Artikel
1
Als natuurtypen en landschapselementtypen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928 worden aangewezen de natuurtypen en landschapselementtypen, genoemd in kolom 1, onder de in kolom 2 genoemde beperkingen.
|
a. Rivieren |
Beperkt tot de litorale zones van het wateroppervlak waarin nog zoveel zonlicht tot de bodem doordringt dat wortelende waterplanten zich hier kunnen vestigen, die grenzen aan of anderszins deel uitmaken van een gevarieerde oever zonder oeverbeschoeiing, met zowel flauwe als steile delen, en tijdelijke of permanente plas-dras zones. |
|
b. Beken en bronnen |
|
|
c. Stilstaande wateren |
Beperkt tot de litorale zones van het wateroppervlak waarin nog zoveel zonlicht tot de bodem doordringt dat wortelende waterplanten zich hier kunnen vestigen, die grenzen aan of anderszins deel uitmaken van een gevarieerde oever zonder oeverbeschoeiing, met zowel flauwe als steile delen, en tijdelijke of permanente plas-dras zones. |
|
d. Moerassen |
|
|
e. Voedselarme venen en vochtige heiden |
|
|
f. Droge heiden |
|
|
g. Open duinen |
|
|
h. Schorren of kwelders |
|
|
i. Vochtige schraalgraslanden |
|
|
j. Droge schraalgraslanden |
|
|
k. Rijke graslanden en akkers |
|
|
l. Groenblauwe landschapselementen |
Beperkt tot het landschapsbeheertype ‘Poel en klein historisch water’ |