Wet van 6 oktober 1966, houdende nieuwe regeling van het kwekersrecht, alsmede van het verkeer met teeltmateriaal van landbouw- en tuinbouwgewassen

Zaaizaad- en Plantgoedwet

Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een nieuwe regeling van het kwekersrecht, alsmede van het verkeer met teeltmateriaal van landbouw- en tuinbouwgewassen vast te stellen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk

I

Begripsbepalingen

Artikel

1

Deze wet verstaat onder:

"Onze Minister": Onze Minister van Landbouw en Visserij;

"de Raad": De Raad voor het Kwekersrecht, genoemd in artikel 5;

"Unie": Unie tot bescherming van kweekprodukten, gevormd door de staten die partij zijn bij het Internationaal Verdrag tot bescherming van kweekprodukten, gesloten te Parijs op 2 december 1961.

"Unie-Staat": een Staat, welke deel uitmaakt van de Unie.

Artikel

2

Deze wet verstaat onder:

ras: een plantengroep binnen één botanisch taxon van de laagst bekende rang, welke groep, ongeacht of volledig wordt voldaan aan de voorwaarden welke deze wet stelt voor de verlening van een kwekersrecht, kan worden

  • gedefinieerd aan de hand van de expressie van de eigenschappen die het resultaat is van een bepaald genotype of een combinatie van genotypen;

  • onderscheiden van elke andere plantengroep op grond van de expressie van tenminste één van die eigenschappen en

  • beschouwd als een eenheid, gezien zijn geschiktheid om onveranderd te worden vermeerderd;

"teeltmateriaal": planten en plantedelen, welke bestemd zijn om door middel van uitplant, uitzaai of op andere wijze voor de teelt van gewassen te dienen;

"verhandelen": te koop aanbieden, verkopen en afleveren;

"in het verkeer brengen": voor de eerste maal verhandelen.

Artikel

3

Hoofdstuk

II

Het Nederlands Rassenregister en de Raad voor het Kwekersrecht

Artikel

4

Artikel

5

Artikel

6

Artikel

7

Artikel

8

Artikel

9

Artikel

10

Artikel

11

De voorzitter, vice-voorzitters, leden, secretaris en adjunct-secretarissen zijn verplicht het geheim te bewaren omtrent hetgeen hun in die hoedanigheid bekend wordt alsmede omtrent de gevoelens bij de behandeling ener zaak geuit.

Artikel

12

De in het vorige artikel bedoelde personen mogen niet deelnemen aan de behandeling van zaken, waarbij zij in enig opzicht betrokken zijn.

Artikel

13

Onze Minister stelt regelen vast voor de vergoeding van reis- en verblijfkosten en voor de uitkering van een vacatiegeld aan de voorzitter, de vice-voorzitters en de leden. Aan de voorzitter en de vice-voorzitters kan Onze Minister in plaats van een vacatiegeld een vaste jaarlijkse vergoeding toekennen.

Artikel

14

Artikel

15

Artikel

16

Artikel

17

Alle stukken gericht tot en uitgaande van de Raad zijn vrij van zegel en van de formaliteit van registratie.

Hoofdstuk

III

De inschrijving van rassen in het Nederlands Rassenregister

Artikel

18

Artikel

19

Artikel

20

Artikel

21

Artikel

22

Artikel

23

Artikel

24

Artikel

25

Vervallen

Artikel

26

Artikel

27

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften gegeven met betrekking tot:

  • a.

    de in dit Hoofdstuk bedoelde aanvragen en verzoeken;

  • b.

    de bepaling van het tijdstip, waarop de onder a bedoelde aanvragen en verzoeken geacht worden bij de Raad te zijn ingediend;

  • c.

    het horen van belanghebbenden in gevallen waarin afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is.

Artikel

28

De in dit Hoofdstuk bedoelde inschrijvingen en aantekeningen krachtens beslissingen, waartegen beroep openstaat, geschieden, zodra op het beroep is beslist of de beroepstermijn verstreken is, zonder dat beroep is ingesteld, dan wel zodra van het beroep afstand is gedaan door een schriftelijke daartoe strekkende kennisgeving aan de Raad.

