Besluit van 21 december 1964, houdende uitvoering van artikel 9, eerste en derde lid, van de Mijnwet 1903 (Stb. 1904, 73)

Mijnreglement 1964

Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 25 maart 1964, no. 564/254, W.J.A./Mijnwezen;
De Raad van State gehoord (advies van 6 mei 1964, no. 33);
Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister van 18 december 1964, no. S64/1230, W.J.A./Mijnwezen;

Hebben goedgevonden en verstaan de volgende regeling vast te stellen:

Hoofdstuk

I

Algemene bepalingen

Artikel

1

Voor de toepassing van het bij of krachtens dit reglement bepaalde wordt verstaan onder:

mijnwerk: een geheel van werken, inrichtingen en terreinen als in artikel 9, eerste lid, van de Mijnwet 1903 (Stb. 1904, 73) bedoeld, met uitzondering van boorwerken;

ondergrondse werken: de tot mijnwerken behorende onder de grond gelegen werken en inrichtingen, alsmede de beneden de oppervlakte gelegen toegangen tot die werken en inrichtingen;

bovengrondse werken: de tot mijnwerken behorende overige werken en inrichtingen, alsmede de tot mijnwerken behorende terreinen;

schacht: een hellende of verticale verbinding van de oppervlakte met de tot een mijnwerk behorende onder de grond gelegen werken en inrichtingen;

opbraak: een verticale verbinding in de ondergrondse werken, die niet aan de oppervlakte uitmondt en die kan dienen voor vervoer;

tussenschacht: een opbraak, waarin ingevolge dit reglement personenvervoer geoorloofd is;

boorwerk: een geheel van werken, bestemd tot de machinale vervaardiging, de instandhouding en het gebruik van een of meer gaten in de aardbodem ten behoeve van het winnen of, door middel van het naar de oppervlakte voeren van grondmonsters, opsporen van delfstoffen als in artikel 9, eerste lid, van de Mijnwet 1903 bedoeld, alsmede de bij die werken behorende inrichtingen en terreinen;

mijnbouwinstallatie:

  • a.

    een op of boven de bodem van een oppervlaktewater geplaatste inrichting voor het door middel van een diepboring instellen van een mijnbouwkundig onderzoek of het winnen van delfstoffen;

  • b.

    een samenstel van op of boven de bodem van een oppervlaktewater geplaatste inrichtingen, waarvan er tenminste één aan de onder a gegeven omschrijving voldoet;

bemande mijnbouwinstallatie: een mijnbouwinstallatie, waarop een of meer personen aanwezig plegen te zijn voor het verrichten van uitsluitend of in hoofdzaak andere werkzaamheden dan het verrichten van incidentele onderhoudswerkzaamheden of bewakingsdiensten;

vervoer: het vervoeren van materieel, van materialen en van personen;

personenvervoer: het op vastgestelde tijdstippen per transportinrichting vervoeren van personen;

vervoer van personen: het anders dan op vastgestelde tijdstippen per transportinrichting vervoeren van personen;

verkeer: voetgangersverkeer; effectieve temperatuur: de klimaatgrootheid, welke met behulp van het nomogram, opgenomen in de bij dit reglement behorende bijlage, wordt bepaald uit de op eenzelfde tijdstip en plaats gemeten droge luchttemperatuur, natte luchttemperatuur en snelheid van de luchtstroom;

temperatuurindex: de grootheid, welke uit de op eenzelfde tijdstip en plaats gemeten droge luchttemperatuur (tl) en natte luchttemperatuur (tln), beide uitgedrukt in graden Celsius, wordt bepaald met behulp van de formule:

temperatuurindex = (42 tl - 8 tln) : (34 + tl - tln);

mijnonderneming: een onderneming, waartoe een mijn- of een boorwerk behoort of die voor eigen rekening mijnbouwkundige onderzoekingen verricht of zodanige onderzoekingen doet verrichten;

arbeidsplaats: elke plaats die bestemd is als lokatie voor werkplekken, voor activiteiten en installaties die rechtstreeks of indirect verband houden met winningsindustrieën die delfstoffen winnen met behulp van boringen, met inbegrip van eventuele verblijfsaccommodatie waartoe arbeiders in het kader van hun werk toegang hebben;

drinkwater: water dat bestemd is of mede bestemd is voor menselijke consumptie;

Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken.

Artikel

2

Indien uit de bewoordingen van een bepaling niet kan worden opgemaakt of deze geldt voor bovengrondse werken, ondergrondse werken, boorwerken of mijnbouwkundige onderzoekingen, wordt dit bepaald door de opschriften van hoofdstuk, paragraaf en afdeling, waarin de bepaling is opgenomen. Bevatten ook deze opschriften geen uitdrukkelijke aanduiding, dan geldt de bepaling algemeen.

Artikel

3

Indien een voorschrift in dit reglement een der termen: "veilig", "doelmatig" en "voldoende" inhoudt, kan Onze Minister terzake nadere regelen stellen.

Artikel

4

Vervallen

Artikel

5

Artikel

6

De in dit reglement voorziene beschikkingen, waarbij aanwijzingen worden gegeven voor bijzondere gevallen, bepalen, indien nodig, de termijn, waarbinnen de uitvoering moet zijn aangevangen, alsmede de termijn, waarbinnen zij moet zijn voltooid.

Artikel

7

Voor zover in dit reglement niet anders is bepaald, worden aanvragen om ontheffing of vergunning dan wel tot het nemen van enige andere in dit reglement voorziene beslissing tot Onze Minister gericht, doch ingediend bij de Inspecteur-Generaal der Mijnen.

Artikel

7a

Ter bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de arbeiders tijdens alle werkzaamheden dient elke bemande arbeidsplaats te allen tijde onder toezicht te staan van een verantwoordelijke persoon die voldoende hoedanigheden en bekwaamheden bezit om deze functie te vervullen.

Artikel

8

Artikel

8a

De kosten die zijn verbonden aan de naleving van de regels die bij of krachtens de bepalingen van dit besluit inzake de veiligheid, de hygiëne en de gezondheid op het werk zijn gesteld worden niet ten laste gebracht van door de mijnonderneming of de in artikel 12, eerste lid, bedoelde andere onderneming tewerkgestelde personen.

Artikel

9

Vervallen

Artikel

9a

Artikel

9b

Artikel

9c

Artikel

10

Artikel

11

Artikel

11a

Artikel

12

Artikel

13

Werkzaamheden op of in een mijnwerk, op een boorwerk of bij mijnbouwkundige onderzoekingen mogen, in geval zij aan een andere onderneming worden opgedragen, uitsluitend opgedragen worden aan ondernemingen, waarvan redelijkerwijs mag worden verwacht, dat zij de opgedragen arbeid naar behoren zullen verrichten.

Artikel

14

Artikel

14a

De bestuurders van een mijnonderneming of in artikel 12, eerste lid, bedoelde andere onderneming zijn verplicht te zorgen voor de veiligheid en de gezondheid van de arbeiders inzake alle met het werk verbonden aspecten.

Artikel

14b

Artikel

14ba

Artikel

14c

Bij de tenuitvoerlegging van de in artikel 14b, eerste lid, bedoelde maatregelen worden de volgende algemene preventieprincipes in acht genomen:

  • a.

    het voorkomen van risico's;

  • b.

    het evalueren van risico’s die niet kunnen worden voorkomen;

  • c.

    de bestrijding van de risico’s bij de bron;

  • d.

    de aanpassing van het werk aan de mens, met name wat betreft de inrichting van de arbeidsplaats en de keuze van werkuitrusting en werk- en produktiemethoden, met name om monotone arbeid en tempogebonden arbeid draaglijker te maken en de nadelige gevolgen daarvan voor de gezondheid te beperken;

  • e.

    het rekening houden met de ontwikkeling van de techniek;

  • f.

    de vervanging van wat gevaarlijk is door dat wat niet gevaarlijk of minder gevaarlijk is;

  • g.

    de planning van de preventie met het oog op een samenhangend geheel dat de volgende aspecten in de preventie integreert: techniek, organisatie van het werk, arbeidsomstandigheden, sociale betrekkingen en invloed van de omgevingsfactoren op het werk;

  • h.

    het geven van voorrang aan maatregelen inzake collectieve bescherming boven maatregelen inzake individuele bescherming;

  • i.

    het verstrekken van passende instructies aan de arbeiders.

