Besluit van 24 februari 1920, tot vaststelling van een reglement voor de tramwegen, genoemd in artikel 1, eerste lid, letter b, en van een reglement ter uitvoering van het vijfde lid, onder b, van artikel 5 der Locaalspoor- en Tramwegwet

Tramwegreglement

Wij WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Op de voordracht van Onzen Minister van Waterstaat, van 12 Juli 1919, La. G., afdeeling Spoorwegen;
Gelet op artikel 5, vijfde lid, der Locaalspoor- en Tramwegwet(Staatsblad n°. 99 van 1918);
Den Raad van State gehoord (advies van 5 Augustus 1919, n°. 25);
Gelet op het nader rapport van Onzen voornoemden Minister van 20 Februari 1920, n°. 302, afdeeling Spoorwegen;

Hebben goedgevonden en verstaan:

met ingang van den dag, op welken de Locaalspoor- en Tramwegwet in werking zal treden:

  • 1°.

    in te trekken:

    • a.

      het algemeen reglement voor de spoorwegen, bedoeld in artikel 2 der wet van 9 Juli 1900 (Staatsblad n°. 118), onder den titel Tramwegreglement 1902 vastgesteld bij Koninklijk besluit van 31 Juli 1902 ( Staatsblad n°. 162), het laatst gewijzigd bij Koninklijk besluit van 22 Augustus 1916 (Staatsblad n°. 421);

    • b.

      het reglement, houdende vereenvoudigde bepalingen voor spoorwegen, als bedoeld in artikel 1 der wet van 9 Juli 1900 (Staatsblad n°. 118), op welke geen vervoer plaats heeft dan met eene snelheid van ten hoogste vijf en dertig (35) kilometer per uur, onder den titel Vereenvoudigd Locaalspoorwegreglement 1902 vastgesteld bij Koninklijk besluit van 18 Augustus 1902 (Staatsblad n°. 170), het laatst gewijzigd bij Koninklijk besluit van 15 September 1913 (Staatsblad n°. 366);

  • 2°.

    vast te stellen:

Afdeeling

I

Van den weg en de seinen

Artikel

1

Onderhoud van weg en werken

Artikel

2

Regeling der contactgeleidingen

Bij toepassing van electrische trekkracht met bovengrondschen stroomtoevoer wordt, voor zoover geen contactgeleidingen worden toegepast, waarvan de doorhang kan verwaarloosd worden, of de constructie dezer geleidingen eene automatische regeling van den doorhang waarborgt, ten minste twee maal per jaar, in het voor- en najaar, de spanning en daarmede de doorhang der geleidingen geregeld in overeenstemming met de gemiddelde zomer- en wintertemperatuur.

Artikel

3

Periodiek onderzoek. Registers van lijnonderzoek

Artikel

4

Schouwing van de weg

Artikel

5

Profielen van vrije ruimte

Artikel

6

Maatregelen ter voorkoming van het ongewenscht met elkander in aanraking komen van voertuigen

Artikel

7

Overwegen

Artikel

8

Seinen ten behoeve van den tramweg

Artikel

9

Treinseinen bij nacht

Artikel

10

Seinreglement

Artikel

11

Gebruik van niet voor het openbaar verkeer openstaande wegen

Artikel

12

Kruisingen van tram- en spoorwegen op gelijke hoogte

Artikel

13

Brandstrooken. Gewijzigde toepasselijkverklaring van artikel 33a der wet van 9 April 1875 (Staatsblad n°. 67)

Artikel

14

Verbod van bebouwing, enz. langs den tramweg. Gewijzigde toepasselijkverklaring van de artikelen 36-41 en 68 der wet van 9 April 1875 (Staatsblad n°. 67)

Afdeeling

II

Van het rollend materieel

A

Van de trekvoertuigen in het algemeen

Artikel

15

Voorschriften betreffende de inrichting der trekvoertuigen

Artikel

16

Inzending van teekeningen van trekvoertuigen

Artikel

17

Indienststelling van trekvoertuigen

Artikel

18

Akte van vergunning. Voorloopige vergunning

B

Van trekvoertuigen, door stoomkracht bewogen

Artikel

19

Voorschriften betreffende de inrichting der trekvoertuigen, welke door stoomkracht worden bewogen

