Artikel
1
Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
-
baangarantie: een arbeidsovereenkomst of een aanstelling in openbare dienst van ten minste zes maanden ingaande op uiterlijk de eerste werkdag van de kalendermaand na de kalendermaand waarin de scholing is afgerond, met een minimale omvang per kalenderweek van het gemiddelde aantal gewerkte uren, indien werkzaamheden bij de werkgever hebben plaatsgevonden, en het aantal uren gevolgde scholing in de scholingsperiode voorafgaand aan het afronden van die scholing;
-
ervaringscertificaat: een overzicht van de door de persoon in de praktijk geleerde en erkende competenties zoals zijn kennis, vaardigheden en kwaliteiten;
-
EVC-procedure: de procedure Erkenning van Verworven Competenties zijnde een geheel van processtappen en gehanteerde instrumenten waarmee de verworven competenties van deelnemers door een erkende aanbieder worden beoordeeld, ten opzichte van een specifieke landelijke standaard, resulterend in afgifte van een ervaringscertificaat;
-
IOW-uitkering: een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen;
-
kansberoep: een beroep dat is opgenomen in de bijlage bij deze regeling;
-
minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
-
scholing: het volgen van een interne of externe opleiding of training, niet zijnde een bedrijfsspecifieke training, met als oogmerk de leerling vakspecifieke beroepsvaardigheden aan te leren, die leidt tot een door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen of een door een branche of sector erkend diploma of certificaat;
-
sector zorg: de sector die zorgt voor verpleging en verzorging, geestelijke gezondheidszorg, gehandicaptenzorg en thuiszorg;
-
UWV: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
-
WW-uitkering: een uitkering op grond van de Werkloosheidswet;
-
zelfstandige: de persoon die:
-
a.
in Nederland woont en die belastbare winst uit onderneming geniet als bedoeld in paragraaf 3.2.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001, tenzij hij de onderneming niet voor eigen rekening feitelijk drijft;
-
b.
niet in Nederland woont en die belastbare winst uit Nederlandse onderneming geniet als bedoeld in afdeling 7.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, tenzij hij de onderneming niet voor eigen rekening feitelijk drijft; of
-
c.
directeur-grootaandeelhouder is en het werk tot stand brengt uitsluitend voor rekening en risico van de onderneming van de rechtspersoon waarvan hij directeur-grootaandeelhouder is.
-
a.