Artikel
1
Verhouding tot andere rechtshulpverdragen
1
Deze overeenkomst strekt tot het aanvullen en het vergemakkelijken van de toepassing, tussen de lidstaten van de Europese Unie, van:
-
a.
het Europees Verdrag van 20 april 1959 aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken, hierna te noemen het Europees Rechtshulpverdrag;
-
b.
het Aanvullend Protocol van 17 maart 1978 bij het Europees Rechtshulpverdrag;
-
c.
de bepalingen over wederzijdse rechtshulp in strafzaken van de Overeenkomst van 19 juni 1990 ter uitvoering van het Akkoord van Schengen van 14 juni 1985 betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, hierna te noemen de Schengenuitvoeringsovereenkomst, voorzover die niet worden ingetrokken krachtens artikel 2, lid 2;
-
d.
hoofdstuk 2 van het Verdrag van 27 juni 1962 aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, zoals gewijzigd bij het protocol van 11 mei 1974, hierna te noemen het Benelux-Verdrag, tussen de lidstaten van de Benelux Economische Unie onderling.
2
Deze overeenkomst laat onverlet de toepasselijkheid van verdergaande bepalingen van bilaterale en multilaterale overeenkomsten tussen lidstaten, alsmede, overeenkomstig artikel 26, lid 4, van het Europees Rechtshulpverdrag, van regelingen inzake de wederzijdse rechtshulp in strafzaken op grond van een eenvormige wet of van een bijzonder stelsel dat in onderlinge toepassing van maatregelen van wederzijdse rechtshulp op elkaars grondgebied voorziet.