Artikel

20

Voorschriften betreffende de inrichting van de ketels der trekvoertuigen, welke door stoomkracht worden bewogen

Artikel

21

Veiligheidskleppen

Artikel

22

Wijziging van de inrichting van trekvoertuigen na de indienststelling

Artikel

23

Ingebruikneming van stoomketels

Artikel

24

Beproeving en onderzoek van stoomketels na de indienststelling

Artikel

25

Beproeving van stoomketels

Artikel

26

Voorschriften voor het geval, dat de beproeving of het onderzoek na de indienststelling onvoldoende uitkomsten oplevert

Artikel

27

Register van ketelbeproevingen

Artikel

28

Maatregelen bij ketelbeproevingen door den tramwegdienst te nemen

Bij elke beproeving en bij elk inwendig onderzoek in artikel 24 bedoeld van den stoomketel op een trekvoertuig wordt door bestuurders zorg gedragen, dat:

  • a.

    de ketel, indien deze op het trekvoertuig ter beproeving wordt aangeboden, geplaatst zij boven een droogliggenden aschkuil, en in elk geval te bekwamer hoogte voor het onderzoek;

  • b.

    de vuur- en rookkast en de pijpen behoorlijk gereinigd en de aschbak, roosters, vuurbrug, enz. verwijderd zijn.

C

Van trekvoertuigen, welke door andere drijfkracht dan stoom worden bewogen

Artikel

29

Artikel

30

Aanvullende voorschriften

Bijaldien de bedrijfsspanning ten opzichte van aarde hooger is dan 1200 volt kunnen de voorschriften van artikel 29 voor elk geval in het bijzonder door de Minister worden aangevuld.

Voorschriften betreffende de inrichting van trekvoertuigen, gedreven door verbrandingsmotoren.

Artikel

30a

Bij trekvoertuigen, gedreven door een of meer verbrandingsmotoren, moeten:

  • a.

    de vaten waarin de vloeibare brandstof wordt medegevoerd en de leidingen voor deze vloeistof zodanig ingericht zijn, dat daarin geen ongewilde overdruk kan ontstaan en dat zij zoveel mogelijk gewaarborgd zijn tegen het ontstaan van lekken;

  • b.

    de vulopeningen dezer vaten zich buiten het voertuig bevinden, voorzover hiermede reizgers of post vervoerd worden;

  • c.

    de ruimten, waarin deze vaten zijn aangebracht, van het inwendige van het voertuig door dichte onbrandbare wanden gescheiden zijn en met de buitenlucht op zodanige wijze in gemeenschap staan, dat buiten de vaten geraakte vloeibare brandstof of brandbare gassen aanstonds naar buiten worden afgevoerd;

  • d.

    de leidingen voor de afvoer van afgewerkte motorgassen, voorzover zij zich in de inwendige ruimte van het trekvoertuig bevinden, ononderbroken en, waar zij gevaar voor brand opleveren, geïsoleerd zijn en aan het einde buiten het voertuig uitgerust met een inrichting waarin de afgewerkte gassen in die mate worden afgekoeld, dat zij bij het verlaten van die inrichting geen brand kunnen veroorzaken;

  • e.

    indien de voertuigen ingericht zijn voor het vervoer van reizigers, de motoren geplaatst zijn in door onbrandbare, of met een onbrandbare stof beklede, wanden omgeven ruimten, die niet toegankelijk zijn voor de reizigers.

Artikel

31

Toepasselijkheid van voorschriften voor rijtuigen en wagens op trekvoertuigen

Op trekvoertuigen, tevens ingericht voor her vervoer van personen of (en) goederen, zijn mede van toepassing de voorschriften, vervat in de artikelen 39, 42, 83 en 84.

Artikel

32

Ingebruikneming van mechanische en electrische inrichtingen op trekvoertuigen, welke door andere drijfkracht dan stoom worden bewogen

Artikel

33

Beproeving en onderzoek van mechanische en electrische inrichtingen op trekvoertuigen, welke door andere drijfkracht dan stoom worden bewogen, na de indienststelling

Artikel

34

Beproeving van de electrische inrichtingen

De beproeving van de electrische inrichtingen van trekvoertuigen, welke middellijk of onmiddellijk door electrische drijfkracht bewogen worden, omvat:

  • 1°.

    eene beproeving van den isolatieweerstand der geleidingen en electrische motoren, schakelings-, regelings-, bedienings-, beveiligings- en verlichtingstoestellen.

