Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 27 juni 2018, kenmerk 1358163-177565-BPZ, houdende regels voor de bezoldiging en beheerskosten van bestuursorganen volksgezondheid (Regeling bezoldiging en beheerskosten zelfstandige bestuursorganen VWS 2018)
Regeling bezoldiging en beheerskosten zelfstandige bestuursorganen VWS 2018
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
Dit hoofdstuk is, voor zover niet anders is bepaald en voor zover niet bij beschikking is afgeweken, van toepassing op de bestuursleden van:
a.
het College sanering;
b.
het Zorginstituut;
c.
de zorgautoriteit;
d.
het CAK;
e.
het CIZ.
Artikel
3
Bezoldiging, vakantie- en eindejaarsuitkering, pensioen
1
De bezoldiging van de voorzitter bedraagt maximaal de bezoldiging van een lid van de topmanagementgroep van een departement van algemeen bestuur als bedoeld in bijlage A van het BBRA 1984 met dien verstande dat deze bezoldiging geldt voor een veertigurige werkweek.
2
De bezoldiging van een lid bedraagt maximaal schaal 18 van het BBRA 1984, met dien verstande dat deze bezoldiging geldt voor een veertigurige werkweek.
3
De bestuursleden hebben recht op een vakantie-uitkering overeenkomstig de artikelen 21 en 22 van het BBRA 1984. De opbouw van vakantie-uren, de opname en het overboeken daarvan naar een volgend jaar vinden plaats overeenkomstig de artikelen 22 en 23 van het ARAR.
De bezoldiging wordt uitbetaald in gelijke maandelijkse termijnen. De vakantie- en eindejaarsuitkering worden uitbetaald in de maanden mei respectievelijk december van ieder jaar.
6
De bestuursleden worden aangemeld als volwaardig deelnemer bij het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds.
Artikel
4
Reis- en verblijfkosten
1
De bestuursleden hebben ten behoeve van de werkzaamheden voor het bestuursorgaan recht op een vergoeding van reis- en verblijfkosten overeenkomstig het Reisbesluit binnenland en het Reisbesluit buitenland.
De voorzitter kan voor het vervoer tussen zijn standplaats en zijn woonplaats en voor het vervoer ten behoeve van dienstreizen aanspraak maken op dienstvervoer per auto.
4
Een lid kan voor het vervoer tussen de standplaats en de woonplaats en voor het vervoer ten behoeve van dienstreizen aanspraak maken op een jaarkaart openbaar vervoer eerste klasse.
Artikel
5
Verloffaciliteiten
De bestuursleden hebben aanspraak op de verloffaciliteiten die gelden voor de sector Rijk. De verlofbepalingen van het ARAR zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel
6
Arbeidsongeschiktheid
In geval van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling zijn de bepalingen ten aanzien van doorbetaling van de bezoldiging van het ARAR van overeenkomstige toepassing.
Artikel
7
Bovenwettelijke uitkering bij werkloosheid
1
In geval van tussentijds ontslag, anders dan op eigen verzoek en anders dan ten gevolge van eigen schuld of toedoen, hebben de bestuursleden, in aanvulling op de reguliere aanspraak op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet, aanspraak op een bovenwettelijke uitkering.
De bestuursleden onthouden zich van het openbaren van gedachten of gevoelens, indien daardoor de goede vervulling van hun functie of het goede functioneren van de openbare dienst, voorzover deze in verband staat met hun functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd.
2
Het is de bestuursleden in hun ambt verboden vergoedingen, beloningen, giften of beloften van derden te vorderen, te verzoeken of aan te nemen.
Speciale bepaling met betrekking tot de Adviescommissie Pakket en de Adviescommissie Kwaliteit
1
De voorzitter van de commissie, bedoeld in artikel 59a, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet, die niet tevens lid is van het Zorginstituut Nederland, en de voorzitter van de commissie, genoemd in artikel 59b, eerste lid, van die wet ontvangen een vaste vergoeding per maand, afgeleid van het maximum van schaal 18 van het BBRA 1984, vermenigvuldigd met een arbeidsduurfactor van 20,77 procent.