Artikel

14d

Ter verzekering van de veiligheid en de gezondheid van de arbeiders worden de nodige maatregelen getroffen om ervoor te zorgen dat:

  • a.

    de arbeidsplaatsen zodanig worden ontworpen, gebouwd, uitgerust, in bedrijf gesteld, gebruikt en onderhouden dat arbeiders hun werk kunnen verrichten zonder gevaar voor hun veiligheid of gezondheid of de veiligheid of gezondheid van andere arbeiders;

  • b.

    wanneer bemande arbeidsplaatsen in gebruik zijn, toezicht wordt uitgeoefend door een verantwoordelijke persoon;

  • c.

    werkzaamheden waaraan een bijzonder risico is verbonden uitsluitend aan vakbekwaam personeel worden opgedragen en overeenkomstig de verstrekte instructies worden uitgevoerd;

  • d.

    alle veiligheidsinstructies voor alle betrokken arbeiders begrijpelijk zijn;

  • e.

    passende eerste-hulpvoorzieningen ter beschikking worden gesteld;

  • f.

    met regelmatige tussenpozen de nodige veiligheidsoefeningen worden gehouden.

Artikel

14e

De bestuurders van een mijnonderneming of in artikel 12, eerste lid, bedoelde andere onderneming moeten:

  • a.

    beschikken over een evaluatie van de risico’s voor de veiligheid en de gezondheid op het werk met inbegrip van de risico’s voor de groepen arbeiders met bijzondere risico's;

  • b.

    de te nemen beschermende maatregelen en, indien nodig, de te gebruiken beschermingsmiddelen vaststellen, en dit schriftelijk vastleggen;

  • c.

    een lijst bijhouden van arbeidsongevallen die voor een arbeider hebben geleid tot een arbeidsongeschiktheid van meer dan één werkdag.

Artikel

14f

Artikel

14g

De bestuurders van een mijnonderneming of in artikel 12, eerste lid, bedoelde andere onderneming moeten een veiligheids- en gezondheidszorgsysteem opstellen. Dit systeem omvat het geheel van beleid, organisatie, planning, uitvoering, monitoring, evaluatie, doorlichting en verbetering dat wordt gehanteerd voor de beheersing van de veiligheid en de gezondheid.

Artikel

14h

Artikel

14i

Artikel

14j

Artikel

14k

Onze Minister kan nadere regelen stellen ter zake van het in de artikelen 14a tot en met 14j bepaalde.

Artikel

15

De bescheiden, voorzien in het bij of krachtens dit reglement bepaalde, moeten op voldoend duidelijke wijze worden opgesteld, doelmatig worden ingericht, doelmatig worden bijgehouden en, behoudens voor wat de in artikel 14 bedoelde betreft, op door Onze Minister goedgekeurde plaatsen aanwezig zijn. Zij moeten, voor zover bij of krachtens dit reglement niet anders is bepaald, gedurende tenminste één jaar ter beschikking blijven.

Artikel

16

Vervallen

Artikel

17

Artikel

18

Artikel

18a

Hoofdstuk

IA

Raadpleging van en deelneming door de arbeiders

Artikel

18b

De bestuurders van de betrokken mijnonderneming of in artikel 12, eerste lid, bedoelde andere onderneming raadplegen over vraagstukken die betrekking hebben op de veiligheid en de gezondheid op het werk de betrokken arbeiders of hun vertegenwoordigers en geven hun het recht tot evenwichtige deelneming aan de behandeling daarvan en tot het doen van voorstellen daaromtrent.

Artikel

18c

De arbeiders, of hun vertegenwoordigers, met een specifieke taak op het gebied van de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de arbeiders hebben toegang tot alle nodige informatie betreffende, en worden vooraf tijdig geraadpleegd over:

  • a.

    alle maatregelen die van wezenlijke invloed kunnen zijn op de veiligheid en de gezondheid;

  • b.

    de aanwijzing van personen als bedoeld in de artikelen 9c, eerste lid, 176, eerste lid, onder c, 279, eerste lid, onder d, en 281, vierde lid, en van activiteiten als bedoeld in artikel 9c, eerste lid.

  • c.

    de toepassing van de artikelen 9b, tweede lid, 12, tweede lid, 14e en 278;

  • d.

    het aantal en de opleiding van de onder b bedoelde personen en het materiaal waarover zij kunnen beschikken;

  • e.

    de van de beschermings- en preventieactiviteiten van de Inspecteur-Generaal der Mijnen afkomstige informatie;

  • f.

    het eventuele beroep dat overeenkomstig artikel 9c, derde lid, wordt gedaan op deskundige personen of diensten van buiten de onderneming.

  • g.

    de opzet en organisatie van de in artikel 8, vijfde lid, bedoelde voorzieningen.

Artikel

18d

De in artikel 18c, aanhef, bedoelde arbeidersvertegenwoordigers hebben het recht de in artikel 18b bedoelde bestuurders te verzoeken passende maatregelen te nemen en hun in die zin voorstellen te doen, om alle risico’s voor de arbeiders te ondervangen of de bronnen van gevaar uit te schakelen.

Artikel

18e

De in artikel 18c, aanhef, bedoelde arbeiders en vertegenwoordigers mogen geen nadeel ondervinden van hun in de artikelen 18c en 18 d bedoelde activiteiten.

Artikel

18f

De in artikel 18b bedoelde bestuurders dienen de arbeidersvertegenwoordigers met een specifieke taak op het gebied van de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de arbeiders gedurende voldoende tijd met behoud van loon vrij te stellen van werk en de nodige middelen ter beschikking te stellen om het deze vertegenwoordigers mogelijk te maken de uit dit reglement voortvloeiende rechten en taken uit te oefenen respectievelijk te vervullen.

Artikel

18g

Hoofdstuk

II

Aanleg en inrichting van mijn- en boorwerken. Bescherming van delfstoffen

§ 1

Algemeen

Artikel

19

Mijn- en boorwerken moeten zodanig zijn ingericht, dat wordt voldaan aan de eis van goed en veilig werk.

Artikel

19a

Artikel

20

Artikel

21

Artikel

22

Wanneer de uitvoering van een werkplan gevaar voor de veiligheid kan opleveren, moet dit op verlangen en ten genoegen van Onze Minister worden gewijzigd.

§ 2

Bovengrondse werken en boorwerken

Afdeling 1

Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel

23

Artikel

23a

Artikel

23b

Artikel

24

Artikel

24a

Ramen, bovenlichtvoorzieningen en voorzieningen voor luchtverversing die geopend, geregeld of beveiligd kunnen worden, moeten op zodanige wijze geconstrueerd zijn dat deze handelingen op veilige wijze kunnen worden uitgevoerd. In geopende stand mogen zij geen gevaar opleveren voor de arbeiders. Ramen, bovenlichtvoorzieningen en voorzieningen voor luchtverversing moeten zonder gevaar kunnen worden schoongemaakt.

Artikel

24b

Afdeling 2

Bijzondere bepalingen voor boorwerken

Artikel

25

Op een boorwerk dient op een doelmatige plaats een doelmatig boorregister aanwezig te zijn.