  • 2°.

    eene beproeving van de automatische hoofdstroomuitschakelaars.

De beproeving onder 1°. geschiedt met eene spanning ten minste gelijk aan de bedrijfsspanning gedurende vijf minuten tot en met eene bedrijfsspanning van 750 volt. Boven eene bedrijfspanning van 750 volt geschiedt de beproeving met wisselstroom gedurende vijf minuten en wel bij indienststelling met eene spanning gelijk aan het drievoud der bedrijfsspanning en bij latere beproevingen met eene spanning gelijk aan het anderhalfvoud der bedrijfsspanning een en ander met uitzondering van de op het trekvoertuig aanwezige laagspanningstoestellen en leidingen, die beproefd worden met de in het bedrijf in deze toestellen en leidingen optredende maximum-spanning. Bij de beproeving onder 2°. genoemd wordt nagegaan, of de automatische hoofdstroomuitschakelaar op de juiste stroombelasting in werking treedt. De proefspanningen en de proefstroombelastingen hierboven bedoeld worden gemeten met nauwkeurigheids-, volt- of ampèremeters, welke op geregelde tijden worden geijkt. De uitkomsten van eene beproeving zijn onvoldoende, indien bij de beproeving blijkt van eenigen stroomovergang op daarvoor niet bestemde deelen, de isolatie op eenige plaats is doorgeslagen, de automatische hoofdstroomuitschakelaar niet op de juiste stroombelasting in werking treedt of na het in werking treden de onderbrekingsvlamboog blijft bestaan of zoo andere gebreken aan den dag zijn gekomen.

Artikel

35

Voorschriften voor het geval, dat de beproeving of het onderzoek van de mechanische en electrische inrichtingen na de indienststelling onvoldoende uitkomsten oplevert

Indien eenige beproeving of eenig onderzoek van de mechanische en electrische inrichtingen onvoldoende uitkomsten heeft opgeleverd, mag het trekvoertuig niet in gebruik worden gesteld, dan nadat de door de Minister noodig geoordeelde voorzieningen zijn aangebracht.

Artikel

36

Register van beproevingen van de mechanische en electrische inrichtingen

Artikel

37

Maatregelen bij de beproeving van de mechanische en electrische inrichtingen door bestuurders te nemen

Bij elke beproeving of onderzoek van de mechanische en electrische inrichtingen van een trekvoertuig wordt door bestuurders gezorgd:

  • a.

    dat het trekvoertuig geplaatst is boven een droogliggenden werkkuil en in elk geval te bekwamer hoogte;

  • b.

    dat het trekvoertuig in allen deele in- en uitwendig behoorlijk gereinigd is;

  • c.

    dat alle voor het onderzoek of de beproeving benoodigde hulpmiddelen en inrichtingen benevens benoodigde hulpkrachten ter beschikking staan van den met het onderzoek of de beproeving belasten rijksambtenaar.

Artikel

38

Gebruik van buitenlandsche trekvoertuigen

D

Van rijtuigen en wagens

Artikel

39

Voorschriften betreffende de inrichting van rijtuigen en wagens

Artikel

40

Inzending van teekeningen van rijtuigen en wagens

Artikel

41

Eischen, waaraan electrische inrichtingen en leidingen aan, op of in rijtuigen en wagens moeten voldoen

Electrische inrichtingen en leidingen aan, op of in rijtuigen en wagens moeten aan dezelfde eischen voldoen als aan die inrichtingen en leidingen aan, op of in trekvoertuigen gesteld, met name in artikel 29 en artikel 34.

Artikel

42

Indienststelling van rijtuigen en wagens. Vaststelling maximum-belasting

Artikel

43

Wijziging van de inrichting van rijtuigen en wagens na de indienststelling

Wijzigingen van de inrichting van rijtuigen en wagens behoeven de instemming van den Minister, indien de constructie, naar het oordeel van de Minister, tengevolge van die wijzigingen niet meer zou overeenstemmen met die, op de in artikel 40 bedoelde teekeningen en schakelschema's aangegeven.

