking tot subsidieverlening de duur van het project worden verlengd.

Bijlage

F

, behorende bij artikel 4, onderdeel f

Specifieke bepalingen met betrekking tot aanvragen in het kader van actie F, als bedoeld in artikel 4, onderdeel f: verbeteren van slachtofferzorg.

Artikel

F1

Subsidieaanvrager

De subsidie wordt aangevraagd door de politie, als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Politiewet 2012.

Artikel

F2

Aanvraagtijdvak

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van deze bijlage worden door de minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 12 mei 2015, 09.00 uur tot en met 29 december 2017, 17.00 uur.

Artikel

F3

subsidieplafond

Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel F2, bedraagt € 7.937.000.

Artikel

F4

Subsidiabele activiteiten

Voor subsidie komen uitsluitend activiteiten die de Richtlijn tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten (richtlijn 2012/29/EU) bij de politie implementeren in aanmerking, waaronder:

  • a.

    het ontwikkelen van een ICT-voorziening;

  • b.

    het ontwikkelen van een trainingsmodule;

  • c.

    het opleiden van medewerkers;

  • d.

    het ontwikkelen en vertalen van informatie voor slachtoffers.

Artikel

F5

Specifieke eisen aan het project

  • 1.

    Een project komt uitsluitend voor subsidie in aanmerking, indien de duur van het project maximaal 60 maanden is.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan door de minister in de beschikking tot subsidieverlening de duur van het project worden verlengd.3. In plaats van de datum van ontvangst van de volledige aanvraag kan door de minister in de beschikking tot subsidieverlening een andere startdatum van het project worden vermeld.

Artikel

F6

Verantwoording

Na verlening van de subsidie wordt het verleende subsidiebedrag in de begroting van de politie opgenomen en worden de uitgaven verantwoord in de jaarrekening.

Bijlage

G

, behorend bij artikel 4, onderdeel g

Specifieke bepalingen met betrekking tot de actie, genoemd in artikel 4, onderdeel g: risico- en crisisbeheersing.

Artikel

G1

Subsidieaanvrager

De subsidie wordt aangevraagd door de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid.

Artikel

G2

Aanvraagtijdvak

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van deze bijlage worden door de minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 12 mei 2015, 09.00 uur, tot en met 31 december 2018, 17.00 uur.

Artikel

G3

Subsidieplafond

Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel G2, € 9.921.161,50.

Artikel

G4

Subsidiabele activiteiten

Projecten zijn uitsluitend gericht op een of meer van de volgende activiteiten:

  • a.

    het bevorderen en ontwikkelen van opleidingen en trainingen en het bevorderen van het delen van informatie ter versterking van risico- en crisisbeheersing;

  • b.

    het verhogen en het versterken van de capaciteit voor de bescherming van vitale infrastructuur, zowel fysieke bescherming als cyber security;

  • c.

    het door ontwikkelen van vroegtijdige waarschuwings- en responsmaatregelen;

  • d.

    het door ontwikkelen van risico- en dreigingsbeoordelingen.

Artikel

G5

Specifieke eisen aan het project

  • 1.

    De duur van het project is maximaal 60 maanden, met dien verstande dat het project uiterlijk op 31 december 2020 is afgerond;

  • 2.

    In plaats van de datum van ontvangst van de volledige aanvraag kan door de minister in de beschikking tot subsidieverlening een andere startdatum van het project worden vermeld.

  • 3.

    In afwijking van artikel 12, eerste lid, onderdeel c, komen reiskosten en verblijfkosten buitenland niet voor subsidie in aanmerking.

Artikel

G6

Hoogte van de subsidie

  • 1.

    In afwijking van artikel 11, eerste lid, bedraagt de subsidie maximaal 90% van de subsidiabele kosten doch ten hoogste het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde maximumbedrag.

  • 2.

    Indien de subsidieaanvrager bij zijn subsidieaanvraag een schriftelijke toezegging heeft gedaan dan wel uit de einddeclaratie blijkt dat hij meer dan 10% van de subsidiabele kosten voor eigen rekening neemt, dan wel meer dan 10% van de subsidiabele kosten uit een andere financieringsbron wordt bekostigd, wordt het bedrag van de subsidie verlaagd met het meerdere.

Bijlage

H

, behorende bij artikel 4, onderdeel h

Specifieke bepalingen met betrekking tot de actie, genoemd in artikel 4, onderdeel h: management van de externe EU-grenzen, zowel op visa als op grenzen.

