Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van 18 januari 2021, 2020-0000172420, tot het verstrekken van subsidies voor maatwerk in het kader van duurzame inzetbaarheid en eerder uittreden (Tijdelijke maatwerkregeling duurzame inzetbaarheid en eerder uittreden)

Tijdelijke maatwerkregeling duurzame inzetbaarheid en eerder uittreden

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Besluit:

Hoofdstuk

1

Algemene bepalingen

Artikel

1

Begripsbepalingen

Artikel

2

Toepasselijkheid kaderregeling en benodigde formulieren

Artikel

3

Doel van de regeling

Artikel

4

Subsidieplafond

Artikel

5

Aanvraagtijdvakken

Artikel

6

Rangschikking

Artikel

7

Samenwerkingsverband

Artikel

8

Verplichtingen aanvrager

Hoofdstuk

2

Subsidie sectoranalyse

Artikel

9

Sectoranalyse

Artikel

9a

Update sectoranalyse

Artikel

10

Subsidieaanvraag sectoranalyse

Artikel

10a

Subsidieaanvraag update sectoranalyse

Artikel

11

Subsidieverlening en -vaststelling sectoranalyse

Artikel

11a

Subsidieverlening- en vaststelling update sectoranalyse

Hoofdstuk

3

Subsidie activiteitenplan

Artikel

12

Voorwaarden en cofinanciering

Artikel

13

Subsidiabele activiteiten duurzame inzetbaarheid

De subsidiabele activiteiten met betrekking tot de thema’s, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder a tot en met d, houden een of meer van de volgende activiteiten in:

  • a.

    ontwikkelen en toepassen van instrumenten, methoden of werkwijzen inclusief het uitvoeren van onderzoek in verband hiermee;

  • b.

    activiteiten op maat voor individuele arbeidsorganisaties;

  • c.

    opzetten van infrastructuur om structureel duurzame inzetbaarheid te bevorderen;

  • d.

    een communicatie- of voorlichtingsactiviteit;

  • e.

    een kortdurende training van of workshops voor groepen; of

  • f.

    inhoudelijke monitoring en evaluatie, niet zijnde subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel e.

Artikel

14

Subsidiabele activiteiten eerder uittreden

Artikel

15

Projectperiode activiteitenplan

Artikel

16

Subsidieaanvraag activiteitenplan door hoofdaanvrager

Artikel

16a

Subsidieaanvraag activiteitenplan door arbeidsorganisatie

Artikel

17

Subsidieverlening activiteitenplan

Artikel

18

Weigeringsgronden

De aanvraag tot verlening van subsidie voor het uitvoeren van een activiteitenplan wordt in ieder geval geheel of gedeeltelijk geweigerd indien naar het oordeel van de minister:

  • a.

    de subsidieaanvraag niet voldoet aan de daaraan bij deze regeling gestelde eisen;

  • b.

    een activiteitenplan niet uitvoerbaar is wegens strijd met bestaande wet- en regelgeving;

  • c.

    de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd niet voldoende aansluiten bij de sectoranalyse of bedrijfsanalyse;

  • d.

    de omvang van het aangevraagde subsidiebedrag, mede gelet op eerder op basis van deze subsidieregeling verleende subsidiebedragen, de omvang en problematiek van de sector of de arbeidsorganisatie in relatie tot alle sectoren overstijgt;

  • e.

    de subsidiabele kosten niet in een redelijke verhouding staan tot de voorgenomen prestaties en de daarvan te verwachten resultaten;

  • f.

    onvoldoende is aangetoond dat subsidie noodzakelijk is voor het project waarvoor subsidie is aangevraagd;

  • g.

    dezelfde subsidiabele kosten reeds uit hoofde van deze of een andere subsidieregeling worden gefinancierd;

  • h.

    onvoldoende is aangetoond dat de administratie van de aanvrager zal voldoen aan de daaraan gestelde eisen; of

  • i.

    de subsidieaanvraag tot gevolg heeft dat het subsidieplafond, bedoeld in artikel 4, in een aanvraagtijdvak wordt overschreden.

Artikel

19

Subsidiabele kosten

Artikel

20

Niet subsidiabele kosten

Niet voor subsidie komen in aanmerking:

  • a.

    kosten die naar het oordeel van de minister onredelijk of niet noodzakelijk ter uitvoering van het project zijn gemaakt;

  • b.

    kosten die naar het oordeel van de minister niet in redelijke verhouding staan tot de te verrichten activiteiten;

  • c.

    kosten gemaakt buiten de projectperiode, met uitzondering van:

    • 1°.

      de kosten voor een activiteit met betrekking tot eerder uittreden als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder e, die zijn gemaakt in de periode van 1 januari 2021 tot de datum waarop de projectperiode, bedoeld in artikel 15, is gestart, waarvoor de aanvraag is ingediend in het aanvraagtijdvak, genoemd in artikel 5, tweede lid;

    • 2°.

      de kosten voor een activiteit met betrekking tot eerder uittreden als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder e, die zijn gemaakt in de periode van 1 augustus 2021 tot de datum waarop de projectperiode, bedoeld in artikel 15, is gestart, waarvoor de aanvraag is ingediend in het vierde aanvraagtijdvak;