Artikel

44

Gebruik van buitenlandsche rijtuigen en wagens

E

Bepalingen van algemeenen aard

Artikel

45

Onderhoud van het materieel en onderzoek na de indienststelling

Artikel

46

Verplichtingen van bestuurders ten aanzien van onderzoekingen en beproevingen door de Minister

Voor alle onderzoekingen en beproevingen van rollend materieel of ketels, welke vóór of na de indienststelling door de Minister geschieden, worden door bestuurders de noodige hulpmiddelen, werktuigen en werklieden kosteloos beschikbaar gesteld.

Artikel

47

Rollend materieel van bijzondere inrichting

Artikel

48

Voorschriften betreffende de wielen der voertuigen

Artikel

49

Opschriften op het rollend materieel

Artikel

50

Omgrenzingsprofiel

Alle voertuigen, die in het voertuigpark van een tramwegdienst worden opgenomen, moeten blijven binnen het omgrenzingsprofiel, dat door den Minister bestuurders gehoord, wordt vastgesteld.

Artikel

51

Registers rollend materieel

Artikel

52

Materieel van spoorwegen, waarop dit reglement niet van toepassing is. Gebruik van materieel van een tramweg op een anderen tramweg

Afdeeling

III

Van de treinen

Artikel

53

Plaatsing van de trekvoertuigen in de treinen; plaats van den wagenvoerder

Artikel

54

Treinbeambten, treininrichting en treinlengte

Artikel

55

Remmen

Artikel

56

Snelheid

Artikel

57

Vervallen

Artikel

58

Nazien van de treinen

Bestuurders zorgen, dat elke trein, voordat hij het station, waar hij is samengesteld, verlaat, geheel wordt nagezien, waarbij er in het bijzonder op moet worden gelet, dat:

  • a.

    de voertuigen geene gebreken vertoonen, die voor de veiligheid van het verkeer gevaar kunnen opleveren;

  • b.

    het trekvoertuig en de andere voertuigen onderling goed gekoppeld zijn, hieronder mede gerekend alle gevorderde koppelingen voor doorgaande rem, electrische drijf-, rem-, stuur- of lichtstroom, enz.

  • c.

    de gevorderde seinmiddelen aanwezig en zoo noodig aangebracht zijn;

  • d.

    voor zoover de trein met doorgaand remwerk is uitgerust en het stelsel van de reminrichting eene beproeving bij stilstaanden trein toelaat, dit goed werkt.

Artikel

59

Verplichtingen van de machinist of de wagenvoerder bij het voeren van een trein

De machinist of de wagenvoerder is verplicht - in het bijzonder wanneer de trein zich bevindt op een voor het openbaar verkeer openstaande weg, alsmede bij de nadering van een niet beveiligde overweg, een niet beveiligd overpad of een andere niet beveiligde tramwegovergang, dan wel van een gedeelte van de tramweg dat in een voor het openbaar verkeer openstaande weg is gelegen - waarschuwingsseinen te geven, de snelheid tijdig te verminderen of de trein tot stilstand te brengen, wanneer de veiligheid van het verkeer zulks vordert.

Artikel

60

Wijze van rijden bij dubbel spoor

Waar dubbel spoor ligt, wordt onder gewone omstandigheden tusschen de stations en halten het ten opzichte van de richting van beweging rechts liggende spoor bereden. Bij werktreinen, bij hulptreinen, bij ongevallen en bij andere buitengewone omstandigheden kan onder verantwoordelijkheid van den beambte, die zulks beveelt, van dezen regel worden afgeweken.

Artikel

61

Afstand tusschen opeenvolgende treinen

Een trein mag een andere trein volgen als de afstand tussen beide treinen tenminste zodanig is dat een trein daarbinnen tot stilstand kan worden gebracht.

Artikel

62

Toezicht op trekvoertuigen in dienstvaardigen staat

Artikel

63

Rangeerende treinen

De bepalingen omtrent de treinen, vervat in de artikelen 9, 53 onder 1 en 2, 54, 55, 57 en 61 zijn niet van toepassing op rangeerende treinen.

Artikel

64

Maximum-belasting

Bestuurders zorgen, dat:

  • a.

    met de rijtuigen niet meer personen vervoerd worden dan krachtens artikel 42 in elk rijtuig of in elke afdeeling en op elk balcon mogen worden vervoerd;

  • b.

    de wagens niet beladen worden boven het draagvermogen, krachtens artikel 42 vastgesteld.

