Beleidsregels van de raad van bestuur van de Kansspelautoriteit inzake de beoordeling van het levensgedrag bij vergunningen voor de exploitatie van speelautomaten (Beleidsregels levensgedragtoets)

Beleidsregels levensgedragtoets

De raad van bestuur van de Kansspelautoriteit,

besluit de volgende beleidsregels vast te stellen:

Artikel

1

Begripsbepalingen

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

Artikel

2

Toepassing

Artikel

3

Slecht levensgedrag

Een aanvrager, vergunninghouder, bedrijfsleider of beheerder is in enig opzicht van slecht levensgedrag als, gelet op zijn betrokkenheid bij antecedenten, onvoldoende kan worden aangenomen dat hij zich in zijn functie zal gedragen op een wijze die als maatschappelijk aanvaardbaar wordt beschouwd.

Artikel

4

Criteria

De raad van bestuur stelt vast of een aanvrager, vergunninghouder, bedrijfsleider of beheerder van een exploitatie in enig opzicht van slecht levensgedrag is, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder b, en artikel 7 van het besluit, op basis van:

  • 1.

    feiten en omstandigheden die voldoende aannemelijk maken dat de aanvrager, vergunninghouder, bedrijfsleider of beheerder betrokken was bij een of meer antecedenten;

  • 2.

    het tijdsverloop tussen en na de antecedenten;

  • 3.

    de ernst en het aantal van de antecedenten;

  • 4.

    de relatie van de antecedenten met de vergunning en functie.

Artikel

5

Antecedenten

Artikel

6

Betrokkenheid bij antecedenten

Artikel

7

Aannemelijkheid van antecedenten

Artikel

8

Tijdsverloop

Artikel

9

Ernst van antecedenten

Bij de beoordeling van de ernst van een antecedent kan de raad van bestuur in ieder geval de volgende aspecten betrekken:

  • 1.

    de voor dat antecedent opgelegde, gevorderde, overeengekomen of voorgenomen sanctie;

  • 2.

    de sanctie die voor soortgelijke antecedenten is opgelegd;

  • 3.

    de aard van het antecedent;

  • 4.

    de duur van het antecedent;

  • 5.

    de omvang van het antecedent;

  • 6.

    de context van het antecedent;

  • 7.

    de gevolgen van het antecedent;

  • 8.

    de mate van schuld en/of opzet waarmee het antecedent is begaan.

Artikel

10

Relatie met de vergunning en functie

Artikel

11

Gewijzigd levensgedrag

Indien gedragingen van een (rechts)persoon na het laatste antecedent waarbij hij betrokken was daar naar het oordeel van de raad van bestuur aanleiding toe geven, kan de raad van bestuur oordelen dat deze (rechts)persoon niet langer van slecht levensgedrag is.