Artikel

26

Een boorinstallatie, met alles wat daartoe behoort, moet in veilige en deugdelijke staat verkeren en geschikt zijn voor het doel, waarvoor zij wordt aangewend.

Artikel

27

Artikel

28

Diepboringen mogen niet worden aangevangen en door Onze Minister aan te wijzen onderdelen van boorwerken mogen niet worden tot stand gebracht of in stand gehouden binnen door hem te bepalen afstanden van:

  • a.

    opstallen, welke geen deel uitmaken van een boorwerk en waarin zich een stookplaats of een andere inrichting tot het maken van open vuur bevindt;

  • b.

    openbare wegen;

  • c.

    spoorwegen;

  • d.

    licht brandbare gewassen.

Artikel

29

Artikel

30

Bij een diepboring moeten doelmatige maatregelen worden genomen:

  • a.

    ter voorkoming van een onnodig verloren gaan van delfstoffen;

  • b.

    ter vermijding van het binnendringen van vloeistoffen of gassen in geologische formaties, waardoor de winning van delfstoffen zou kunnen worden geschaad.

Artikel

31

Artikel

32

Indien bij een diepboring een andere delfstof wordt aangetroffen dan die welke doel van de diepboring is, moeten de boorwerkzaamheden op zodanige wijze worden verricht, dat in het belang van de bescherming van delfstoffen voldoende gegevens omtrent het betrokken delfstofvoorkomen worden verkregen.

Artikel

32a

Artikel

32b

Artikel

33

Artikel

34

Artikel

35

Doelmatige maatregelen moeten worden genomen om te voorkomen, dat de winning van delfstoffen, waarvan de aanwezigheid is aangetoond of wordt vermoed, wordt belemmerd of geschaad.

Artikel

36

De afvoer van gassen, vloeistoffen en vaste stoffen moet op doelmatige wijze geschieden.

Afdeling 3

Bijzondere bepalingen voor mijnbouwinstallaties

Artikel

36a

Artikel

36b

Artikel

36c

Artikel

36d

Artikel

36da

Artikel

36db

Artikel

36dc

Artikel

36e

Artikel

36f

Een mijnbouwinstallatie moet zodanig zijn geconstrueerd, ingericht en worden onderhouden, dat wordt voldaan aan de eis van goed en veilig werk.

Artikel

36g

Artikel

36h

De dekken van een mijnbouwinstallatie moeten zodanig zijn ingericht, dat overkomend water voldoende kan afvloeien.

Artikel

36i

Artikel

36j

Artikel

36ja

Artikel

36jb

Artikel

36k

Artikel

36l

Artikel

36m

Artikel

36n

Artikel

36o

Artikel

36p

Het plaatsen van materieel of materialen op een mijnbouwinstallatie moet zodanig geschieden, dat de ten gevolge daarvan optredende krachten en spanningen zonder bezwaar in de constructie van de installatie kunnen worden opgenomen.

Artikel

36q

§ 3

Ondergrondse werken

Artikel

37

Artikel

38

Artikel

39

De ondergrondse werken moeten veilig worden aangelegd en uitgevoerd. Zij moeten zolang zij in gebruik zijn in voldoend veilige toestand worden gehouden.

Artikel

40

Artikel

41

De winningsplaatsen moeten zó ver van elkaar verwijderd blijven, dat gevaar voor in een winningsplaats aanwezige personen tengevolge van werkzaamheden in een andere winningplaats voldoende wordt vermeden.

Artikel

42

In de ondergrondse werken moeten zodanige voorzieningen worden getroffen, dat de waterafvoer voldoende is verzekerd en dat de voetpaden en de rails niet onder water staan.

Hoofdstuk

III

Verkeer en vervoer

§ 1

Bovengrondse werken en boorwerken

Artikel

43

Artikel

44

Artikel

45

De besturing en de bediening van het rollend materieel moeten door voldoend deskundig personeel geschieden.

Artikel

46

Vervallen

Artikel

47

Van alle bij het verkeer of vervoer voorgekomen bijzondere gebeurtenissen, die op de veiligheid van invloed kunnen zijn of zijn geweest, moet onverwijld mededeling worden gedaan aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen.

§ 2

Ondergrondse werken

Artikel

48

Artikel

49

Artikel

50

Artikel

51

Artikel

52

De wijze van delven, de bekleding, de indeling en de beveiliging van schachten, alsmede voorgenomen belangrijke wijzigingen van die bekleding, indeling of beveiliging moeten, nadat de plannen daartoe zijn vastgesteld, zo tijdig schriftelijk ter kennis van de Inspecteur-Generaal der Mijnen worden gebracht, dat deze zich daarvan vóór de aanvang der werkzaamheden een inzicht kan vormen.

Artikel

53

Artikel

54

Het is aan personen beneden 21 jaar verboden arbeid te verrichten als hersteller in schachten of in tussenschachten of andere opbraken.

Artikel

55

Schachten, tussenschachten en andere opbraken moeten regelmatig op doelmatige wijze worden geïnspecteerd.

Artikel

56

Artikel

57

Artikel

58

Artikel

59

De bestuurders van een mijnonderneming kunnen bepalen, dat de ophaalinstallaties in schachten en tussenschachten - buiten het geval van nood - slechts gedurende de door hen vastgestelde tijden voor personenvervoer en voor vervoer van personen beschikbaar zijn. De bij en krachtens artikel 325, eerste lid, aangewezen ambtenaren zijn evenwel bevoegd te allen tijde van bedoelde ophaalinstallaties gebruik te maken.

Artikel

60

Artikel

61

Onverminderd de voorwaarden, waaronder een vergunning als in artikel 60 bedoeld is verleend, gelden bij personenvervoer in schachten en tussenschachten met betrekking tot elke ophaalinstallatie de volgende bepalingen:

  • a.

    de ophaalmachine moet zijn voorzien:

    • 1.

      als de snelheid 6 meter of meer per seconde bedraagt:

      van een doelmatige snelheidsregelinrichting, snelheidsmeter, tachograaf, diepte-aanwijzer en meervoudig bedienbare reminstallatie;

    • 2.

      als de snelheid 2 of meer, doch minder dan 6 meter per seconde bedraagt:

      van een doelmatige snelheidsregelinrichting of een op de snelheid doelmatig reagerende veiligheidsinrichting, zomede van een doelmatige snelheidsmeter, diepte-aanwijzer en meervoudig bedienbare reminstallatie;

    • 3.

      als de snelheid minder dan 2 meter per seconde bedraagt:

      van een doelmatige snelheidsmeter, diepte-aanwijzer en reminstallatie;

  • b.

    de kooien moeten zodanig zijn ingericht, dat de zich daarin bevindende personen tijdens het vervoer doelmatig zijn beveiligd tegen aanraking met in de schacht of tussenschacht aanwezige, alsmede tegen vallende of wegvliegende voorwerpen;

  • c.

    doelmatige automatisch werkende inrichtingen moeten aanwezig zijn, die een te hoog ophalen of te diep zakken van de kooien voorkomen;

  • d.

    boven de hoogste en beneden de laagste bedrijfsstand van de kooien moet voldoende vrije ruimte zijn om een doelmatige werking van de onder c bedoelde inrichtingen te waarborgen;

  • e.

    de ophaalmachine, de kooien, de kabels, de seintoestellen en alle andere delen der ophaalinstallatie moeten op door Onze Minister te bepalen tijdstippen op doelmatige wijze door in het bijzonder daarmede belaste personen op deugdelijkheid worden onderzocht;

  • f.

    de verbindingsstukken, waarmede de kooi aan de kabel is bevestigd, moeten op door Onze Minister te bepalen tijdstippen worden vervangen door andere verbindingsstukken, waarvan hem de deugdelijkheid op voldoende wijze is aangetoond.

