Artikel
I
De Vestigingswet detailhandel wordt ingetrokken.
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
De Vestigingswet detailhandel wordt ingetrokken.
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
De op het tijdstip, waarop deze wet in werking treedt, krachtens de Drank- en Horecawet geldende vergunning wordt mede beschouwd als een vergunning voor de uitoefening van het bedrijf, bedoeld in artikel 4 van het Vestigingsbesluit bedrijven.
Indien de in het eerste lid bedoelde vergunning op grond van de Drank- en Horecawet vervalt dan wel wordt ingetrokken, wordt op een daartoe strekkende aanvraag, die is ingediend binnen een jaar vanaf het tijdstip waarop de vergunning is vervallen of ingetrokken, een vergunning verleend voor de uitoefening van het bedrijf, bedoeld in artikel 4 van het Vestigingsbesluit bedrijven.
Het tweede lid is slechts van toepassing indien de vergunning vervalt of wordt ingetrokken op andere gronden dan de overeenkomstige gronden voor verval of intrekking van een vergunning als bedoeld in de artikelen 11 en 13 van de Vestigingswet Bedrijven 1954.
De op grond van artikel 42 van de Drank- en Horecawet verleende ontheffing van de krachtens artikel 7 van die wet gestelde eisen van handelskennis, wordt, voor zover deze ontheffing strekt, beschouwd als een ontheffing van het verbod van artikel 3, eerste lid, van het Vestigingsbesluit bedrijven, voor het bedrijf, bedoeld in artikel 4 van dat besluit.
De eisen, bedoeld in artikel 5, vierde lid, van de Drank- en Horecawet gelden niet ten aanzien van personen, die op het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, als bedrijfsleider of beheerder staan vermeld op een krachtens de Drank- en Horecawet geldende vergunning.
De eisen, bedoeld in artikel 5, vierde lid, van de Drank- en Horecawet gelden voorts niet ten aanzien van personen die op het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, voldoen aan de krachtens artikel 7 van de Drank- en Horecawet gestelde eisen van handelskennis of beschikken over een ontheffing van die eisen of van de eisen van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 42 van die wet, en die binnen een jaar na dat tijdstip een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 3 van die wet indienen.
De op het tijdstip, waarop deze wet in werking treedt, krachtens de Vestigingswet detailhandel geldende vergunning, wordt beschouwd als een vergunning voor de uitoefening van het bedrijf, bedoeld in artikel 4 van het Vestigingsbesluit bedrijven.
De ontheffing die is verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3 van de Vestigingswet detailhandel, wordt, voor zover deze ontheffing strekt, beschouwd als een ontheffing van het verbod van artikel 3, eerste lid, van het Vestigingsbesluit bedrijven, voor het bedrijf, bedoeld in artikel 4 van dat besluit.
Een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet waarop voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet niet is beslist wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op het voldoen aan vestigingseisen, vanaf dat tijdstip beschouwd als een aanvraag om een vergunning voor de uitoefening van het bedrijf, bedoeld in artikel 4 van het Vestigingsbesluit bedrijven. Ten aanzien van de beslissing op die aanvraag blijven de eisen van handelskennis van toepassing zoals die voor dat tijdstip golden krachtens artikel 7 van de Drank- en Horecawet.
Een aanvraag om een verklaring van handelskennis als bedoeld in artikel 41 van de Drank- en Horecawet waarop voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet niet is beslist wordt vanaf dat tijdstip beschouwd als een aanvraag om een verklaring van algemene ondernemersvaardigheden als bedoeld in het Uitvoeringsbesluit Vestigingswet Bedrijven 1954.
Een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 42 van de Drank- en Horecawet of artikel 13 van de Vestigingswet detailhandel waarop voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet niet is beslist wordt vanaf dat tijdstip beschouwd als een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 15 van de Vestigingswet Bedrijven 1954.
Ten aanzien van de beslissing op een aanvraag om een verklaring van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 41 van de Drank- en Horecawet waarop voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet niet is beslist, blijft het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing.
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.