2
De andere leden van de commissie, bedoeld in artikel 59a, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet, die niet tevens lid zijn van het Zorginstituut Nederland, en de andere leden van de commissie, genoemd in artikel 59b, eerste lid, van die wet, ontvangen een vaste vergoeding per maand, afgeleid van het maximum van schaal 17 van het BBRA 1984, vermenigvuldigd met een arbeidsduurfactor van 6,92 procent.
Hoofdstuk
3
Beheerskosten en jaarstukken
Artikel
11
Reikwijdte hoofdstuk 3
1
Dit hoofdstuk is, voor zover niet anders is bepaald, van toepassing op:
a.
het College sanering;
b.
het Zorginstituut;
c.
de zorgautoriteit;
d.
het CAK.
2
Dit hoofdstuk is, met inachtneming van de tussen de Minister en het CIZ gemaakte afspraken over de concretisering van de juridische status van het CIZ tot 2020, waar mogelijk van overeenkomstige toepassing op het CIZ.
Artikel
12
Budget
1
Het budget wordt vastgesteld op grond van de ingediende begroting, waarbij de begroting is gebaseerd op het prijspeil van het lopende jaar en het door de Minister aan het bestuursorgaan bekend gemaakte financiële kader.
2
In de loop van het begrotingsjaar kan besloten worden tot verhoging of verlaging van het budget op grond van gestegen of gedaalde kosten.
3
Indien de begroting hoger is dan het bekend gemaakte financiële kader, doet het bestuursorgaan een voorstel aan de Minister hoe dit verschil gedekt kan worden.
Artikel
13
Bevoorschotting budget
De Minister houdt bij de bevoorschotting van het budget een zodanige frequentie en hoogte aan dat deze in voldoende mate aansluit op de in het vijfde lid van artikel 15 bedoelde liquiditeitsbehoefte van het bestuursorgaan.
Artikel
14
Inrichting werkprogramma
Het werkprogramma en het meerjarenplan bevatten een duidelijke beschrijving van de voorgenomen organisatorische, bedrijfsmatige en inhoudelijke doelen. Alsmede bevat het werkprogramma een meerjarenbegroting. De doelen worden zoveel mogelijk meetbaar geformuleerd. In het werkprogramma wordt een duidelijke koppeling gemaakt tussen deze doelen en de benodigde (financiële) middelen. In het werkprogramma is ook een risicoparagraaf opgenomen. Het werkprogramma gaat in op de aandachtspunten zoals die door de Minister worden aangegeven.
Artikel
15
Inrichting begroting
1
In de begroting en de meerjarenraming die onderdeel uitmaken van het werkprogramma worden de volgende kostensoorten en baten onderscheiden:
a.
personele kosten;
b.
huisvestingskosten;
c.
automatiseringskosten;
d.
bureaukosten;
e.
overige kosten;
f.
baten.
Indien van toepassing en door de eigenaar verzocht, worden ook de verwachte kosten van programma’s en projecten opgenomen en toegelicht.
2
De in het eerste lid genoemde groepen van kostensoorten en baten worden in de begroting zodanig uitgesplitst dat een goed beeld ontstaat van de samenstelling daarvan.
3
In de begroting wordt het vermoedelijk beloop in het lopende jaar opgenomen.
4
De meerjarenraming geeft inzicht in de verwachte financiële gevolgen voor de komende vijf jaar van hetgeen ten grondslag ligt aan de bedragen die zijn opgenomen in de begroting. Deze worden voorzien van een korte toelichting.
5
De begroting bevat een raming van de maandelijkse liquiditeitsbehoefte voor het desbetreffende begrotingsjaar.