Artikel

62

Artikel

63

Artikel

64

Artikel

65

Elektrische seininrichtingen in schachten en in tussenschachten en andere opbraken moeten zodanig zijn uitgevoerd, dat:

  • a.

    het sein, met uitzondering van seinen, gegeven met een communicatiemiddel als in artikel 64, eerste lid, onder c, bedoeld, ook op de plaats van afgifte kan worden waargenomen;

  • b.

    een gelijktijdig seinen met een en dezelfde seininrichting van verschillende verdiepingen af niet mogelijk is;

  • c.

    op de plaats van ontvangst van een sein geen twijfel kan bestaan omtrent de plaats van afgifte daarvan.

Artikel

66

Onze Minister kan met betrekking tot en ten behoeve van de constructie, de uitvoering, het onderhoud en de controle van seininrichtingen in schachten en in tussenschachten en andere opbraken nadere regelen stellen.

Artikel

67

Het is verboden seininrichtingen in schachten of tussenschachten in gebruik te nemen zonder vergunning van Onze Minister.

Artikel

68

Artikel

69

Artikel

70

Artikel

71

Artikel

72

Artikel

73

Artikel

74

Artikel

75

Artikel

76

Artikel

77

Artikel

78

Artikel

79

Artikel

80

Artikel

81

Artikel

82

Artikel

83

In pijlers moet een doelmatig voetpad aanwezig zijn.

Artikel

84

Artikel

85

Artikel

86

Artikel

87

Personenvervoer en vervoer van personen zijn uitsluitend toegestaan, indien Onze Minister voor de transportinrichting of het transportmiddel, waarmede en, voor zover betreft personenvervoer, voor het traject, waarop dit vervoer zal plaats hebben, vergunning daartoe heeft verleend.

Artikel

88

Artikel

89

Het vervoer met behulp van locomotieven en andere voertuigen met stroomafnemers is verboden, tenzij Onze Minister daartoe vergunning heeft verleend. Een vergunning wordt uitsluitend verleend voor een bepaald traject.

Artikel

90

Bij mechanisch vervoer mag de aandrijfinrichting niet worden ingeschakeld of de vervoersinrichting niet in beweging worden gesteld dan nadat voldoende maatregelen zijn getroffen, die gevaar voor personen als gevolg van dat inschakelen onderscheidenlijk in beweging stellen voorkomen.

Artikel

91

Het vervoer moet worden gestaakt, zodra aan de vervoersinrichting of de vervoersweg gebreken, die gevaar voor personen kunnen veroorzaken, worden bemerkt.

Artikel

92

De bediening van inrichtingen van vervoer moet op veilige wijze geschieden door deskundige en daartoe voldoend geïnstrueerde personen.

Artikel

93

Artikel

94

Onverminderd het in artikel 75 bepaalde, moet van alle bij het verkeer of vervoer voorgekomen bijzondere gebeurtenissen, die op de veiligheid van invloed kunnen zijn of zijn geweest, onverwijld mededeling worden gedaan aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen.

Artikel

95

Het vervoer van materieel met behulp van handkracht moet op veilige wijze geschieden.

Artikel

96

Het gebruik van trekdieren in de ondergrondse werken is toegestaan; Onze Minister kan hieromtrent nadere regelen stellen.

Hoofdstuk

IV

Verlichting

§ 1

Bovengrondse werken, boorwerken en mijnbouwkundige onderzoekingen

Afdeling 1

Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel

97

Artikel

97a

Afdeling 2

Bijzondere bepaling voor bovengrondse werken

Artikel

98

Op de losvloer aan de schachtmond moet, voor zover de toegang tot de plaats niet is afgesloten, een voldoende en doelmatige verlichting aanwezig zijn.

Afdeling 3

Bijzondere bepaling voor mijnbouwinstallaties

Artikel

98a

§ 2

Ondergrondse werken

Artikel

99

Artikel

100

Locomotieven en andere, door Onze Minister aangewezen, voertuigen moeten van een doelmatige verlichting zijn voorzien.

Artikel

101

Als lampen ten behoeve van individuele verlichting mogen alleen worden gebruikt lampen, welke voldoen aan door Onze Minister daarvoor te stellen eisen inzake veiligheid en doelmatigheid.

Artikel

102

Artikel

103

Artikel

104

Artikel

105

Hoofdstuk

V

Werktuigen, gereedschappen, leidingen en toestellen

Artikel

106

Artikel

107

Artikel

108

Artikel

109

Artikel

109a

De bediening van een hijs- of hefwerktuig moet door voldoende deskundig personeel geschieden.

Artikel

110

Artikel

110a

Artikel

111

Artikel

112

Artikel

112b

Artikel

113

Het bij de arbeid tijdelijk buiten werking stellen of terzijde leggen van werktuigen, gereedschappen of andere voorwerpen moet zodanig geschieden, dat gevaar zoveel mogelijk wordt voorkomen. In het bijzonder moeten zo nodig maatregelen worden genomen tegen een onverwacht weer op gang komen van door een krachtwerktuig aangedreven werktuigen.

Artikel

113a

Artikel

113b

Artikel

113c

Hoofdstuk

VI

Elektrische installaties en elektrisch materieel

§ 1

Algemeen

Artikel

114

Artikel

115

Naar gelang van de aard en de mate van het ontploffingsgevaar kan Onze Minister de boven- en ondergrondse werken, boorwerken en mijnbouwkundige onderzoekingen of delen van die werken en onderzoekingen indelen in gevarenklassen.

Artikel

116

Artikel

117

Op verlangen van de Inspecteur-Generaal der Mijnen moet een certificaat van goedkeuring voor elektrisch materieel aan deze worden overgelegd.

§ 2

Ondergrondse werken

Artikel

118

Artikel

119

Uiterlijk op 1 maart van ieder kalenderjaar moet aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen een door Onze Minister te bepalen aantal exemplaren worden overgelegd van een voldoende uitgewerkt schema van het geheel van die elektrische installaties in de tot ieder mijnwerk behorende ondergrondse werken, waarvan de nominale spanningen de krachtens artikel 118, eerste lid, bepaalde grens overschrijden. Het schema moet de toestand op enig tijdstip tussen 15 en 31 december van het voorafgaande kalenderjaar weergeven.

Artikel

120

Onze Minister kan, wanneer in de ondergrondse werken plaatselijk gevaar bestaat voor het vrijkomen van grote hoeveelheden mijngas of kolenstof, het gebruik van elektriciteit daar ter plaatse verbieden of beperken.

Hoofdstuk

VII

Karteringen en metingen

§ 1

Karteringen

Artikel

121

Artikel

122

Artikel

123

Artikel

124

Bij een onderneming, waartoe een mijnwerk voor de ontginning van bruinkolen behoort, moeten aanwezig zijn:

  • a.

    kaarten van de oppervlakte als in artikel 121, eerste lid, onder a, bedoeld;

  • b.

    een laagplan, aangevende de begrenzing van de plaats gehad hebbende en de stand van de aan de gang zijnde ontginningswerken, welk plan moet zijn aangevuld met doorsneden, waarvan de ligging is vastgesteld in overleg met de Inspecteur-Generaal der Mijnen.

Artikel

125

Artikel

126

Artikel

127

De ontgonnen gedeelten moeten ten genoegen van de Inspecteur-Generaal der Mijnen op de plannen worden aangegeven, waarbij de data van de metingen moeten worden vermeld.

Artikel

128

Artikel

129

Artikel

130

Wanneer Onze Minister in kaarten, plannen, doorsneden of profielen onnauwkeurigheden, fouten of nalatigheden heeft aangetroffen, moeten de door hem aangegeven veranderingen en aanvullingen binnen een door hem vastgestelde termijn worden aangebracht.

