Universele uitvoeringsvoorschriften belastingverdragen 2025, uitgezonderd het belastingverdrag met de VS

De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.
Dit besluit bevat de universele Nederlandse voorschriften voor de uitvoering van het dividendartikel en het interestartikel in belastingverdragen, uitgezonderd het belastingverdrag met de Verenigde Staten van Amerika, voor de heffing van dividendbelasting geheven op grond van de Wet op de dividendbelasting 1965.

Artikel

1

Inleiding

In verband met de heffing van dividendbelasting op basis van de Wet op de dividendbelasting 1965 bevat dit besluit voorschriften voor de uitvoering van het dividendartikel en het interestartikel in:

  • de door Nederland gesloten verdragen tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen (en naar het vermogen) en het voorkomen van het ontgaan (en ontwijken) van belasting, (met Protocol),

  • de regelingen tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen die Nederland heeft getroffen voor een land binnen het Koninkrijk,

  • het Besluit voorkoming dubbele belasting Nederland Taiwan.

Dit besluit is niet van toepassing op het belastingverdrag met de Verenigde Staten van Amerika.1Voor de uitvoeringsvoorschriften voor dit verdrag zie Nederlandse uitvoeringsvoorschriften belastingverdrag Nederland – Verenigde Staten van Amerika 1992.

Artikel

1.2

Onderscheid deelnemingsdividend en portfoliodividend

In de door Nederland gesloten verdragen wordt voor dividenden onderscheid gemaakt tussen 'portfoliodividenden' en 'deelnemingsdividenden'. Voor ‘portfoliodividenden’ (ook wel aangeduid als ‘beleggingsdividenden’) bedraagt het bronheffingspercentage in de belastingverdragen als regel 15%. In een aantal verdragen is voor portfoliodividenden echter een percentage van 10% overeengekomen.

Voor deelnemingsdividenden is in de belastingverdragen in het algemeen een lager bronheffingspercentage (10%, 5% of 0%) overeengekomen. Dit verlaagde tarief is doorgaans gebonden aan een in de belastingverdragen vastgelegde minimum belang (doorgaans 10% of 25%), veelal aangevuld met een minimum houdsterperiode. Waar hierna van 'deelnemingsdividenden' wordt gesproken, worden daarmee steeds dividenden bedoeld uit een door een lichaam gehouden deelneming die ten minste voldoet aan de in het desbetreffende belastingverdrag gestelde minimumeisen. Alle andere dividenden worden gerekend tot de 'portfoliodividenden', die derhalve ook betrekking kunnen hebben op niet-natuurlijke personen.

Artikel

1.3

Multilateraal instrument

Het Multilaterale Instrument (MLI) is voor Nederland in werking getreden met ingang van 1 juli 2019. Daarmee is per 1 januari 2020 het MLI van toepassing geworden op verschillende Nederlandse bilaterale belastingverdragen. Als gevolg van het MLI is een aantal bepalingen, veelal gericht op het voorkomen van verdragsmisbruik, van toepassing geworden, waardoor (de werking van) het betreffende belastingverdrag wijzigt. Een van deze bepalingen betreft een algemene antimisbruiktoets, de Principal Purposes Test (PPT).

Op basis van de PPT worden verdragsvoordelen niet toegekend als een constructie is opgezet of een transactie is aangegaan met als een van de voornaamste doelen om toegang tot een voordeel van het belastingverdrag te verkrijgen, tenzij de toekenning van dat voordeel in de gegeven omstandigheden in overeenstemming zou zijn met doel en strekking van de relevante verdragsbepaling(en).

Artikel

1.4

Wijzigingen

Dit besluit is een actualisering van de Universele Nederlandse uitvoeringsvoorschriften 2015 inzake belastingverdragen, uitgezonderd het belastingverdrag met de Verenigde Staten van Amerika, en de Belastingregeling Nederland Curaçao.

Naast redactionele wijzigingen bestaat deze actualisering uit:

  • het niet meer afzonderlijk noemen van de belastingverdragen waarop deze uitvoeringsvoorschriften zien;

  • het vervallen van artikel 2, tweede lid (oud). De inhoud hiervan is overgegaan naar artikel 2, eerste lid;

  • het vervallen van de bijzondere teruggaafprocedure voor Nederlandse dividendbelasting met betrekking tot portfoliodividenden. Deze valt nu onder de teruggaafprocedure in artikel 3, omdat deze bijzondere teruggaafprocedure niet meer afwijkt van de procedure in artikel 3;

  • het in (het vernummerde) artikel 4 (artikel 5 oud), tweede lid, onderdeel a opvragen van gegevens van de inhoudingsplichtige bij de indiening van het verzoek om toepassing van de vrijstellingsprocedure;

  • het vervallen van artikel 5, tweede lid onderdelen d tot en met f (oud). Deze bepalingen vallen onder het bereik van (het vernummerde) artikel 4, tweede lid, onderdeel f;

  • een aanpassing van de adressering van het postadres in (het vernummerde) artikel 5, tweede lid voor een teruggaafverzoek bij deelnemingsdividenden;

