Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 31 januari 2022 nr. IENW/BSK-2022/12408, houdende vaststelling van regels voor subsidiëring van initiatieven die bijdragen aan het versterken van de omgevingsveiligheid ten aanzien van industriële activiteiten met gevaarlijke stoffen en risicovolle processen 2022–2027 (Tijdelijke subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid industriële activiteiten 2022–2027)

Tijdelijke subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid industriële activiteiten 2022–2027

Artikel

1

Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • branche: groep ondernemingen die soortgelijke activiteiten verrichten met gevaarlijke stoffen of risicovolle processen;

  • brancheorganisatie: organisatie met rechtspersoonlijkheid die de belangen van de branche behartigt;

  • branchesamenwerkingsverband: samenwerkingsverband bestaande uit in ieder geval twee ondernemingen uit dezelfde branche;

  • cluster: groep ondernemingen gevestigd op eenzelfde locatie;

  • clustersamenwerkingsverband: locatiegericht samenwerkingsverband bestaande uit in ieder geval twee ondernemingen die activiteiten verrichten met gevaarlijke stoffen of risicovolle processen;

  • grote onderneming: onderneming als bedoeld in artikel 2, onderdeel 24, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • kaderbesluit: Kaderbesluit subsidies I en M;

  • keten: twee of meer ondernemingen in een toe- of afleveringsketen die activiteiten met gevaarlijke stoffen of risicovolle processen verrichten;

  • ketensamenwerkingsverband: samenwerkingsverband bestaande uit in ieder geval twee ondernemingen in een keten;

  • kmo’s: kleine en middelgrote ondernemingen als bedoeld in artikel 2, onderdeel 2, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • Minister: Minister van Infrastructuur en Waterstaat;

  • omgevingsdienst: omgevingsdienst als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

  • omgevingsveiligheid: veiligheidssituatie in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen of risicovolle processen;

  • onderzoeksorganisatie: organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding als bedoeld in artikel 2, onderdeel 83, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • project a: project inzake proces- en organisatie-innovatie als bedoeld in artikel 2, onderdelen 96 en 97, en artikel 29 van de algemene groepsvrijstellingsverordening dat leidt tot een toepassing van een nieuwe organisatiemethode dan wel een nieuwe of sterk verbeterde productie- of leveringsmethode;

  • project b: project inzake opleiding als bedoeld in artikel 31 van de algemene groepsvrijstellingsverordening dat leidt tot kennisoverdracht;

  • project c: project inzake milieustudies als bedoeld artikel 49 van de algemene groepsvrijstellingsverordening dat leidt tot het in beeld krijgen van de investeringen die nodig zijn om een hoger niveau aan milieubescherming en in dit geval omgevingsveiligheid te bereiken;

  • project d: project inzake advies voor een kmo als bedoeld in artikel 18 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, waarbij extern advies wordt gevraagd voor de versterking van de interne veiligheidscultuur of de interne borging van de veiligheid van de kmo;

  • projectdeelnemers: een of meer deelnemers aan een project die activiteiten uitvoeren binnen dat project en daarmee aanspraak maken op subsidie;

  • RVO: Rijksdienst voor Ondernemend Nederland;

  • speerpunt: een door de Minister vastgesteld actueel onderwerp ter versterking van de omgevingsveiligheid gericht op specifieke invulling van de thema’s genoemd in artikel 3, eerste lid;

  • veiligheidsregio: veiligheidsregio als bedoeld in artikel 1 van de Wet veiligheidsregio’s.

Artikel

2

Doel van de regeling

Deze regeling heeft als doel het ondersteunen van initiatieven die voldoende bijdragen aan blijvende versterking van de omgevingsveiligheid in Nederland ten aanzien van industriële activiteiten met gevaarlijke stoffen of risicovolle processen.