Artikel
16
Inrichting toelichting bij de begroting
De begroting gaat vergezeld van een toelichting waarin:
a.
wordt ingegaan op de voorgenomen doelen en bijbehorende werkzaamheden die leiden tot een wijziging van de hoogte van de beheerskosten ten opzichte van het voorafgaande jaar;
b.
per begrotingspost, voor zover mogelijk, een cijfermatige specificatie en onderbouwing wordt gegeven, waarbij kosten van afschrijvingen, rentelasten en dotaties aan voorzieningen worden toegelicht;
c.
de gevolgen voor de beheerskosten worden aangegeven ten aanzien van de doelen en werkzaamheden die vervallen ten opzichte van het voorafgaande jaar;
d.
nieuwe dan wel gewijzigde werkzaamheden worden toegelicht op de inzet van financiële middelen en personele inzet;
e.
de investeringsplannen voor het begrotingsjaar en de vier daaropvolgende jaren worden vermeld, waarbij per investering het afschrijvingsbedrag, de afschrijvingsmethode en de afschrijvingstermijn worden aangegeven;
f.
de gronden worden vermeld waarop de meerjarenraming is gebaseerd, waaronder een meerjarig overzicht van de geraamde ontwikkeling van de personeelsformatie, welke zoveel mogelijk is uitgesplitst naar de doelen, bedoeld in artikel 14;
g.
substantiële schommelingen in de meerjarenraming worden toegelicht.
Artikel
17
Inrichting jaarverslag en jaarrekening
1
De inrichting van het jaarverslag sluit aan bij de inrichting van het werkprogramma. In het jaarverslag wordt zodoende aangegeven in hoeverre doelen gerealiseerd zijn en risico’s beheerst.
2
Het jaarverslag bevat een bedrijfsvoeringsparagraaf, waarin wordt gerapporteerd over de rechtmatigheid alsook de uitkomsten van de begrotingsuitvoering.
3
De jaarrekening bestaat uit de balans en de exploitatierekening, alsmede uit de toelichting op beide.
4
De inrichting van de exploitatierekening sluit aan bij de inrichting van de begroting.
5
Indien in de jaarrekening een begrote groep van kostensoorten of baten is over- of onderschreden, wordt dit per groep van kostensoorten of baten nader toegelicht.
6
Onverminderd het bepaalde in artikel 14 van de Kaderwet wordt in de toelichting op de jaarrekening de bezoldiging van iedere individuele bestuurder opgenomen.
Het totaal van de egalisatiereserve en de verplichte reserve bedraagt aan het einde van het begrotingsjaar niet minder dan nul.
3
Het onverdeeld resultaat wordt, na vaststelling van de jaarrekening, in zijn geheel toegevoegd aan de egalisatiereserve. Indien en voor zover dit leidt tot overschrijding van het in het eerste lid gestelde maximum dan wordt het meerdere teruggevorderd.
4
Dotatie en onttrekking aan en vrijval van reserves en voorzieningen worden afzonderlijk vermeld en toegelicht in de jaarrekening.
5
Artikel 33 van de Kaderwet is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de egalisatiereserve van het College sanering.
De accountantscontrole bij het CAK geschiedt, in aanvulling op het achtste lid van artikel 17, met inachtneming van een specifiek voor het CAK door de Minister en de zorgautoriteit vastgesteld Protocol Accountantsonderzoek Bestuurlijke Verantwoording CAK.
De Regeling bezoldiging en beheerskosten zelfstandige bestuursorganen VWS, zoals die luidde onmiddellijk voor het tijdstip van intrekking, blijft van toepassing op de in die regeling bedoelde jaarverantwoording over het jaar 2018 en de begroting, het werkprogramma en de jaarverantwoording over het jaar 2019.
Artikel
21
Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling bezoldiging en beheerskosten zelfstandige bestuursorganen VWS 2018.
Artikel
22
Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking op 1 september 2018.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,H.M. deJonge