Artikel

H1

Subsidieaanvrager

De subsidie wordt aangevraagd door het Ministerie van Buitenlandse Zaken, de Immigratie- en Naturalisatiedienst, de Koninklijke Marechaussee (Defensie) of de Kustwacht.

Artikel

H2

Aanvraagtijdvak

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van deze bijlage worden door de minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 12 mei 2015, 09.00 uur, tot en met 12 juni 2015, 17.00 uur.

Artikel

H3

Subsidieplafond

Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor het aanvraagtijdvak genoemd in artikel H2 € 28.579.066.

Artikel

H4

Doelgroep

Een project is gericht op personen die de buitengrenzen van de Europese Unie overschrijden.

Artikel

H5

Subsidiabele activiteiten

Voor subsidie komen uitsluitend activiteiten die het management van de buitengrenzen van de Europese Unie ondersteunen in aanmerking, en zien op:

  • a.

    de ontwikkeling van behandelprofielen voor visa;

  • b.

    de doorontwikkeling van Eurosur;

  • c.

    de aanschaf of modernisering van radar en cameraposten bij havens;

  • d.

    de aanschaf of modernisering van vaartuigen inclusief uitrusting en toebehoren;

  • e.

    de aanschaf of modernisering van maritieme patrouille vliegtuigen;

  • f.

    het inzetten van een immigration liaison officer of het netwerk van immigration liaison officers;

  • g.

    het opleiden van personeel.

Artikel

H6

Specifieke eisen aan het project

  • 1.

    De duur van het project is maximaal 60 maanden.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan door de minister in de beschikking tot subsidieverlening de duur van het project worden verlengd.

  • 3.

    In plaats van de datum van ontvangst van de volledige aanvraag kan door de minister in de beschikking tot subsidieverlening een andere startdatum van het project worden vermeld.

Artikel

H7

Aanvullende eisen aanvraag

De projectbeschrijving bevat een beschrijving van de partijen met wie wordt samengewerkt om het project te realiseren.

Bijlage

I

, behorende bij artikel 8, eerste lid

1. Relevantie

(maximaal 10 punten)

a. Is duidelijk aangegeven wat de uitdaging/het probleem is waar het projectvoorstel zich op richt (context van uitdaging/probleem, omvang van uitdaging/probleem in kwalitatieve en/of kwantitatieve termen)?

3

b. Dragen de verwachte resultaten bij aan de oplossing?

3

c. Richt het project zich op 1 of meer dan 1 subsidiabele activiteit(en)?

4

2. Kwaliteit van het projectvoorstel

(maximaal 20 punten)

a. Is het projectplan op alle onderdelen duidelijk en concreet?

3

b. Zijn de voorziene activiteiten en de te behalen resultaten kwantificeerbaar en meetbaar?

3

c. Is er sprake van een realistische tijdsplanning met duidelijke en concrete mijlpalen en eventueel tussenproducten?

3

d. Voorziet het projectvoorstel in duidelijke procedures voor bijsturing en risicobeheersing?

2

e. Wordt er adequaat gebruik gemaakt van de kennis, capaciteiten en ervaringen van de doelgroep van het projectvoorstel (wordt de doelgroep zelf bijv. als ervaringsdeskundige bij het project betrokken)?

3

f. Is er sprake van de ontwikkeling van een nieuwe, creatieve of onconventionele aanpak?

3

g. Worden de projectresultaten lokaal, nationaal en in Europees of ander internationaal verband gedeeld met het brede publiek aan de hand van een gedegen communicatie- en publiciteitsstrategie?

3

3. Kosteneffectiviteit

(maximaal 15 punten)

a. Zijn de begrote kosten duidelijk omschreven en onderbouwd?

3

b. Lijken de begrote kosten noodzakelijk voor het project?

4

c. Lijkt de prijs/prestatieverhouding redelijk?

4

d. Wat zijn de gemiddelde kosten per deelnemer? Uitgangspunt is dat hoe lager de kosten voor eenzelfde bereik, hoe meer punten een project scoort. De middelen moeten immers zo efficiënt mogelijk worden besteed. Hierbij is uiteraard van belang dat een realistisch voorstel wordt gedaan.

4

4. Is de aanvragende organisatie in staat het projectvoorstel uit te voeren?

(maximaal 15 punten)

a. Heeft de aanvragende organisatie voldoende capaciteit, ervaring, expertise en financiële armslag om het project uit te voeren?

4

b. Heeft de aanvragende organisatie voldoende duidelijk aangegeven dat zij in staat is te voldoen aan de vereisten die aan de projectadministratie worden gesteld?