Hoofdstuk

IV

Het kwekersrecht

Afdeling

I

De aanspraak op verlening van kwekersrecht

Artikel

29

Artikel

30

Artikel

31

Artikel

32

Indien twee of meer personen, anders dan in het geval bedoeld in artikel 31, in samenwerking een nieuw ras hebben gekweekt dan wel ontdekt en ontwikkeld, hebben zij gezamenlijk aanspraak op verlening van kwekersrecht.

Artikel

33

Indien ingevolge het bepaalde in artikel 30 twee of meer personen onafhankelijk van elkaar aanspraak op verlening van kwekersrecht voor een zelfde nieuw ras zouden kunnen maken, komt de aanspraak op verlening van kwekersrecht toe aan hem, die het eerst een aanvrage daartoe heeft ingediend.

Artikel

34

Afdeling

II

De verlening van kwekersrecht

Artikel

35

Artikel

36

Van de aanvrage alsmede van de intrekking en de afwijzing van een aanvrage wordt aantekening gedaan in het Nederlands Rassenregister.

Artikel

36a

Artikel

37

Artikel

38

Bij algemene maatregel van bestuur kan ten aanzien van groepen van cultuurgewassen worden bepaald, dat voor daartoe behorende rassen, waarvoor kwekersrecht is verleend, de houder van het kwekersrecht verplicht is tot betaling van een bij die algemene maatregel van bestuur vast te stellen jaarcijns.

Artikel

39

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften gegeven met betrekking tot:

  • a.

    de aanvragen tot verlening van kwekersrecht;

  • b.

    de bepaling van het tijdstip, waarop de aanvragen tot verlening van kwekersrecht geacht worden bij de Raad te zijn ingediend;

  • c.

    het horen van belanghebbenden in gevallen waarin afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is.

Afdeling

III

De rechten en verplichtingen van de houder van een kwekersrecht

Artikel

40

Artikel

41

Artikel

41a

Artikel

41b

Het in artikel 40, eerste lid, bedoelde uitsluitend recht is niet van toepassing op handelingen met materiaal van het beschermde ras of van een ras als bedoeld in artikel 41, eerste lid, dat door of met toestemming van de houder van het kwekersrecht, in Nederland of in één der Lid-Staten van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte in het verkeer is gebracht of dat van zodanig materiaal is afgeleid, met uitzondering van handelingen:

  • a.

    die een verdere vermeerdering van het ras, waartoe het materiaal behoort, inhouden;

  • b.

    die uitvoer, anders dan voor verbruiksdoeleinden, van het materiaal inhouden naar een land, waar voor rassen van het gewas, waartoe het ras behoort, geen bescherming openstaat welke vergelijkbaar is met de bescherming die op basis van het bepaalde in deze wet kan worden verkregen.

Artikel

42

Artikel

43

Artikel

44

Artikel

45

Artikel

46

Artikel

47

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften gegeven met betrekking tot:

  • a.

    de in deze afdeling bedoelde verzoeken aan de Raad;

  • b.

    de bepaling van het tijdstip, waarop de onder a bedoelde verzoeken geacht worden bij de Raad te zijn ingediend;

  • c.

    het horen van belanghebbenden.

Afdeling

IV

Het kwekersrecht als deel van het vermogen

Artikel

48

Artikel

49

Artikel

49a

Artikel

50

Artikel

50a

Afdeling

V

De duur van het kwekersrecht en de opeising

Artikel

51

De duur van het kwekersrecht bedraagt ten minste twintig jaar vanaf de dagtekening van het kwekersrecht. Bij algemene maatregel van bestuur wordt voor de verschillende gewassen de duur nader bepaald.

Artikel

52

Artikel

53

Artikel

54

Artikel

55

Artikel

56

Artikel

57

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften gegeven met betrekking tot:

  • a.

    de in deze afdeling bedoelde verzoeken aan de Raad;

  • b.

    de bepaling van het tijdstip, waarop de onder a bedoelde verzoeken geacht worden bij de Raad te zijn ingediend;

  • c.

    het horen van belanghebbenden.