Artikel

131

Op ondernemingen, waartoe behoort een mijn- of boorwerk voor de ontginning van andere dan de in de artikelen 121-124 genoemde delfstoffen, zijn de artikelen 121-130, naar gelang van de wijze van ontginning van de betrokken delfstof, van overeenkomstige toepassing.

§ 2

Metingen

Artikel

132

Artikel

133

Artikel

134

Artikel

135

Hoofdstuk

VIII

Het verlaten van werken, inrichtingen en terreinen

§ 1

Algemeen

Artikel

136

Het is verboden een mijnwerk, een boorwerk of een terrein, waar een mijnbouwkundig onderzoek werd of wordt verricht, te verlaten, voordat voldoende maatregelen zijn genomen ter voorkoming van het optreden van gevaar.

§ 2

Boorwerken

Artikel

137

Artikel

137a

Artikel

137b

Bij het verwijderen van een mijnbouwinstallatie moeten voldoende maatregelen worden genomen ter voorkoming van het optreden van gevaar.

§ 3

Ondergrondse werken

Artikel

138

Wanneer de ondergrondse werken in hun geheel of een belangrijk gedeelte daarvan voor langer dan zes maanden worden verlaten, moet hiervan, zo mogelijk tenminste een maand tevoren, schriftelijk mededeling worden gedaan aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen.

Artikel

139

Het is verboden enig gedeelte van de ondergrondse werken te verlaten, voordat dit is opgemeten en in tekening gebracht en de metingen in het meetregister zijn vermeld.

Artikel

140

Wanneer in strijd met het in artikel 139 bepaalde is gehandeld, kan Onze Minister bevelen de door hem aangewezen verlaten gedeelten van de ondergrondse werken, voor zover deze ontoegankelijk zijn, weder toegankelijk te maken voor het alsnog doen verrichten van metingen als in dat artikel bedoeld.

Artikel

141

De artikelen 139 en 140 zijn niet van toepassing indien langer verblijf ter plaatse gevaar oplevert; alsdan moet het nog niet opgemeten gedeelte van de ondergrondse werken onmiddellijk na het verlaten zo nauwkeurig mogelijk op de betrokken plannen worden aangegeven, mede op grond van gegevens van personen, die het laatst ter plaatse waren, en moet van het een en ander melding worden gemaakt in het meetregister.

Artikel

142

Artikel

142a

Artikel

142b

Indien de ondergrondse werken voorgoed worden verlaten en die werken grenzen aan de ondergrondse werken van een ander mijnwerk, moeten:

  • a.

    de bestuurders van de betrokken mijnonderneming aan de bestuurders van de mijnonderneming, waartoe het aangrenzende mijnwerk behoort, doelmatige hoogtelijn-plannen verstrekken, waaruit kan worden afgeleid het gevaar voor water- of drijfzanddoorbraken, dat door het verlaten van de desbetreffende ondergrondse werken voor de ondergrondse werken van het aangrenzende mijnwerk kan ontstaan;

  • b.

    de in het in artikel 142a, eerste lid, bedoelde sluitingsplan aan te geven maatregelen, voor zover betrekking hebbend op het voorkomen van gevaar als onder a bedoeld, zijn vastgesteld na onderling overleg tussen de bestuurders van de betrokken mijnondernemingen.

Artikel

142c

Zodra de ondergrondse werken zijn verlaten, moet aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen een rapport inzake de in verband met het verlaten uitgevoerde werkzaamheden worden toegezonden, onder overlegging van voldoende gegevens, die voor de veiligheid van belang kunnen zijn.

Artikel

142d

Artikel

143

Buiten gebruik gestelde schachten moeten op doelmatige wijze zijn afgesloten; de plaats van een dergelijke schacht moet aan de hand van de krachtens artikel 128, vierde lid, of 134, derde lid, aangewezen bescheiden kunnen worden nagegaan.

Hoofdstuk

VIII.A

Pijpleidingen ten behoeve van het winnen van delfstoffen

Artikel

143a

Artikel

143b

Wanneer het leggen van een pijpleiding als in artikel 143a bedoeld gevaar kan opleveren, kan Onze Minister bij een ten hoogste acht weken na de ontvangst door hem van de in artikel 143a, eerste lid, bedoelde mededeling aan de bestuurders van de betrokken mijnonderneming of in artikel 12, eerste lid, bedoelde andere onderneming toe te zenden beschikking bepalen, dat het leggen van die pijpleiding niet mag plaatsvinden dan langs een traject en op een minimale diepte in de bodem, zomede op een wijze, welke bij die beschikking zijn aangegeven.

Artikel

143c

Artikel

143d

Artikel

143e

Artikel

143f

Artikel

143g

Zodra lekkage van een pijpleiding als in artikel 143c, eerste lid, bedoeld wordt geconstateerd, moet deze zoveel mogelijk worden beperkt en moeten, tenzij de pijpleiding buiten gebruik wordt gesteld, onverwijld de nodige herstelwerkzaamheden worden uitgevoerd.

Hoofdstuk

IX

De veiligheid

§ 1

Algemeen

Artikel

144

Artikel

145

Artikel

146

Wanneer de algemene veiligheid dan wel de veiligheid op of in een mijnwerk, op een boorwerk of op een terrein, waar mijnbouwkundige onderzoekingen worden verricht, op enige wijze wordt bedreigd, alsmede wanneer een of meer personen zich in levensgevaar bevinden of bevonden hebben, zomede wanneer instortingen of andere belangrijke voorvallen hebben plaats gehad, die de veiligheid in gevaar hebben gebracht of hadden kunnen brengen, moet hiervan onverwijld mededeling worden gedaan aan de Inspecteur-Generaal der Mijnen.

Artikel

147

Wanneer naar het oordeel van Onze Minister hetzij voor de algemene veiligheid, hetzij voor de veiligheid op of in een mijnwerk of op een boorwerk of op een terrein, waar mijnbouwkundige onderzoekingen worden verricht, gevaar bestaat, kan hij maatregelen ter afwending van dat gevaar voorschrijven, de bestuurders van de betrokken mijnonderneming - behoudens in geval van onmiddellijk dreigend gevaar - gehoord.

Artikel

147a

Artikel

147b

Artikel

148

Artikel

149

Wanneer twee of meer arbeiders tot een groep verenigd arbeid verrichten, moet een van hen zijn aangewezen, teneinde toe te zien op al hetgeen nodig is om gevaar voor ongevallen te keren en de vereiste maatregelen te nemen.

Artikel

150

Artikel

151

Artikel

151a

Artikel

152

Artikel

152a

§ 2

Bovengrondse werken en boorwerken

Afdeling 1

Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel

153

Artikel

154

Artikel

155

Artikel

156

Het is verboden diepboringen te verrichten, waardoor de veiligheid in of op een bestaand mijn- of boorwerk kan worden bedreigd.

Afdeling 2

Bijzondere bepalingen voor boorwerken

Artikel

157

Artikel

158

Artikel

159

Indien een diepboring wordt verricht of door Onze Minister aan te wijzen onderdelen van boorwerken aanwezig zijn in dan wel binnen door hem te bepalen afstanden van een oppervlaktewater, waarop scheepvaart plaats vindt, welke de veiligheid van het boorwerk in gevaar kan brengen, moeten doelmatige maatregelen worden getroffen ter voorkoming van dat gevaar.

§ 3

Ondergrondse werken

Artikel

160

De ondergrondse werken en de daarin aanwezige inrichtingen moeten in veilige toestand verkeren. De aldaar toegepaste werkwijzen moeten voldoen aan de eis van goed en veilig werk.

Artikel

161

Er moeten voldoende maatregelen worden genomen tegen als gevolg van de winning optredende gevaren.

Artikel

161a

Indien in de ondergrondse werken werkzaamheden moeten worden verricht binnen een afstand van 100 meter van verlaten ondergrondse werken of van een verlaten gedeelte van ondergrondse werken, moeten doelmatige maatregelen worden genomen in het belang van de veiligheid.