2

c. Is aannemelijk op grond van diens eerdere subsidieverleningen voor vergelijkbare activiteiten dat de subsidieaanvrager de activiteiten goed zal uitvoeren en aan de aan subsidieverlening verbonden verplichtingen zal voldoen?

4

d. Heeft de aanvragende organisatie ervaring met EU subsidieregels?

2

e. Heeft de aanvragende organisatie kennis van het beleidsterrein migratie en/of integratie?

3

5. Monitoring en evaluatie

(maximaal 10 punten)

a. Is duidelijk aangegeven op welke wijze en door wie de uitvoering van het projectvoorstel wordt gemonitord?

5

b. Is er in het projectvoorstel duidelijk aangegeven welke criteria worden gebruikt om aan te tonen dat er sprake is van succes of falen?

5

6. Structurele inbedding

(maximaal 10 punten)

a. Is duidelijk aangegeven op welke wijze positieve resultaten duurzaam worden verankerd na afloop van de subsidieperiode?

5

b. Is beargumenteerd in welke mate er kans is op een structurele inbedding na afloop van de projectperiode? Belangrijke indicatoren zijn daarbij de wijze waarop de aanvrager de structurele inbedding financieel en organisatorisch wil vormgeven en de beschikbaarheid van monitordata na afloop van het project.

5

7. Mogelijkheden van verspreiding

(maximaal 10 punten)

a. Kan de aanpak van het project bij succes op grotere schaal worden toegepast en is dat duidelijk beschreven?

4

b. Is er sprake van actieve kennisdeling gedurende de looptijd (bijv. door aansluiting op bestaande netwerken)?

2

c. Wordt er in het projectvoorstel overtuigend beargumenteerd dat met de aanpak structuurverandering en/of blijvende samenwerking wordt beoogd?

4

8. Asiel en opvang

(maximaal 10 punten)

a. In welke mate bestaat de doelgroep van een opvangproject uit kwetsbare groepen (kwetsbare groepen in de opvang zijn alleenstaande minderjarige vreemdelingen, vreemdelingen met medische problematiek, alleenstaande vrouwen en kinderen)?

6

b. In welke mate wordt in het project gezorgd voor draagvlak bij omwonenden voor asielopvang (communicatie richting omwonenden, betrekken omwonenden bij het project)?

2

c. In welke mate wordt in het project gezorgd voor draagvlak bij de bredere gemeenschap, zoals andere gemeenten, Provincie, Nederlandse bevolking voor asielopvang (bijvoorbeeld in de vorm van brede communicatie)?

2

9. Integratie

(maximaal 10 punten)

a. In hoeverre wordt met het projectvoorstel de doelgroep, bedoeld in artikel B4 geactiveerd, zodat de participatie van onderdanen van een niet-westers derde land in de Nederlandse samenleving wordt bevorderd?

5

b. Is in het projectvoorstel voorzien in samenwerking met relevante partijen? Is duidelijk beargumenteerd welke partijen participeren en waarom? Is er sprake van een voor deze problematiek en context unieke combinatie van samenwerkende partijen? Zijn er getekende samenwerkingsverklaringen overgelegd waarmee het commitment is vastgelegd?

5

10. Terugkeer

Maximtaal 10 punten)

a. In welke mate richt het projectvoorstel zich op de prioriteitslanden voor terugkeer? De prioriteitslanden voor terugkeer staan vermeld in de bijlage die hoort bij het subsidiebesluit Migratie en Ontwikkeling. Dit subsidiekader is te vinden op de website van de Dienst Terugkeer en Vertrek (http://www.dienstterugkeerenvertrek.nl/projectsubsidies/Vrijwillige_Terugkeer).

5

b. Wat is de hoogte van het beoogde aantal terugkeerders? Een project met een hoger (realistisch) terugkeerresultaat heeft daarbij de voorkeur.

5

Bijlage

J

behorende bij artikel 16, tweede lid

Procedure betreffende gebruik geconverteerde documenten of gegevensdragers en digitale bewijsstukken

In het kader van de verantwoording op de einddeclaratie onderbouwt de subsidieontvanger de kosten met originele bewijsstukken. Artikel 31 van de Horizontale verordening maakt het mogelijk kopieën of volledig digitale documenten te accepteren als bewijsstuk. Hiertoe moet door de lidstaat een procedure voor de vaststelling van de authenticiteit worden opgesteld. In deze bijlage worden de door Nederland vastgestelde procedures weergegeven.