Artikel

65

Verlichting en verwarming

Artikel

66

Voorschriften betreffende treinen, geheel bestaande uit materieel van spoorwegen, voor welke geldt de wet van 9 April 1875 (Staatsblad n°. 67)

Afdeeling

IV

Bepalingen van verschillenden aard

Artikel

67

Eischen aan de beambten te stellen. Ontslag van ongeschikte beambten

Alle beambten, wier werkzaamheden op de veiligheid van het verkeer van invloed kunnen zijn, moeten kunnen lezen en schrijven alsmede een voldoend gehoorvermogen en een voldoende gezichtsvermogen bezitten, voor zoover zulks voor de behoorlijke uitoefening van hun dienst wordt vereischt.

Artikel

68

Bijzondere bepalingen voor den machinist of den wagenvoerder

Artikel

69

Gebruik van dienstvoertuigen

Dienstvoertuigen al of niet door mechanische kracht bewogen mogen op den tramweg slechts gebruikt worden onder verantwoordelijkheid van een begeleidenden beambte en zoodanig, dat het veilig en regelmatig verkeer over den tramweg daarvan geen nadeel ondervindt.

Artikel

70

Buitengewone omstandigheden en ongevallen

Artikel

71

Hulp bij ongevallen

Bestuurders moeten ten genoegen van de Minister de noodige maatregelen nemen, waardoor wordt verzekerd, dat bij een ongeval spoedig hulp kan worden verleend en zoo noodig de weg ontruimd en hersteld.

Artikel

72

Kennisgeving van ongevallen

Afdeeling

V

Dienst- en rusttijden

Artikel

73

Verklaring van in deze afdeeling gebezigde uitdrukkingen

In deze afdeeling wordt verstaan:

  • A.

    onder "beambten" alle personen, die bij eene tramwegonderneming in dienst zijn, met uitzondering van de personen, op wier arbeid van toepassing zijn de hoofdstukken IV en V der "Arbeidswet 1919" en van hen, te wier aanzien de Minister verklaart, dat aan toepasselijkheid van deze afdeeling geen behoefte bestaat;

  • B.

    onder "diensttijd" de tijdruimte, gelegen tusschen twee onafgebroken rusttijden en (of) rustdagen, als genoemd in de artikelen 75 en 76, na aftrek van de daarin gelegen rusttijden. Deze aftrek wordt niet toegelaten:

    voor rusttijden van minder dan een half uur;

    voor rusttijden, gelegen tusschen negen uur namiddag en negen uur voormiddag;

    voor rusttijden, welke niet op dienstrooster aangegeven, bij algemeene aanschrijving geregeld of op andere wijze vóór den aanvang van de dienstindeeling vastgesteld zijn;

    voor rusttijden van ander dan onderhoudspersoneel, welke niet op de standplaats genoten kunnen worden;

  • C.

    onder "rusttijd" of "rustdag" de tijdruimte, waarin de beambte geheel vrij is van elke bemoeienis met den tramweg;

  • D.

    onder "week" de kalenderweek;

  • E.

    onder "standplaats" de plaats of plaatsen, waar zich bevindt het kantoor, de werkplaats, het station, de halte of de post, het baanvak of het locomotiefdepot, waarbij het personeel is ingedeeld;

  • F.

    onder "jeugdige personen" beambten beneden 18 jaar.

Artikel

74

Diensttijden

Artikel

74bis

Nachtdienst

Behalve wanneer en voor zoover de Minister in bepaalde gevallen vergunning heeft gegeven, mogen

  • a.

    voor de beambten, genoemd in artikel 74, tweede lid, letter d, in een tijdvak van drie (3) achtereenvolgende weken niet meer dan twaalf (12) diensttijden geheel of gedeeltelijk gelegen zijn in de tijdruimte tusschen twaalf (12) uur des nachts en zes (6) uur des voormiddags;

  • b.

    voor de beambten, genoemd in artikel 74, tweede lid, letter e, in een tijdvak van drie (3) achtereenvolgende weken niet meer dan twaalf (12) diensttijden geheel of gedeeltelijk gelegen zijn in de tijdruimte tusschen twaalf (12) uur des nachts en vier (4) uur des voormiddags.