    • 3°.

      de kosten voor een activiteit met betrekking tot eerder uittreden als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder e, die zijn gemaakt in de periode van 1 augustus 2022 tot de datum waarop de projectperiode, bedoeld in artikel 15, is gestart, waarvoor de aanvraag is ingediend in het zesde aanvraagtijdvak;

    • 4°.

      de kosten voor een activiteit met betrekking tot eerder uittreden als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder e, die zijn gemaakt in de periode van 1 april 2023 tot de datum waarop de projectperiode, bedoeld in artikel 15, is gestart, waarvoor de aanvraag is ingediend in het achtste of negende aanvraagtijdvak;

    • 5°.

      de kosten voor een activiteit met betrekking tot eerder uittreden als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel e, die zijn gemaakt in de periode van 1 december 2023 tot de datum waarop de projectperiode, bedoeld in artikel 15, is gestart, waarvoor de aanvraag is ingediend in het elfde aanvraagtijdvak;

    • 6°.

      de kosten voor een activiteit met betrekking tot eerder uittreden als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel e, die zijn gemaakt in de periode van 1 december 2023 tot de datum waarop de projectperiode, bedoeld in artikel 15, is gestart, waarvoor de aanvraag is ingediend in het twaalfde aanvraagtijdvak;

    • 7°.

      de kosten voor een activiteit met betrekking tot eerder uittreden als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel e, die zijn gemaakt in de periode van 1 mei 2024 tot de datum waarop de projectperiode, bedoeld in artikel 15, is gestart, waarvoor de aanvraag is ingediend in het dertiende aanvraagtijdvak;

    • 8°.

      de kosten voor een activiteit met betrekking tot duurzame inzetbaarheid als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdelen a tot en met d, die zijn gemaakt in de periode van 2 september 2024 tot de datum waarop de projectperiode, bedoeld in artikel 15, is gestart waarvoor de aanvraag is ingediend in het dertiende aanvraagtijdvak; en

    • 9°.

      kosten van maandelijkse uitkeringen voor eerder uittreden als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel c, die zijn gemaakt na afloop van de projectperiode, voor zover de eerste betaling heeft plaatsgevonden binnen de projectperiode;

  • d.

    kosten die in aanmerking komen voor andere financiering van overheidswege;

  • e.

    kosten die voortvloeien uit wettelijk verplichte taken;

  • f.

    opleidings- en scholingskosten, met uitzondering van de kosten voor activiteiten als bedoeld in artikel 13, onder e;

  • g.

    kosten voor verbruiksgoederen; of

  • h.

    loonverletkosten, zijnde de loonkosten van werkenden voor niet-productieve uren als gevolg van deelname aan subsidiabele activiteiten.

Artikel

21

Bevoorschotting en meldingsplicht

Artikel

22

Einddeclaratie en subsidievaststelling

Hoofdstuk

4

Administratie, rapportage en intrekking

Artikel

23

Administratievoorschriften

Artikel

24

Rapportageverplichting

Artikel

25

Intrekking en terugvordering

Hoofdstuk

5

Slotbepalingen

Artikel

26

Evaluatie van de regeling

Artikel

27

Inwerkingtreding

Artikel

28

Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke maatwerkregeling duurzame inzetbaarheid en eerder uittreden.

Deze regeling zal met de toelichting en de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,W.Koolmees

Bijlage

behorend bij artikel 1 van de Tijdelijke maatwerkregeling duurzame inzetbaarheid en eerder uittreden

Sectorindeling

De Standaard Bedrijfsindeling 2008 (SBI) is een hiërarchische indeling van economische activiteiten die het CBS onder meer gebruikt om bedrijfseenheden in te delen naar hun hoofdactiviteit1Bron: https://www.cbs.nl/nl-nl/onze-diensten/methoden/classificaties/activiteiten/sbi-2008-standaard-bedrijfsindeling-2008.

Indeling naar sector:

  • A.

    Landbouw, bosbouw en visserij

  • B.

    Winning van delfstoffen

  • C.

    Industrie

  • D.

    Productie en distributie van en handel in elektriciteit, aardgas, stoom en gekoelde lucht

  • E.

    Winning en distributie van water; afval- en afvalwaterbeheer en sanering

  • F.

    Bouwnijverheid

  • G.

    Groot- en detailhandel; reparatie van auto’s

  • H.

    Vervoer en opslag

  • I.

    Logies-, maaltijd- en drankverstrekking

  • J.

    Informatie en communicatie

  • K.

    Financiële instellingen

  • L.

    Verhuur van en handel in onroerend goed

  • M.

    Advisering, onderzoek en overige specialistische zakelijke dienstverlening

  • N.

    Verhuur van roerende goederen en overige zakelijke dienstverlening

  • O.

    Openbaar bestuur, overheidsdiensten en verplichte sociale verzekeringen

  • P.

    Onderwijs

  • Q.

    Gezondheids- en welzijnszorg

  • R.

    Cultuur, sport en recreatie

  • S.

    Overige dienstverlening

  • T.

    Huishoudens als werkgever, niet-gedifferentieerde productie van goederen en diensten door huishoudens voor eigen gebruik

  • U.

    Extraterritoriale organisaties en lichamen