  • het vervallen van artikel 5, vierde lid (oud) waarin was geregeld dat voor de toepassing van de Belastingregeling Nederland Curaçao de inspecteur van het APA-/ATR-team van Belastingdienst/Grote Ondernemingen (kantoor Rotterdam) bevoegd is te beslissen op het verzoek ontslagen te worden van de verplichting om niet-verschuldigde dividendbelasting in te houden;

  • het vervallen van artikel 6, vierde lid (oud) waarin was geregeld dat voor de toepassing van de Belastingregeling Nederland Curaçao de inspecteur van het APA-/ATR-team van Belastingdienst/Grote Ondernemingen (kantoor Rotterdam) bevoegd is te beslissen op het verzoek om teruggave van dividendbelasting;

  • het vervallen van artikel 7 (oud) dat betrekking had op de (per 31 december 2019 vervallen) tijdelijke regeling voor deelnemingsdividenden in de Belastingregeling Nederland Curaçao;

  • het vervallen van artikel 10 (oud) waarin geregeld was dat reeds bestaande beschikkingen nog maximaal vier jaren geldig blijven gerekend vanaf 4 februari 2015;

  • het vervallen van artikel 11 (oud) waarin was geregeld dat de in deze regeling bedoelde formulieren van rijkswege worden verstrekt en op aanvraag kosteloos verkrijgbaar zijn. Deze formulieren zijn nu te vinden op de website van de Belastingdienst;

  • het vervallen van artikel 13a. Hierin werden enkele vervallen bijlagen opgesomd;

  • het intrekken van de Uitvoeringsvoorschriften artikel 11 Belastingregeling voor het Koninkrijk (Curaçao en Sint Maarten), vanwege het vervallen van de onderliggende bepalingen.

Artikel

1.5

Gebruikte begrippen en afkortingen

Dividend

Hetgeen hierover is bepaald in elk van de verdragen.

Inhoudingsplichtige

Een inhoudingsplichtige als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965.

Interest

Hetgeen hierover is bepaald in elk van de verdragen.

Minimumdeelneming

Een deelneming gehouden door een lichaam waarvoor een verlaagd tarief geldt, omdat wordt voldaan aan de in het desbetreffende verdrag gestelde minimumeisen.

Verdrag

Het door Nederland gesloten verdrag tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen (en naar het vermogen) en het voorkomen van het ontgaan (en ontwijken) van belasting, (met Protocol), dat van toepassing is op het inkomen waarop deze uitvoeringsvoorschriften worden toegepast. Hieronder wordt mede verstaan regelingen tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen die Nederland heeft getroffen voor een land binnen het Koninkrijk alsmede het Besluit voorkoming dubbele belasting Nederland en Taiwan.

Verdragsland

Het land waarmee Nederland een verdrag heeft gesloten dat van toepassing is op het inkomen waarop deze uitvoeringsvoorschriften worden toegepast.

Artikel

2

Nederlandse dividendbelasting met betrekking tot portfoliodividenden (vrijstellingsprocedure)

Artikel

3

Nederlandse dividendbelasting met betrekking tot portfoliodividenden (teruggaafprocedure)

Artikel

4

Nederlandse dividendbelasting met betrekking tot deelnemingsdividenden (vrijstellingsprocedure)

Artikel

5

Nederlandse dividendbelasting met betrekking tot deelnemingsdividenden (teruggaafprocedure)

Artikel

6

Formele bepalingen

De in dit besluit bedoelde verklaringen, verzoeken, gegevens en mededelingen moeten duidelijk, stellig en zonder voorbehoud worden gedaan of verstrekt. Indien naar aanleiding van een ingevolge dit besluit gedaan verzoek, ten onrechte of tot een te hoog bedrag, vrijstelling of vermindering van inhouding van dividendbelasting dan wel teruggaaf van dividendbelasting is verleend zijn de bepalingen van artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van (overeenkomstige) toepassing.

Artikel

7

Verjaringstermijn

Verzoeken om teruggaaf van belasting moeten bij de bevoegde inspecteur zijn ingediend binnen de in het verdrag gestelde termijn. Voor een verdrag waarin geen termijn is gesteld, geldt een termijn van vijf jaren na het verstrijken van het tijdvak waarin de belasting is ingehouden en afgedragen. Voor verdragen waarin een kortere termijn is opgenomen geldt dat de inspecteur verzoeken om teruggaaf buiten de in het verdrag gestelde termijn ambtshalve in behandeling neemt binnen de hiervoor genoemde termijn van vijf jaren.3Zie ook het Besluit Fiscaal Bestuursrecht van 21 november 2023, nr. 2023-24452, § 23.

Artikel

8

Delegatiebepaling

De Minister van Financiën kan binnen de kaders van de verdragen waarop dit besluit ziet, in afwijking van dit besluit, onder nadere voorwaarden bijzondere regelingen treffen of binnen de door hem gestelde kaders de Belastingdienst machtigen bijzondere regelingen te treffen.

Artikel

10

Inwerkingtreding

Artikel

11

Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Universele uitvoeringsvoorschriften belastingverdragen 2025, uitgezonderd het belastingverdrag met de VS.

Artikel

12

Publicatie en ondertekening

Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag
De Staatssecretaris van Financiën,
namens deze,
H.G. Roodbeen Hoofddirecteur Fiscale en Juridische Zaken