Artikel

75

Rusttijden en -poozen

Artikel

75a

Dienst doen van jeugdige personen

Artikel

76

Rustdagen en Zondagsrust

Artikel

78

Dienstroosters en dienstregisters

Artikel

79

Toegelaten afwijkingen

Afdeeling

VI

Maatregelen ter verzekering van het ordelijk verkeer

Artikel

80

Toegang tot de treinen en wachtlokalen

Artikel

81

Artikel

82

Vervallen

Artikel

83

Vervallen

Artikel

84

Vervallen

Afdeeling

VII

Bepalingen betreffende de aankondiging van de opening en van de regeling van den dienst

Artikel

85

Aankondiging van de opening en van de regeling van den dienst op den tramweg

Artikel

86

Aankondiging en kennisgeving van eene gewijzigde dienstregeling

Artikel

87

Aankondiging van de dienstregeling in de rijtuigen en wachtlokalen

Afdeeling

VIII

Bepalingen betreffende de openbaarmaking van de tarieven

Artikel

88

Vervallen

Artikel

89

Vervallen

Afdeeling

IX

Bepalingen betreffende de beëdiging van de beambten

Artikel

90

Vervallen

Artikel

91

Vervallen

Afdeeling

X

Slotbepalingen

Artikel

92

Verklaring van in dit reglement gebezigde uitdrukkingen

In dit reglement wordt verstaan onder:

Minister: de Minister, belast met de uitvoering van de wet van 9 April 1875 (Staatsblad n°. 67) en van de Locaalspoor- en Tramwegwet;

bestuurders: bestuurders van den tramwegdienst;

grootste toegelaten snelheid: de door den Minister ingevolge artikel 56 van dit reglement voor elken tramweg bepaalde grootste snelheid van vervoer;

trekvoertuig: het voertuig, waarvan de bewegende kracht uitgaat, al of niet tevens voor het vervoer van reizigers of (en) goederen ingericht;

machinist: de beambte, belast met de bediening van een door stoomkracht bewogen trekvoertuig;

wagenvoerder: de beambte, belast met de bediening van een door andere dan stoomkracht bewogen trekvoertuig;

trein: elk trekvoertuig in dienstvaardigen staat met of zonder andere voertuigen;

rijtuig: elk voertuig, geheel of gedeeltelijk ingericht voor het vervoer van reizigers;

wagen: elk voertuig, ingericht voor het vervoer van bagage, goederen of levende dieren of ingericht als postkantoor;

overweg: een gelijkvloerse kruising van een tramweg en een weg;

nacht: de tijd tussen vijftien minuten na zonsondergang en vijftien minuten vóór zonsopgang.

Artikel

93

Vervallen

Artikel

94

Beroep op den Minister van besluiten van den Directeur-Generaal

Vervallen

Artikel

95

Voorwaarden, welke aan ontheffingen worden verbonden

Artikel

95a

Gewijzigde toepassing van sommige artikelen van dit reglement

Artikel

96

Toepasselijkheid van het reglement op bestaande tramwegdiensten met andere dan stoomtrekkracht

Uiterlijk op 1 Mei 1921 moeten alle electrische en mechanische inrichtingen, aan, op of in trekvoertuigen, zoomede alle electrische inrichtingen aan, op of in rijtuigen en wagens voldoen aan de voorschriften van dit reglement, tenzij door den Minister van een dezer voorschriften tijdelijk ontheffing is verleend. In de ontheffing wordt behalve de voorwaarden, waaronder zij wordt verleend, tevens de termijn vermeld, waarvoor zij geldt.

Artikel

97

Toepasselijkheid van het reglement op buitenlandsche tramwegondernemingen

Ten aanzien van buitenlandsche tramwegondernemingen, welke haren dienst hier te lande uitoefenen, kunnen door den Minister afwijkingen van dit reglement worden toegestaan.

Artikel

98

Verkorte titel

Dit reglement kan worden aangehaald onder den titel "Tramwegreglement".

Onze Minister van Waterstaat is belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad geplaatst en in afschrift aan den Raad van State medegedeeld zal worden.

's-Gravenhage
WILHELMINA.
De Minister van Waterstaat, A. A. H. W. König.
De Minister van Justitie, Heemskerk.