Artikel

162

Bij het verrichten van boringen van de ondergrondse werken naar het dekterrein moeten voldoende maatregelen worden genomen tegen water- en drijfzanddoorbraken.

Artikel

163

Artikel

164

Naderen de werkzaamheden oude werken, storingen of waterhoudende gedeelten, dan moet tijdig worden voorgeboord en moeten tijdig voldoende maatregelen worden genomen ter voorkoming van gevaar.

Artikel

165

Artikel

166

Hoofdstuk

IX.A

Werkzaamheden onder water of onder druk

Artikel

166a

Voor de toepassing van het bij of krachtens dit hoofdstuk, zomede van het bij of krachtens de artikelen 229 en 229a bepaalde wordt onder het verrichten van werkzaamheden onder water of onder druk verstaan het verrichten van werkzaamheden, daaronder begrepen het in verband met het verrichten van werkzaamheden verblijven:

  • a.

    in een inrichting onder water, welke kunstmatig wordt geventileerd of waarin het voor ademhaling bestemde gasmensel wordt geregenereerd, dan wel

  • b.

    onder een druk, die hoger is dan de atmosferische druk.

Artikel

166b

Dit hoofdstuk geldt uitsluitend ten aanzien van het verrichten van werkzaamheden onder water of onder druk in verband met mijnbouwkundige onderzoekingen of de winning van delfstoffen in oppervlaktewateren.

Artikel

166c

Artikel

166d

Artikel

166e

Artikel

166f

Het verrichten van werkzaamheden onder water of onder druk moet onder toezicht van een daartoe door de bestuurders van de betrokken mijnonderneming aangewezen deskundig persoon geschieden door personen, die voldoende ervaring en deskundigheid bezitten om zodanige werkzaamheden te verrichten.

Artikel

166g

Artikel

166h

Het is aan een persoon beneden 18 jaar verboden werkzaamheden onder water of onder druk te verrichten.

Artikel

166i

Artikel

166j

Artikel

166k

Het is verboden bij het verrichten van werkzaamheden onder water of onder druk zonder vergunning van Onze Minister elektrisch te lassen of te snijden.

Artikel

166l

Een ieder, die met het verrichten van werkzaamheden onder water of onder druk is belast, dan wel direct bij het verrichten van die werkzaamheden is betrokken, moet in het bezit zijn van een door Onze Minister goedgekeurde schriftelijke instructie, vermeldende hetgeen bij die werkzaamheden behoort te worden nagekomen of nagelaten in het belang van de veiligheid en ter voorkoming van lichamelijke schade.

Artikel

166m

Hoofdstuk

X

Ontplofbare en andere gevaarlijke stoffen

Artikel

167

Artikel

168

Artikel

169

Artikel

170

Artikel

171

Artikel

172

Het medenemen van ontplofbare stoffen en ontstekers uit een magazijn en het overbrengen naar de werkpunten en omgekeerd, zomede het bewaren bij de werkpunten, moeten op veilige en doelmatige wijze geschieden.

Artikel

173

Artikel

174

Voor en na het afvuren van ladingen moeten doelmatige veiligheidsmaatregelen worden genomen.

Artikel

175

Artikel

176

Artikel

176a

Niet-automatische brandbestrijdingsmiddelen moeten gemakkelijk bereikbaar en te bedienen zijn en zo nodig tegen beschadiging zijn beveiligd.

Artikel

177

Artikel

178

Op of nabij een plaats en in of nabij een ruimte, waar ontplofbare of licht ontvlambare stoffen kunnen ontstaan of kunnen worden verkregen, behandeld, verwerkt, gebezigd, vervoerd of opgeslagen, moeten doelmatige en in goede staat van onderhoud verkerende middelen voor brandblussing of branddoving beschikbaar zijn, die telkens na verloop van ten hoogste een jaar op hun bruikbaarheid moeten worden onderzocht.

§ 2

Bovengrondse werken en boorwerken

Afdeling 1

Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel

179

Artikel

180

Een acetyleenontwikkelaar moet zodanig zijn opgesteld en worden bediend, dat:

  • a.

    noch in de ruimte, waarin deze zich bevindt, noch in andere ruimten acetyleengas zich in die mate kan ophopen, dat met de lucht een explosief mengsel kan worden gevormd;

  • b.

    ontsteking van eventueel ontsnapt gas met zekerheid wordt voorkomen.

Artikel

181

De door Onze Minister daartoe aangewezen onderdelen van bovengrondse werken en boorwerken dienen doelmatig te zijn geaard of anderszins tegen blikseminslag te zijn beveiligd.

Afdeling 2

Bijzondere bepalingen voor bovengrondse werken

Artikel

182

Artikel

183

Artikel

184

Artikel

185

§ 3

Ondergrondse werken

Artikel

186

Artikel

187

Artikel

188

Artikel

189

Het is verboden in de ondergrondse werken te roken, zomede rookmateriaal, rookgereedschap, lucifers of aanstekers mede te nemen of bij zich te hebben.

Artikel

190

Artikel

191

Artikel

192

Ten aanzien van mijnwerken of gedeelten daarvan, die bijzondere gevaren voor mijngas- of kolenstofontploffingen of voor zelfontbranding opleveren, moeten doelmatige maatregelen worden genomen ter afwending van die gevaren en ter beperking van de gevolgen daarvan.

Artikel

193

Artikel

194

Hoofdstuk

XII

De luchtverversing in de ondergrondse werken

Artikel

195

De luchtverversing moet zodanig zijn, dat tenminste 3 m3 verse lucht per man en per minuut aan de ondergrondse werken wordt toegevoerd.

Artikel

196

Artikel

197

Artikel

198

Artikel

199

Wanneer in een deel van de ondergrondse werken zich plaatselijk mijngas heeft verzameld in een hogere concentratie dan het krachtens artikel 200 voor dat deel geldende percentage, moet de ter plaatse verantwoordelijke toezichthoudende persoon hiervan terstond in kennis worden gesteld. Deze moet maatregelen nemen om het mijngas op veilige wijze afdoende te verwijderen of te isoleren.

Artikel

200

Artikel

201

Artikel

202

Artikel

203

Schadelijke gassen moeten worden afgevoerd met inachtneming van door Onze Minister te stellen nadere regelen.

Artikel

204

Artikel

205

Artikel

206

Artikel

207

Artikel

208

Artikel

209

Kortsluiting tussen een intrekkende en een uittrekkende luchtstroom, waardoor een deel van de ondergrondse werken van luchtverversing kan worden verstoken, moet door doelmatige afscheiding worden voorkomen.

Artikel

210

Artikel

211

Artikel

212

Artikel

213

Artikel

214

Artikel

215

Indien de beïnvloeding van de hoedanigheid van de lucht door bijmenging van mijngas of een ander gas of de snelheid van de luchtstroom daartoe naar het oordeel van Onze Minister aanleiding geeft, dienen doelmatige voorzieningen te worden getroffen ten aanzien van het gebruik van elektriciteit en van verbrandingsmotoren.

Artikel

216

Artikel

217

Artikel

218

Van de veiligheidslampen met vlam moet een voldoende aantal op doelmatig gekozen plaatsen voor onmiddellijk gebruik gereed in reserve worden gehouden.

Artikel

219

Artikel

220

Op elk mijnwerk moeten met de dagelijkse controle op de luchtverversing als hun hoofdtaak zijn belast een of meer personen, die in deze controle voldoende geïnstrueerd en deskundig zijn.

Artikel

221

Op elk mijnwerk moet bovengronds een zelfregistrerende barometer aanwezig zijn. De verantwoordelijke toezichthoudende personen van de ondergrondse werken moeten in de gelegenheid zijn zich van de barometerstand op de hoogte te houden.