Afdeling

VI

De beslissingen van de Raad, het beroep en het beroep in cassatie

Artikel

58

Vervallen

Artikel

59

Artikel

60

Artikel

61

Artikel

62

Vervallen

Artikel

64

Vervallen

Artikel

65

Vervallen

Artikel

66

De president van het gerechtshof te 's-Gravenhage is bevoegd ambtshalve of op het verzoek van het openbaar ministerie aan de raden en de plaatsvervangende raden van het gerechtshof, die de waardigheid van hun ambt, hun ambtsbezigheden of ambtsplichten verwaarlozen, of die zich schuldig maken aan de overtredingen, bedoeld in artikel 67, de nodige waarschuwing te doen, na hen in de gelegenheid te hebben gesteld om te worden gehoord.

Artikel

67

Het is de raden en de plaatsvervangende raden in het gerechtshof te 's-Gravenhage verboden zich te belasten met de consultatie omtrent en de verdediging van zaken, welke bij hen in behandeling zijn of waarvan zij weten of vermoeden, dat deze door hen behandeld zullen worden.

Artikel

68

Artikel

69

Artikel

70

Van alle rechterlijke uitspraken het kwekersrecht betreffende wordt door de griffier van het college, door hetwelk die uitspraak werd gedaan, binnen een maand kosteloos een los afschrift gezonden aan de Raad.

Afdeling

VII

De inschrijving en aantekening in het Nederlands Rassenregister en de bekendmaking daarvan

Artikel

71

De in dit Hoofdstuk bedoelde inschrijvingen, en aantekeningen krachtens beslissingen, waartegen beroep openstaat, geschieden, zodra op het beroep is beslist of de beroepstermijn verstreken is, zonder dat beroep is ingesteld, dan wel zodra van het beroep afstand is gedaan door een schriftelijke daartoe strekkende kennisgeving aan de Raad.

Hoofdstuk

V

De rassenlijsten

Artikel

73

Ten aanzien van door Ons aan te wijzen cultuurgewassen of groepen van cultuurgewassen wordt een rassenlijst aangehouden, waarop worden vermeld de tot die cultuurgewassen behorende rassen en andere groepen van planten, waarvan de teelt in Nederland van belang geacht wordt door een door Ons in te stellen commissie of aan te wijzen instelling.

Artikel

74

Bij de plaatsing van de rassen en de andere groepen van planten op de rassenlijst worden de hoedanigheden en andere gegevens vermeld, waaromtrent voorlichting door de commissie of instelling van belang geacht wordt.

Artikel

75

Artikel

76

Artikel

77

Vervallen

Artikel

78

Artikel

79

Onze Minister kan bij bij regeling nadere voorschriften geven met betrekking tot de inrichting, de samenstelling, de rubricering en de publikatie van een rassenlijst, ten aanzien van de in artikel 74 bedoelde gegevens alsmede betreffende de indiening van verzoeken, als bedoeld in de artikelen 76 en 77, en van beroep, als bedoeld in artikel 78, het onderzoek en de openbaarmaking van de uitkomsten van het onderzoek.

Hoofdstuk

VI

Het verkeer met teeltmateriaal en de keuringsinstellingen

Afdeling

I

Het verkeer met teeltmateriaal

Artikel

80

Artikel

81

Artikel

82

Onze Minister kan, gehoord de in artikel 73 bedoelde commissie of instelling, bepalen, dat in afwijking van het bepaalde bij of krachtens artikel 81, ook teeltmateriaal van door hem aan te wijzen groepen van planten, welke niet zijn ingeschreven, in het verkeer gebracht, verder verhandeld en uitgevoerd mag worden.

Artikel

83

Artikel

84

Artikel

85

Van een op grond van artikel 18, tweede lid, ingeschreven ras mag uitsluitend teeltmateriaal in het verkeer gebracht, verder verhandeld en uitgevoerd worden door de kweker van het ras, alsmede door degene, die van de kweker voor de voortbrenging van teeltmateriaal geschikt uitgangsmateriaal heeft verkregen.

Artikel

86

Teeltmateriaal van een groep van planten, dat ingevolge het bepaalde in de voorgaande artikelen niet tot het verkeer is toegelaten, mag niettemin voor beproeving in het verkeer gebracht en uitgevoerd worden door of namens degene, die de groep van planten, waartoe het teeltmateriaal behoort, door eigen kweekarbeid heeft tot stand gebracht, voor zover dit door de krachtens artikel 87 aangewezen keuringsinstelling is toegelaten.

