Besluit van 6 februari 2019, houdende regels in verband met de vereenvoudiging van de beslagvrije voet (Besluit beslagvrije voet)

Besluit beslagvrije voet

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 oktober 2018, nr. 2018001874;
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 15 november 2018, nr. W12.18.0326/III);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 5 februari 2019, nr. 2019-0000017812,

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel

1

Begripsbepalingen

Artikel

2

Belastbaar inkomen

Artikel

3

Reële afspiegeling belastbaar inkomen

Artikel

4

Eigen woning

Artikel

5

Bedrag vermindering beslagvrije voet

Artikel

6

Woonlandfactor

Artikel

7

Model beslagvrije voet

Artikel

8

Ondersteuning bij de vaststelling van de beslagvrije voet

Artikel

9

Ondersteuning door de beroepsorganisatie van gerechtsdeurwaarders

Artikel

10

Wijziging Besluit SUWI

Wijzigt het Besluit Suwi.

Artikel

11

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel

12

Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit beslagvrije voet.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting en de bijlage in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage
Willem-Alexander
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, T. van Ark
De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

Bijlage

bij artikel 2, eerste lid, van het Besluit beslagvrije voet

Vaststellen van de indicatieperiode:

Stap 1

Heeft de schuldenaar in de laatste vier maanden meerdere inkomstenverhoudingen gehad?

Ja

Stel het totaal inkomen per aangiftetijdvak vast. Tel hiervoor – onder aftrek van de uitbetaalde vakantiebijslag of het extra periode salaris – de verschillende bedragen aan loon LB/PH die binnen hetzelfde aangiftetijdvak vallen bij elkaar op. Vervolgens ga naar stap 2

Nee

Ga naar stap 2

Stap 2

Is van de beschikbare inkomstenverhouding(en) slechts één aangiftetijdvak bekend?

Ja

Dit aangiftetijdvak is de indicatieperiode.

Nee

Ga naar stap 3

Stap 3

Wijkt – onder aftrek van de uitbetaalde vakantiebijslag of het extra periode salaris – het loon LB/PH in het laatst beschikbare aangiftetijdvak minder dan 5% af van het loon LB/PH in ofwel het voorlaatste aangiftetijdvak, ofwel het aan het voorlaatste voorafgaande aangiftetijdvak?

Ja

Het laatst beschikbare aangiftetijdvak is de indicatieperiode.

Nee

Ga naar stap 4

Stap 4

Zijn van de inkomstenverhouding(en) slechts twee aangiftetijdvakken bekend?

Ja

Deze twee aangiftetijdvakken vormen de indicatieperiode.

Nee

Ga naar stap 5

Stap 5

Wijkt – onder aftrek van de uitbetaalde vakantiebijslag of het extra periode salaris – het loon LB/PH van het voorlaatste beschikbare aangiftetijdvak minder dan 5% af van het loon LB/PH in de aan het voorlaatste aangiftetijdvak voorafgaande tijdvak?

Ja

Het voorlaatste beschikbare aangiftetijdvak is de indicatieperiode.

Nee

De drie laatst beschikbare aangiftetijdvakken vormen gezamenlijk de indicatieperiode.