Artikel

222

Hoofdstuk

XIII

Gezondheid en hygiëne

§ 1

Algemeen

Artikel

223

Artikel

224

Artikel

225

Artikel

226

De bedrijfsgeneeskundige dienst bevordert, in verband met de arbeid en het arbeidsmilieu in de mijnonderneming of de mijnondernemingen, waaraan hij is verbonden, de maatregelen, welke een doeltreffende preventieve gezondheidszorg in die onderneming of ondernemingen verzekeren. Dienovereenkomstig omvat zijn taak:

  • a.

    het verrichten van geneeskundig onderzoek bij het indiensttreden van de arbeider;

  • b.

    het verrichten van een geneeskundig onderzoek als in artikel 229 bedoeld, zomede van een geneeskundige controle krachtens een andere regeling als in het zesde lid van dat artikel bedoeld;

  • c.

    het verrichten van geneeskundig onderzoek van arbeiders, anders dan onder a en b bedoeld;

  • d.

    het doen van aanbevelingen tot het voorkomen van beroepsziekten;

  • e.

    het medewerken aan het bestrijden van ongevallen;

  • f.

    het medewerken aan revalidatie in het bedrijf;

  • g.

    het medewerken aan het weren en bestrijden van schadelijke invloeden, waaraan de arbeider in verband met zijn arbeid kan zijn blootgesteld, zoals van schadelijke gassen, dampen, nevels, stralingen, schadelijke stof, schadelijk of hinderlijk geluid dan wel andere schadelijke of hinderlijke trillingen;

  • h.

    het houden van toezicht aangaande de omstandigheden, waaronder de arbeid wordt verricht, zoals temperatuur, vochtigheid, luchtbeweging, verlichting, lawaai, zindelijkheid en het optreden van stof;

  • i.

    het houden van toezicht aangaande schadelijke invloeden, welke de arbeider kan ondervinden door de aard van zijn arbeid, zijn werktijden, zijn arbeidsmilieu of het arbeidstempo, zoals invloeden tengevolge van ploegenarbeid, stukwerk, of het automatiseren van het produktieproces;

  • j.

    het medewerken aan het bevorderen van goede arbeidsverhoudingen in de mijnonderneming;

  • k.

    het houden van een bedrijfsgeneeskundig spreekuur;

  • l.

    het verlenen van eerste hulp bij ongevallen of ziekte, het doen van aanbevelingen tot het organiseren van de eerste-hulpdienst en tot het plaatsen van het aan deze dienst verbonden personeel, alsmede het opleiden en het instrueren van dit personeel;

  • m.

    het medewerken aan het verrichten van arbeidsanalyse;

  • n.

    het medewerken aan het bestrijden van ziekteverzuim;

  • o.

    het optreden als medisch adviseur van sociale fondsen en instellingen;

  • p.

    het doen van andere aanbevelingen en het verrichten van andere werkzaamheden, die aan het in dit artikel gestelde doel dienstbaar kunnen zijn.

Artikel

227

Artikel

228

Artikel

229

Artikel

229a

Artikel

230

Artikel

231

Artikel

232

Artikel

232a

Artikel

233

Artikel

234

Artikel

234a

Artikel

234b

Artikel

234c

Artikel

235

Vaste, vloeibare en gasvormige stoffen, die giftig of bijtend zijn of anderszins gevaar kunnen opleveren, moeten op veilige wijze worden bewaard, vervoerd, verwerkt en gebruikt.

Artikel

236

Artikel

236a

Artikel

236b

Artikel

236c

Artikel

236d

In gevallen waarin personen die bijzondere taken uitvoeren in verband met het uitvoeren van deze taken moeten verblijven op plaatsen waar het niveau van het geluid van dag tot dag sterk varieert en het redelijkerwijze niet kan worden gevergd dat de in artikel 236b, derde en vierde lid, bedoelde voorzieningen en maatregelen aangebracht, onderscheidenlijk genomen worden, gelden de volgende voorschriften:

  • a.

    het gemiddelde niveau van het geluid, berekend of gemeten over een periode van een week, mag de voor artikel 236b, vijfde lid, vastgestelde niveau van schadelijk geluid niet overschrijden, tenzij zulks redelijkerwijze niet kan worden gevergd.

  • b.

    met regelmatige tussenpozen, doch in elk geval indien er voor het geluid op de arbeidsplaats relevante veranderingen plaatsvinden in de arbeid of de omstandigheden waaronder deze arbeid wordt verricht, moet worden gecontroleerd of nog wordt voldaan aan het in onderdeel a genoemde voorschrift.

Artikel

236e

Artikel

236f

§ 2

Bovengrondse werken, boorwerken en mijnbouwkundige onderzoekingen

Afdeling 1

Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel

237

Artikel

238

Artikel

239

Artikel

240

Artikel

241

Doelmatige metingen moeten worden verricht om te kunnen beoordelen of aan het bij of krachtens de artikelen 238-240 bepaalde wordt voldaan. Onze Minister kan bepalen, waar en wanneer deze metingen moeten worden verricht.

Artikel

242

Artikel

243

Artikel

244

Wanneer een persoon aan grote temperatuurwisselingen is blootgesteld, moeten doelmatige maatregelen worden genomen, teneinde hem tegen de nadelige invloeden daarvan te beschutten.

Artikel

245

Een persoon, wiens werkzaamheden hem blootstellen aan aanraking met koude of natte oppervlakken, aan bespatting door water of aan regen, moet wanneer daarvan nadelige invloeden kunnen worden verwacht, tegen deze invloeden voldoende worden beschut.

Artikel

246

Artikel

247

Artikel

247a

Artikel

247b

Artikel

248

Artikel

248a

Afdeling 2

Bijzondere bepalingen voor bovengrondse werken en boorwerken

Artikel

249

Artikel

249a

Artikel

250

§ 3

Ondergrondse werken

Artikel

251

Artikel

252

Artikel

252a

Artikel

253

Artikel

254

Artikel

255

Artikel

256

Voor personen, die, ondanks de in artikel 236, eerste lid, bedoelde kleding en middelen, onvoldoende beschermd zijn tegen water, mag het ononderbroken verblijf in de ondergrondse werken, in de zin van artikel 282, niet langer duren dan 6 uur.

Hoofdstuk

XIV

Bescherming tegen de gevaren van toestellen, welke ioniserende stralen uitzenden, en van radioactieve stoffen

Artikel

257

Vervallen

Artikel

258

Vervallen

Artikel

259

Vervallen

Artikel

260

Vervallen

Artikel

261

Vervallen

Artikel

262

Vervallen

Artikel

263

Vervallen

Artikel

264

Vervallen

Artikel

265

Vervallen

Artikel

266

Vervallen

Artikel

267

Vervallen

Artikel

268

Vervallen

Artikel

269

Vervallen

Artikel

270

Vervallen

Artikel

271

Vervallen

Artikel

272

Vervallen

Artikel

273

Vervallen

Artikel

274

Vervallen

Artikel

275

Vervallen

Artikel

276

Vervallen

Artikel

277

Vervallen

Hoofdstuk

XV

Ongevallen en reddingsmaatregelen

Artikel

278

Artikel

278a

Wanneer de veiligheid en de gezondheid van de arbeiders dat vereisen, moeten verzamelpunten worden vastgesteld, moet een verlaatrol worden bijgehouden en moeten de hiervoor noodzakelijke maatregelen worden getroffen.

Artikel

279

Artikel

279a

Artikel

279b

De in artikel 279, zesde lid, bedoelde bijstandsboten moeten doelmatig zijn ontworpen en uitgerust en moeten voldoen aan de eisen in verband met evacuatie en redding.

