Artikel
1
1
Justitiële gegevens worden desgevraagd verstrekt aan De Nederlandsche Bank N.V., voor zover noodzakelijk ten behoeve van de vaststelling of de betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in de artikelen 3:9, eerste lid, 3:9a, eerste lid, 3:11, 3:13, 3:37 derde en vierde lid, 3:47 eerste en vijfde lid, en 3:99, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht, artikel 10, tweede, derde en vierde lid, van de Wet toezicht trustkantoren 2018, artikel 106, vierde lid, van de Pensioenwet, artikel 110c, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, artikel 28, eerste lid, Besluit reikwijdtebepalingen Wft en de artikelen 3:4, eerste lid, en 3:29 van de Wet financiële markten BES, buiten twijfel staat.
2
Indien De Nederlandsche Bank N.V. op grond van het Besluit EU-verordeningen Wft is aangewezen als bevoegde autoriteit van een in de bijlagen bij dat besluit genoemde Europese verordening, worden, indien die Europese verordening een beoordeling van de betrouwbaarheid van personen voorschrijft, eveneens desgevraagd justitiële gegevens verstrekt aan De Nederlandsche Bank N.V. voor zover noodzakelijk ten behoeve van die beoordeling van de betrouwbaarheid.
3
De toestemming strekt zich slechts uit tot justitiële gegevens met betrekking tot de strafrechtelijke antecedenten genoemd in bijlage A behorende bij het Besluit prudentiële regels Wft, onderdelen 1 en 2.1 tot en met 2.4, de bijlage behorende bij het Besluit toezicht trustkantoren 2018, onderdelen 1 en 2.1 tot en met 2.4, de bijlage behorende bij het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling, onderdelen 1 en 2.1 tot en met 2.4, de bijlage behorende bij het Besluit reikwijdtebepalingen Wft, onderdelen 1 en 2.1 tot en met 2.4, en bijlage 1 behorende bij het Besluit financiële markten BES, onderdelen 1 en 2.1 tot en met 2.3.