Artikel

3

Thema’s en speerpunten

Artikel

4

Subsidieplafond en wijze van verdelen

Artikel

5

Aanvragers en aanvraagformulier

Artikel

6

Subsidiabele kosten en standaardberekeningswijze uurtarieven

Artikel

7

Berekening subsidiabele kosten bij toepassing integrale kostensystematiek

Artikel

8

Berekening subsidiabele kosten bij toepassing kosten per kostendrager met opslag

Artikel

9

Berekening met forfaitair uurtarief loonkosten

Artikel

10

Hoogte van de subsidie

Artikel

11

Maximum subsidiebedrag per projectdeelnemer

Een projectdeelnemer komt per kalenderjaar voor maximaal € 200.000 subsidie in aanmerking.

Artikel

12

Beoordelingscriteria

Artikel

13

Afwijzingsgronden

Artikel

14

Verplichting tot kennisdeling

Artikel

15

Overige verplichtingen

Een onderneming die op het tijdstip van de verlening van de subsidie geen vaste inrichting of dochterondernemingen in Nederland heeft, draagt er zorg voor dat deze onderneming voor de eerste voorschotbetaling een vaste inrichting of dochterondernemingen in Nederland heeft.

Artikel

16

Evaluatie

De Minister publiceert voor 1 januari 2027 een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidie in de praktijk.

Artikel

17

Inwerkingtreding en horizonbepaling

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2027, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op subsidies waarvoor voor die datum een aanvraag is ontvangen.

Artikel

18

Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid industriële activiteiten 2022–2027.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, V.L.W.A. Heijnen

Bijlage

1

Behorende bij artikel 12 van de Tijdelijke subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid industriële activiteiten 2022–2027

In gelijke mate bepalend voor de score op het criterium van de versterking van de omgevingsveiligheid zijn:

  • De additionaliteit van het project, blijkend uit een vergelijking met de actuele (inclusief de aangekondigde) wet- en regelgeving waaraan ondernemingen in dit verband zijn onderworpen alsmede uit het aantal projectdeelnemers of, bij een aanvraag door een brancheorganisatie, de vermelde brancheleden en andere ondernemingen die blijkens de aanvraag specifiek baat hebben bij het halen van de projectdoelstelling;

  • De effectiviteit en efficiëntie blijkend uit de omschrijving van het project voor wat betreft inhoud en daaraan gerelateerde kosten;

  • De specifiek omschreven beoogde projectresultaten en de innovatieve aspecten hiervan;

  • De omschreven bruikbaarheid van de beoogde projectresultaten, ook voor andere bedrijven, om versterking van de omgevingsveiligheid te realiseren of bij te dragen aan het zetten van vervolgstappen die leiden naar versterking van de omgevingsveiligheid.

In gelijke mate bepalend voor de score op het criterium van het blijvend effect van de te realiseren versterking van de omgevingsveiligheid zijn:

  • De aantrekkelijkheid van de concrete projectresultaten (na afloop van het project) voor blijvende toepassing, ook buiten de kring van de projectdeelnemers, bij vermelde leden of segmenten van brancheorganisaties en ondernemingen of organisaties uit andere branches, clusters of ketens blijkens de aanvraag;

  • Het in de projectomschrijving beschreven draagvlak, inclusief eventuele randvoorwaarden, dat voorafgaand aan of tijdens de projectuitvoering onderzocht is of wordt bij projectdeelnemers, overige betrokken of belanghebbende ondernemingen en organisaties of leden of segmenten van brancheorganisaties blijkens de aanvraag;

  • De gespecificeerde inzet van de projectdeelnemers en andere betrokkenen om na afloop van (een succesvol) project bij te dragen aan brede toepassing ervan in de branche, in de keten of in het cluster;

  • De mate waarin de projectbevindingen in de praktijk worden getoetst op grond van drie indicaties:

    • de omschreven toetsing in de praktijk in het projectplan;

    • de verhouding tussen het aantal deelnemende bedrijven die werken met gevaarlijke stoffen of risicovolle processen en het totale aantal projectdeelnemers;

    • de verhouding tussen de inspanningen van die bedrijven en de inspanningen van alle projectdeelnemers.

Zowel op bijdrage aan versterking van de omgevingsveiligheid als op het blijvende effect daarvan kunnen projecten scoren op drie niveaus:

Bijdrage versterking omgevingsveiligheid: matig(0), voldoende(1) en hoog(2);

Blijvend effect: laag(0), gemiddeld(1) en hoog(2).