De volgende documenten worden als bewijsstukken geaccepteerd:

  • a.

    fotokopieën van originelen;

  • b.

    microfiches van originelen;

  • c.

    elektronische versies van originelen;

  • d.

    documenten die uitsluitend in elektronische versie bestaan, mits de gebruikte computersystemen voldoen aan aanvaarde beveiligingsnormen die waarborgen dat de bewaarde documenten voldoen aan de eraan te stellen wettelijke eisen en dat bij controles op deze documenten kan worden gesteund.

Hieronder staan de procedures om deze stukken te kunnen gebruiken als geaccepteerde bewijsstukken in het kader van de AMIF- en ISF-administratie.

Procedure voor het gebruik van de documenten, genoemd in de onderdelen a, b en c.

De hierboven genoemde bewijsstukken a, b en c zijn geconverteerde documenten of gegevensdragers. Bij conversie van het origineel naar het geconverteerde document of gegevensdrager wordt aan de hieronder vermelde voorwaarden voldaan:

  • Alle gegevens worden overgezet;

  • Alle gegevens worden inhoudelijk juist overgezet;

  • Er wordt voor gezorgd dat de nieuwe gegevensdrager tijdens de gehele bewaartermijn beschikbaar is;

  • De geconverteerde gegevens kunnen binnen redelijke tijd ge(re)produceerd worden en leesbaar worden gemaakt;

  • Er wordt zorg voor gedragen dat de controle van de geconverteerde gegevens binnen redelijke tijd kan worden uitgevoerd;

  • De subsidieaanvrager borgt tevens de authenticiteit van de geconverteerde bewijsstukken door onder andere een relatie te leggen met de overige bewijsstukken in het betreffende projectdossier. Bij een factuur bijvoorbeeld behoort ook een betaalbewijs, een bewijs van deelname of een bewijsstuk met betrekking tot de inkoopprocedure.

Het in samenhang bezien van de verschillende bewijsstukken strekt er mede toe de authenticiteit van het geconverteerde document of de gegevensdrager te waarborgen en dat hierop voor controledoeleinden kan worden vertrouwd.

Als de conversie op de juiste wijze gebeurt, is het in het kader van de AMIF/ISF-verantwoording, niet meer noodzakelijk de bewijsstukken op de originele gegevensdrager te bewaren. Het geconverteerde bewijsstuk mag na conversie niet meer gewijzigd kunnen worden.

De subsidieaanvrager verklaart door middel van het aanvraag-, tussendeclaratie- en einddeclaratieformulier dat de geconverteerde documenten of de nieuwe gegevensdragers die onderdeel zijn van de AMIF/ISF-administratie, voldoen aan de vereisten uit artikel 16 van de Subsidieregeling AMIF en ISF 2014–2020 en daarmee aan deze bijlage.

Procedure voor het bewaren van stukken die uitsluitend in elektronische versie bestaan (onderdeel d)

Indien een subsidieontvanger gebruik maakt van elektronische documenten waarbij uitsluitend een elektronische versie bestaat, worden de geautomatiseerde systemen voorzien van beheers- en beveiligingsmaatregelen die de betrouwbaarheid, authenticiteit en integriteit van de elektronische gegevens gedurende de gehele vereiste bewaartermijn waarborgen. Het is aan de subsidieontvanger om dit aan te tonen. Voor een tweetal veel voorkomende situaties zijn de voorschriften hieronder uitgewerkt.

  • 1.

    Digitale urenadministratie:

    Om aan de eisen van betrouwbaarheid, authenticiteit en integriteit van de elektronische gegevens te kunnen voldoen moet de subsidieontvanger kunnen aantonen dat:

    • a.

      De functiescheiding binnen het systeem wordt gewaarborgd;

    • b.

      De tijdigheid binnen het systeem wordt gewaarborgd;

    • c.

      Vaststellingen na accorderen door de leidinggevende niet meer te wijzigen zijn.

    Het is aan de subsidieaanvrager om dit aan te tonen.

  • 2.

    Facturen die digitaal worden verzonden:

    Om aan de eisen van betrouwbaarheid, authenticiteit en integriteit van de elektronische gegevens te kunnen voldoen kan de subsidieaanvrager via de onderlinge relatie met andere documenten (zoals een betaalbewijs) aantonen dat voor de controle kan worden gesteund op de digitale factuur.

De in deze bijlage omschreven procedures gelden voor alle bewijsstukken die getoond moeten worden in het kader van de AMIF/ISF-verantwoording. Artikel 16 is onverminderd van toepassing.