Artikel

280

Artikel

281

Hoofdstuk

XVI

De arbeid

§ 1

Algemeen

Artikel

282

Artikel

283

Vervallen

Artikel

284

Vervallen

Artikel

285

Vervallen

Artikel

286

Vervallen

Artikel

287

Vervallen

Artikel

288

Vervallen

Artikel

289

Vervallen

Artikel

289a

Vervallen

Artikel

290

Artikel

290a

Artikel

290b

Een arbeider beneden 18 jaar mag geen arbeid verrichten:

  • a.

    welke meebrengt, dat hij veelvuldig zware lasten moet heffen of dragen, of dat hij gedurende langere tijd achtereen ongunstige werkhoudingen moet aannemen;

  • b.

    welke door de daarbij gevergde inspanning tot een belastingsgraad leidt, die ten aanzien van hem onaanvaardbaar is te achten;

  • c.

    bestaande in machinegebonden werkzaamheden, waaronder begrepen werkzaamheden aan de lopende band, waarbij hij regelmatig terugkerende handelingen moet verrichten op tijdstippen, welke door de machine zodanig worden bepaald, dat kennelijk of naar door Onze Minister is verklaard, de binding van de arbeider aan het arbeidsproces schadelijk is voor zijn gezondheid of lichamelijke ontwikkeling.

Artikel

290c

Artikel

290d

Artikel

290e

Een arbeider beneden 18 jaar mag geen arbeid verrichten:

  • a.

    aan of in de nabijheid van toestellen, leidingen, ketels of reservoirs, waarbij het gevaar bestaat, dat daarin een explosief mengsel aanwezig is;

  • b.

    op of in de nabijheid van plaatsen, waar gevaar bestaat voor het ontstaan van een explosief mengsel;

  • c.

    met of in de nabijheid van een stof, waarbij het gevaar bestaat, dat zij ten gevolge van, onder invloed van of bij warmte, wrijving, vuur, een vonk, een slag of een stoot plotseling een chemische reactie geeft, waarbij binnen zeer korte tijd grote hoeveelheden gas of warmte vrijkomen;

  • d.

    met een stof, die bij aanraking met water brandgevaar oplevert of een gas ontwikkelt, dan wel die aan zelfontbranding onderhevig is;

  • e.

    met een oxydatiemiddel of een organische peroxydverbinding, voor zover bij deze arbeid brand- of explosiegevaar aanwezig is;

  • f.

    bij opslag, vervoer of gebruik van ontplofbare stoffen of ontstekingsmiddelen.

Artikel

290f

Artikel

290g

De bij de artikelen 290, eerste lid, 290a, eerste lid, 290b, 290c, eerste lid, 290d, eerste lid, en 290e gestelde verboden gelden niet voor arbeid, die voor een arbeider beneden 18 jaar volstrekt noodzakelijk is in het kader van een bij of krachtens een wet geregelde beroepsopleiding, dan wel een voor de toepassing van dit artikel door Onze Minister daarmee gelijkgestelde beroepsopleiding, indien daarbij in voldoende mate deskundig toezicht wordt uitgeoefend door de in artikel 9c, eerste lid, bedoelde arbeiders of de in artikel 9c, derde lid, bedoelde deskundigen.

Artikel

291

Vervallen

Artikel

291a

Artikel

291b

Artikel

291c

Artikel

291d

§ 2

Bovengrondse werken en boorwerken

Afdeling 1

Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel

292

Vervallen

Artikel

293

Vervallen

Artikel

294

Vervallen

Artikel

295

Vervallen

Artikel

296

Vervallen

Artikel

297

Vervallen

Artikel

298

Vervallen

Artikel

299

Vervallen

Artikel

300

Vervallen

Artikel

301

Vervallen

Artikel

302

Vervallen

Artikel

303

Vervallen

Artikel

304

Vervallen

Artikel

305

Vervallen

Artikel

306

Vervallen

Artikel

307

Vervallen

Artikel

308

Vervallen

Afdeling 2

Bijzondere bepalingen voor boorwerken

Artikel

309

Vervallen

Artikel

310

Vervallen

§ 3

Ondergrondse werken

Artikel

311

Artikel

312

Houwersarbeid mag zelfstandig slechts worden verricht door een arbeider, die:

  • a.

    de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt, en

  • b.

    tenminste 3 jaar in mijnen ondergronds werkzaam is geweest, waarvan tenminste 1 jaar als hulphouwer.

Artikel

313

Artikel

314

Vervallen

Artikel

315

Een arbeider beneden 18 jaar mag niet in de ondergrondse werken verblijven tussen 22 en 6 uur.

Artikel

316

Artikel

317

Artikel

318

Vervallen

Artikel

319

Vervallen

Artikel

320

Aan een arbeider, die langer dan 5 uur ononderbroken in de ondergrondse werken verblijft, moet voldoende gelegenheid tot persoonlijke verzorging worden gegeven.

Artikel

321

Vervallen

Hoofdstuk

XVII

Mijnbouwkundige onderzoekingen anders dan door middel van een boorwerk

Artikel

322

Artikel

322a

Artikel

323

Op mijnbouwkundige onderzoekingen als bedoeld in artikel 322, eerste lid, zijn de artikelen 18, 145, 156, 158, derde lid, en 179 van overeenkomstige toepassing.

Artikel

323a

Artikel

323b

Hoofdstuk

XVIII

Het Staatstoezicht op de Mijnen

Artikel

324

Artikel

325

Artikel

326

Artikel

327

Met de opsporing van overtredingen van de bij of krachtens de Mijnwet 1903 gestelde voorschriften en voorwaarden en van artikel 5 der wet van 21 april 1810 (Bulletin des Lois no. 285) zijn belast de bij en krachtens artikel 325, eerste lid, aangewezen ambtenaren.

Artikel

328

Het is verboden aan de in artikel 324, derde lid, bedoelde adviseurs de toegang tot de in artikel 12, eerste lid, van de Mijnwet 1903 genoemde werken en inrichtingen of het gebruik van de daarin bedoelde toestellen te weigeren.

Artikel

329

Artikel

330

Vervallen

Artikel

331

Onze Minister stelt voor de Inspecteur-Generaal der Mijnen, zomede voor de krachtens artikel 325, eerste lid, aangewezen ambtenaren instructies vast.

Hoofdstuk

XIX

Artikel

332

Vervallen

Artikel

333

Vervallen

Artikel

334

Vervallen

Hoofdstuk

XX

Voorkomen van het veroorzaken van gevaar, schade of hinder door inrichtingen

Artikel

335

Vervallen

Artikel

336

Vervallen

Artikel

337

Vervallen

Artikel

338

Vervallen

Artikel

339

Vervallen

Artikel

340

Vervallen

Artikel

341

Vervallen

Artikel

342

Vervallen

Artikel

343

Vervallen

Artikel

344

Vervallen

Artikel

345

Vervallen

Artikel

346

Vervallen

Artikel

346a

Vervallen

Artikel

347

Vervallen

Artikel

348

Vervallen

Artikel

349

Vervallen

Artikel

350

Vervallen

Artikel

351

Vervallen

Artikel

351a

Vervallen

Artikel

352

Vervallen

Artikel

353

Vervallen

Artikel

354

Vervallen

Hoofdstuk

XXI

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel

356

Artikel

357

Vervallen

Artikel

358

Dit besluit kan worden aangehaald onder de titel Mijnreglement, met vermelding van het jaar, waarin het is tot stand gekomen.

Artikel

359

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad, waarin het wordt geplaatst.

Onze Minister van Economische Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

Soestdijk
JULIANA.
De Minister van Economische Zaken, J. E. ANDRIESSEN.
De Minister van Justitie a.i., E. H. TOXOPEUS.

Bijlage

behorende bij het Mijnreglement 1964

Nomogram voor de afleiding van de effectieve temperatuur in °C basic scale