Wet van 2 juli 1964, houdende Uitvoeringswet genocideverdrag

Uitvoeringswet genocideverdrag

Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is regelen te stellen tot uitvoering van het op 9 december 1948 te Parijs tot stand gekomen Verdrag nopens de voorkoming en de bestraffing van genocide en dat in verband daarmede de Wet Oorlogsstrafrecht, de Uitleveringswet en de Wet overlevering inzake oorlogsmisdrijven moeten worden gewijzigd;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk

I

Strafbepalingen

Artikel

1

Artikel

2

Met gelijke straf, als gesteld op de in het voorgaande artikel bedoelde feiten, wordt gestraft hij die opzettelijk toelaat dat een aan hem ondergeschikte een zodanig feit begaat.

Artikel

4

De bij de artikelen 1 en 2 strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.

Artikel

5

Artikel

5a

De misdrijven, omschreven in de artikelen 1 en 2 van deze wet, worden voor de toepassing van de Uitleveringswet niet beschouwd als strafbare feiten van politieke aard.

Hoofdstuk

II

Aanpassing van de bestaande wetgeving

Artikel

6

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Artikel

7

Vervallen

Artikel

8

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Hoofdstuk

III

Slotbepalingen

Artikel

9

Deze wet kan worden aangehaald als "Uitvoeringswet genocideverdrag".

Artikel

10

Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven ten Paleize Soestdijk
JULIANA.
De Minister van Justitie, Y. SCHOLTEN.
De Minister van Justitie, Y. SCHOLTEN.