Afdeling

II

De keuringsinstellingen

Artikel

87

Artikel

88

Om voor aanwijzing als keuringsinstelling ingevolge het vorig artikel in aanmerking te komen is vereist:

  • 1°.

    dat de keuringsinstelling blijkens haar statuten:

    • a.

      ten doel heeft door middel van keuringen te bevorderen, dat betrouwbaar teeltmateriaal in het verkeer gebracht, verder verhandeld en uitgevoerd wordt;

    • b.

      niet werkzaam is met het oogmerk om winst te behalen;

    • c.

      een bestuur heeft, waarin de belanghebbenden of de groepen van belanghebbenden genoegzaam vertegenwoordigd zijn;

  • 2°.

    dat de statuten van de keuringsinstelling bepalen, dat:

    • a.

      de statuten en algemeen geldende voorschriften zomede hun wijzigingen en de intrekking daarvan, alvorens van kracht te zijn, de goedkeuring behoeven van Onze Minister;

    • b.

      de benoeming van de voorzitter van het bestuur geschiedt door Onze Minister, gehoord het bestuur van de keuringsinstelling;

    • c.

      op daartoe strekkende aanvrage een ieder als aangeslotene wordt toegelaten;

    • d.

      bij niet nakoming door een aangeslotene van enige bij de statuten of de onder a bedoelde algemeen geldende voorschriften opgelegde verplichting een of meer der navolgende maatregelen kunnen worden opgelegd: berisping, geldboete van de derde categorie als bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van strafrecht, het stellen van de aangeslotene onder verscherpte controle te zijnen laste voor ten hoogste twee jaren en openbaarmaking van de tuchtbeschikking; indien een aangeslotene in de periode van vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het niet nakomen van enige verplichting als bovenbedoeld, hetzij onder verscherpte controle werd gesteld te zijnen laste, hetzij aan hem tweemaal een geldboete werd opgelegd, kan deze voor ten hoogste drie jaren worden geschorst;

    • e.

      de aangeslotenen met betrekking tot andere dan de onder g bedoelde besluiten van een der organen van de keuringsinstelling binnen een maand na de dagtekening van de mededeling van zodanige besluiten beroep openstaat bij een Raad van Beroep, waarvan de samenstelling en de werkwijze worden geregeld in een reglement van beroep; onder besluiten worden niet begrepen algemeen geldende voorschriften;

    • f.

      de voorzitter en overige leden van de Raad van Beroep alsmede de secretaris worden benoemd door Onze Minister;

    • g.

      aan de aangeslotenen met betrekking tot de bij de keuring genomen beslissingen beroep openstaat bij een Commissie van Beroep inzake Keuringen;

    • h.

      de keuringsinstelling zich onderwerpt aan Rijkstoezicht, uit te oefenen vanwege Onze Minister volgens door deze te stellen regelen, en zich verplicht ten behoeve van het welslagen daarvan alle inlichtingen te verstrekken en alle medewerking te verlenen;

    • i.

      de met het uitoefenen van Rijkstoezicht belaste ambtenaren recht van toegang hebben tot de vergaderingen van het bestuur en van het dagelijks bestuur en hiervoor steeds een uitnodiging ontvangen, vergezeld van alle stukken.

Artikel

89

Artikel

90

Artikel

91

Artikel

92

Artikel

93

Onze Minister stelt de krachtens deze wet voorgeschreven merken, tekenen, bewijsstukken en plombes vast.

Hoofdstuk

VII

Overige bepalingen

Artikel

94

Hoofdstuk

VIII

Strafbepalingen

Artikel

95

Artikel

96

Artikel

97

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Artikel

98

Ingeval niet-nakoming van een verplichting, als bedoeld in artikel 88, onder 2°, sub d, tevens een economisch delict oplevert, beslist de officier van justitie, na overleg met de keuringsinstelling, of de overtreding al dan niet tuchtrechtelijk door de keuringsinstelling zal worden afgedaan.

Hoofdstuk

IX

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel

99

Artikel

100

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Artikel

101

Artikel

102

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven ten Paleize Soestdijk
JULIANA.
De Minister van Landbouw en Visserij, B. W. BIESHEUVEL.
De Minister van Justitie, SAMKALDEN.
De Minister van Justitie, SAMKALDEN.